Bijbel in Gewone Taal (BGT)
13

De overheid staat in dienst van God

131Iedereen moet het gezag van de overheid accepteren. Want de macht van de overheid komt van God. Alle macht die mensen hebben, heeft God hun gegeven. 2Verzet je dus niet tegen de overheid. Want anders verzet je je tegen iets dat God zelf heeft ingesteld. En dan zal God je straffen.

3Als je goed leeft, hoef je niet bang te zijn voor machthebbers. Je moet pas bang zijn als je verkeerde dingen doet. Wil je leven zonder angst voor de overheid? Doe dan wat goed is, dan word je met respect behandeld.

4De overheid staat in dienst van God. Het is de taak van de overheid om jou te beschermen. Maar als je verkeerde dingen doet, kijk dan maar uit! Want de overheid heeft haar macht niet voor niets. Mensen die misdaden plegen, krijgen hun verdiende straf. Ook op die manier staat de overheid in dienst van God. 5Accepteer dus het gezag van de overheid. Allereerst omdat je dan niet gestraft wordt. Maar ook omdat je weet dat dat goed is.

6Daarom betaal je ook belasting. De mensen die belasting ophalen, staan in dienst van God. 7Geef dus altijd wat je moet geven. Betaal alle belasting die je moet betalen. Heb respect voor wie respect verdient. En geef eer aan wie eer verdient.

Houd van elkaar

8Zorg ervoor dat je niemand iets schuldig bent. Voor jullie geldt alleen deze regel: houd van elkaar. Want als je houdt van de ander, heb je precies gedaan waar het in de wet om gaat.

9In de wet staat: «Vermoord niemand. Ga niet vreemd. Steel niet. Verlang niet naar iets dat van een ander is.» Deze en alle andere regels kunnen in één zin gezegd worden: «Van de mensen om je heen moet je evenveel houden als van jezelf.»

10Als je van de ander houdt, zul je hem geen kwaad doen. Het gaat er dus om dat jullie elkaar liefhebben. Dat is alles wat de wet van je vraagt.

Leef als mensen die bij Christus horen

11Jullie weten dat het moment van onze redding dichtbij is. De dag waarop dat zal gebeuren, is nu nog dichterbij dan toen wij gingen geloven.

Het is tijd dat jullie wakker worden. 12De nacht is bijna voorbij, de dag gaat beginnen. We moeten alles wat slecht is, achter ons laten. Want dat hoort bij de donkere nacht. We moeten klaarstaan om te gaan leven in Gods licht. 13We moeten ons goed gedragen, als mensen die gered zullen worden.

Doe niet mee met feesten waarop iedereen zich vol eet en dronken wordt. Laat je niet verleiden tot verboden seks, maar gedraag je goed op seksueel gebied. Zoek geen ruzie, en eis niet steeds respect van anderen. 14Luister niet naar je eigen verkeerde verlangens. Maar laat door je gedrag zien dat jullie helemaal bij de Heer Jezus Christus horen.

14

De kerk moet een eenheid zijn

Maak geen ruzie over eten

141-2De meesten van jullie geloven dat christenen alles mogen eten. Maar sommigen hebben niet zo’n sterk geloof. Zij geloven dat christenen geen onrein vlees mogen eten. Zorg ervoor dat ook die mensen welkom zijn als jullie bij elkaar komen. Maak geen ruzie over dat soort verschillen.

3Geloof je dat je alles mag eten? Prima. Maar denk niet dat je beter bent dan iemand die geen vlees eet. Geloof je dat je geen onrein vlees mag eten? Prima. Maar zeg niet dat het verkeerd is als een ander dat wel doet. Want bij God zijn jullie allebei welkom.

4Wie beoordeelt of een slaaf zijn werk goed doet? Alleen zijn eigen meester. Net zo worden wij alleen door onze Heer beoordeeld. En hij zorgt ervoor dat ieder van ons vasthoudt aan zijn geloof.

Doe alles om de Heer te eren

5Voor sommigen van jullie zijn bepaalde dagen heilig. Voor anderen zijn alle dagen gelijk. Houd vast aan de overtuiging die je hebt. 6Wie feestviert op heilige dagen, doet dat om de Heer te eren. En wie alles eet, doet dat ook om de Heer te eren. Want hij dankt God voor zijn eten. Maar ook iemand die geen vlees eet, doet dat om de Heer te eren. Want ook hij dankt God voor zijn eten.

7Niemand van ons leeft voor zichzelf, en niemand van ons sterft voor zichzelf. 8Als wij leven, leven wij voor de Heer. En als wij sterven, sterven wij voor de Heer. Wij horen bij onze Heer Jezus Christus, in heel ons leven en ook als we sterven. 9Want Christus is gestorven en opgestaan om Heer van ons allemaal te zijn. Hij is onze Heer, zolang we leven. En hij blijft onze Heer als we gestorven zijn.

