Bijbel in Gewone Taal (BGT)
12

We moeten goed leven

Je leven moet een offer voor God zijn

121Vrienden, jullie weten hoe goed God voor ons is. Daarom vraag ik jullie: Geef jezelf als een geschenk aan God. Laat je leven een offer zijn dat God graag wil aannemen. Dat betekent: leef als mensen die bij God horen. Want dat is de juiste manier om God te vereren.

2Doe niet zoals de mensen die zonder God leven, maar leef als nieuwe mensen. Want God geeft jullie de wijsheid om zijn wil te kennen. Daardoor weten jullie wat goed en volmaakt is, en waar God blij mee is.

Iedereen heeft een eigen functie

3Jullie weten hoe goed God voor mij geweest is. Luister daarom naar wat ik tegen jullie zeg. Denk niet van jezelf dat je geweldig bent. Nee, wees verstandig en bedenk goed dat er voor God maar één ding belangrijk is: dat je gelooft in Jezus Christus.

4Het lichaam is één geheel, maar het bestaat uit veel delen. En al die delen hebben een eigen functie. 5Net zo vormen wij samen één lichaam, want we horen allemaal bij Christus. Maar we hebben wel allemaal onze eigen functie. 6Want God heeft aan ieder van ons een bijzonder geschenk gegeven. Zo goed is hij voor ons.

De één krijgt een boodschap van God, een boodschap die past bij ons geloof. 7Een ander heeft een bijzondere taak in de kerk, en voert die uit als een goede dienaar. Weer een ander geeft uitleg over God en doet dat goed. 8Iemand die anderen oproept om vol te houden, moet hen ook echt steunen. Iemand die iets uitdeelt aan anderen, moet niet hopen op voordeel voor zichzelf. Iemand die anderen hulp geeft, moet dat met aandacht doen. Iemand die iets goeds doet voor anderen, moet dat met plezier doen.

Houd van elkaar

9Jullie liefde voor elkaar moet echt zijn. Blijf ver weg van alles wat slecht is, en houd vast aan alles wat goed is.

10Houd van elkaar zoals broers en zussen van elkaar houden. Laat altijd zien dat je respect hebt voor de ander. 11Doe dat met heel je hart, laat de heilige Geest in je werken, en dien God, de Heer. 12Laat zien dat je blij bent omdat je op God vertrouwt. Houd vol als je in moeilijkheden komt, en blijf altijd bidden. 13Steun de christenen die hulp nodig hebben. En ontvang ze hartelijk in je huis.

Doe altijd het goede

14Als mensen je in moeilijkheden brengen, bid dan voor hen. Vraag God niet om hen te straffen, maar bid voor hen.

15Jullie moeten altijd met elkaar meeleven, in vreugde en in verdriet. 16Vergeet nooit dat jullie als christenen allemaal gelijk zijn. Je moet jezelf niet belangrijker vinden dan anderen. Wees tevreden met een onbelangrijke plaats, en wees niet eigenwijs.

17Als iemand je kwaad doet, doe hem dan geen kwaad terug. Maar laat aan alle mensen zien dat jullie het goede willen doen. 18Doe je uiterste best om met iedereen in vrede te leven.

19Beste vrienden, neem geen wraak op anderen. Laat het straffen over aan God. Want in de heilige boeken zegt God: «Ik ben het die straft. Ik geef ieder mens wat hij verdient.» 20Dus als je vijand honger heeft, geef hem dan te eten. Als hij dorst heeft, geef hem dan te drinken. Daarmee laat je zien dat niet jij, maar God hem zal straffen. 21Laat je niet overwinnen door het kwaad. Maar overwin het kwaad door het goede.

13

De overheid staat in dienst van God

131Iedereen moet het gezag van de overheid accepteren. Want de macht van de overheid komt van God. Alle macht die mensen hebben, heeft God hun gegeven. 2Verzet je dus niet tegen de overheid. Want anders verzet je je tegen iets dat God zelf heeft ingesteld. En dan zal God je straffen.