Alleen God zal over ons oordelen

10Zeg nooit over andere gelovigen: ‘Wat zij doen, is verkeerd!’ En denk ook niet dat je beter bent dan andere gelovigen. Want op een dag staan we allemaal voor Gods troon. En dan zal God over ons rechtspreken. 11In de heilige boeken zegt God: «Zo zeker als ik leef, alle mensen zullen voor mij knielen en mij eren.»

12God zal ons dus allemaal beoordelen op onze eigen daden.

Behandel andere gelovigen met liefde

13Vrienden, we moeten elkaar niet meer veroordelen. Laten we afspreken dat we het andere gelovigen niet moeilijk maken. En dat we hun geloof niet in gevaar brengen. 14Ik weet zeker dat voedsel op zichzelf nooit onrein is. De Heer Jezus heeft mij daarvan overtuigd. Voedsel is alleen onrein voor je, als je gelooft dat het onrein is.

15Sommige christenen geloven dat bepaald voedsel onrein is. Als je met hen eet, moet je zulk voedsel dus niet op tafel zetten. Want dan maak je het moeilijk voor hen. En dan behandel je hen niet met liefde. Christus is ook voor hen gestorven! Breng hun redding dus niet in gevaar door voedsel. 16Want dan maak je de vrijheid die God jullie geeft, kapot.

17Waar gaat het om in Gods nieuwe wereld? Niet om wat je eet of drinkt! Het gaat erom dat we goed zijn voor elkaar, en in vrede met elkaar leven. En dat we blij zijn, omdat de heilige Geest in ons is.

18Als je Christus zo dient, dan doe je wat God wil. En dan zal iedereen respect voor je hebben.

Bewaar de eenheid van Gods kerk

19We moeten in vrede met elkaar leven en elkaar steunen. Daar moeten we ons uiterste best voor doen.

20Breng de eenheid in Gods kerk niet in gevaar door zomaar alles te eten. Zeker, al het eten is rein, je mag alles eten. Maar het is verkeerd als je daarmee het geloof van anderen in gevaar brengt. 21Je mag het geloof van anderen niet in gevaar brengen door vlees te eten of door wijn te drinken. Laat die dingen dan liever staan!

22Houd vast aan je overtuiging, want dat is iets tussen jou en God. En volg je overtuiging op een goede manier. Dan zul je gelukkig zijn. 23Maar als je vlees eet om ruzie te zoeken met andere gelovigen, zul je gestraft worden. Want dan eet je vlees, maar niet uit geloof. En alles wat je niet uit geloof doet, is verkeerd.

15

Vorm een eenheid

151De meesten van ons kunnen goed omgaan met de vrijheid die God ons geeft. Maar sommige christenen hebben een zwak geloof. Zij hebben het moeilijk met die vrijheid. Wij moeten hen helpen, en niet bezig zijn met wat goed is voor onszelf.

2Ieder van ons moet doen wat goed is voor de ander en wat de ander helpt. 3Ook Christus was niet bezig met wat goed was voor hemzelf. Hij deed alleen wat God wilde. Dit staat over hem in de heilige boeken: «God, telkens als mensen u beledigen, doet mij dat pijn.»

4Alles wat in de heilige boeken staat, is al lang geleden opgeschreven voor ons. Het geeft ons uitleg over Gods plan. Zo geven de heilige boeken ons moed om vol te houden, en om op God te blijven vertrouwen. 5God zelf geeft ons moed en kracht om vol te houden. En ik bid dat God jullie zal helpen om het voorbeeld van Jezus Christus te volgen. Dan leren jullie om met elkaar mee te voelen. 6Want dan zijn jullie echt een eenheid. En dan kunnen jullie samen de God en Vader van onze Heer Jezus Christus alle eer geven.

Joden en niet-Joden worden één geheel

7Jullie moeten elkaar dus vol liefde accepteren, tot eer van God. Want ook Christus heeft jullie allemaal vol liefde geaccepteerd.

8Luister goed: Christus werd een dienaar van de Joden. Zo liet hij zien dat God doet wat hij beloofd heeft. Want de belofte van God aan de voorouders van de Joden werd werkelijkheid toen Christus kwam.

9Ook liet Christus zien hoe goed God is voor de niet-Joden. Want alle volken danken God voor de redding die hij wil geven. Zo staat het ook in de heilige boeken: «Samen met alle volken wil ik God danken. Ik zing een lied om hem te eren.» 10En er staat ook: «Alle volken moeten blij zijn, samen met Israël.» 11En: «Juich voor de Heer, alle volken. Zing voor hem, alle landen.» 12En de profeet Jesaja heeft gezegd: «Er zal een nieuwe koning komen uit de familie van David. Hij zal regeren over alle volken. En alle mensen verwachten hun redding van hem.»

13God geeft ons het vertrouwen dat we gered zullen worden. Ik bid dat hij jullie vreugde en vrede zal geven door jullie geloof in Jezus Christus. Dan zal jullie vertrouwen op God steeds sterker worden, door de kracht van de heilige Geest.

De plannen van Paulus

God heeft Paulus apostel gemaakt

14Vrienden, ik heb veel vertrouwen in jullie. Jullie willen absoluut het goede voor elkaar. Jullie weten precies wat God van jullie vraagt. En daardoor kunnen jullie elkaar helpen om geen fouten te maken.

15Ik heb jullie veel geschreven. Een deel ervan wisten jullie al. Ik durfde jullie al die dingen te schrijven, omdat God zelf mij heeft uitgekozen om zijn apostel te zijn. 16God stuurde mij naar de niet-Joden als dienaar van Jezus Christus. Overal vertel ik het goede nieuws. Daarmee dien ik God. Want de niet-Joden die het goede nieuws geloven, krijgen de heilige Geest. En die maakt hen heilig. Zo worden zij een geschenk dat God graag wil aannemen.

17Ik ben er trots op dat ik als dienaar van Jezus Christus voor God werk.

Paulus heeft het goede nieuws verteld

18Ik spreek niet namens mijzelf, ik zeg wat Christus mij laat zeggen. Christus gebruikt mijn woorden en daden om mensen van alle volken gehoorzaam aan God te maken. 19Door de macht van Christus gebeuren er wonderen als ik het goede nieuws vertel. En door de macht van de heilige Geest gaan mensen geloven. Zo heb ik het goede nieuws over Christus overal kunnen vertellen, vanuit Jeruzalem helemaal tot in Illyrië.

20Ik heb steeds mijn uiterste best gedaan om het goede nieuws bekend te maken. Ik ging niet naar plaatsen waar anderen al over Christus verteld hadden. Want het is niet mijn taak om verder te gaan met het werk van anderen. 21Nee, mijn taak staat al in de heilige boeken: «Mensen die hem niet kennen, krijgen het goede nieuws te horen. Dan zullen ze de waarheid kennen.»

Paulus wil via Rome naar Spanje gaan

22Vrienden, telkens was er wel iets dat mij tegenhield om naar jullie toe te komen. 23-24Maar nu ben ik klaar met mijn werk in het oosten. Ik ben van plan om naar Spanje te reizen en daar het goede nieuws te vertellen. Maar ik zal via Rome reizen. Want ik verlang er al zo lang naar om naar jullie toe te komen!

Ik wil jullie dus bezoeken om een goede tijd met jullie te hebben. En ik hoop dat jullie mij dan zullen helpen bij mijn reis naar Spanje.

Paulus gaat eerst naar Jeruzalem

25Maar ik ga nu eerst naar Jeruzalem om de christenen daar te steunen. 26Want de christenen in Macedonië en Achaje hebben geld ingezameld voor de arme christenen in Jeruzalem. 27Het was hun eigen beslissing om dat te doen, maar ze waren dat ook verplicht. Want ook zij krijgen de hemelse rijkdom die God beloofde aan het Joodse volk. En daarom moeten zij de Joodse christenen steunen met hun aardse rijkdom.

28Ik ga nu dus eerst naar Jeruzalem. Want ik moet ervoor zorgen dat al het geld daar veilig aankomt. Meteen daarna kom ik naar Rome toe. En dan reis ik daarvandaan verder naar Spanje.

29En dit weet ik zeker: als ik bij jullie kom, dan kom ik met de zegen van Christus.

Paulus vraagt om steun

30Vrienden, ik wil jullie dringend vragen om voor mij te bidden. Wij horen bij elkaar, want Jezus Christus is onze Heer. En de heilige Geest zorgt ervoor dat we van elkaar houden. Steun mij dan ook bij mijn werk door voor mij te bidden!

31Bid dat God mij in Judea beschermt tegen de Joden die niet in Christus geloven. Bid dat de Joodse christenen in Jeruzalem het geld van de niet-Joodse christenen willen aannemen. 32En bid dat God mij daarna veilig bij jullie laat komen. Dan kunnen we er samen blij om zijn dat de christenen een eenheid vormen.

33Ik wens jullie toe dat God aan jullie allemaal zijn vrede geeft. Amen.