3Als je goed leeft, hoef je niet bang te zijn voor machthebbers. Je moet pas bang zijn als je verkeerde dingen doet. Wil je leven zonder angst voor de overheid? Doe dan wat goed is, dan word je met respect behandeld.

4De overheid staat in dienst van God. Het is de taak van de overheid om jou te beschermen. Maar als je verkeerde dingen doet, kijk dan maar uit! Want de overheid heeft haar macht niet voor niets. Mensen die misdaden plegen, krijgen hun verdiende straf. Ook op die manier staat de overheid in dienst van God. 5Accepteer dus het gezag van de overheid. Allereerst omdat je dan niet gestraft wordt. Maar ook omdat je weet dat dat goed is.

6Daarom betaal je ook belasting. De mensen die belasting ophalen, staan in dienst van God. 7Geef dus altijd wat je moet geven. Betaal alle belasting die je moet betalen. Heb respect voor wie respect verdient. En geef eer aan wie eer verdient.

Houd van elkaar

8Zorg ervoor dat je niemand iets schuldig bent. Voor jullie geldt alleen deze regel: houd van elkaar. Want als je houdt van de ander, heb je precies gedaan waar het in de wet om gaat.

9In de wet staat: «Vermoord niemand. Ga niet vreemd. Steel niet. Verlang niet naar iets dat van een ander is.» Deze en alle andere regels kunnen in één zin gezegd worden: «Van de mensen om je heen moet je evenveel houden als van jezelf.»

10Als je van de ander houdt, zul je hem geen kwaad doen. Het gaat er dus om dat jullie elkaar liefhebben. Dat is alles wat de wet van je vraagt.

Leef als mensen die bij Christus horen

11Jullie weten dat het moment van onze redding dichtbij is. De dag waarop dat zal gebeuren, is nu nog dichterbij dan toen wij gingen geloven.

Het is tijd dat jullie wakker worden. 12De nacht is bijna voorbij, de dag gaat beginnen. We moeten alles wat slecht is, achter ons laten. Want dat hoort bij de donkere nacht. We moeten klaarstaan om te gaan leven in Gods licht. 13We moeten ons goed gedragen, als mensen die gered zullen worden.

Doe niet mee met feesten waarop iedereen zich vol eet en dronken wordt. Laat je niet verleiden tot verboden seks, maar gedraag je goed op seksueel gebied. Zoek geen ruzie, en eis niet steeds respect van anderen. 14Luister niet naar je eigen verkeerde verlangens. Maar laat door je gedrag zien dat jullie helemaal bij de Heer Jezus Christus horen.

14

De kerk moet een eenheid zijn

Maak geen ruzie over eten

141-2De meesten van jullie geloven dat christenen alles mogen eten. Maar sommigen hebben niet zo’n sterk geloof. Zij geloven dat christenen geen onrein vlees mogen eten. Zorg ervoor dat ook die mensen welkom zijn als jullie bij elkaar komen. Maak geen ruzie over dat soort verschillen.

3Geloof je dat je alles mag eten? Prima. Maar denk niet dat je beter bent dan iemand die geen vlees eet. Geloof je dat je geen onrein vlees mag eten? Prima. Maar zeg niet dat het verkeerd is als een ander dat wel doet. Want bij God zijn jullie allebei welkom.

4Wie beoordeelt of een slaaf zijn werk goed doet? Alleen zijn eigen meester. Net zo worden wij alleen door onze Heer beoordeeld. En hij zorgt ervoor dat ieder van ons vasthoudt aan zijn geloof.

Doe alles om de Heer te eren

5Voor sommigen van jullie zijn bepaalde dagen heilig. Voor anderen zijn alle dagen gelijk. Houd vast aan de overtuiging die je hebt. 6Wie feestviert op heilige dagen, doet dat om de Heer te eren. En wie alles eet, doet dat ook om de Heer te eren. Want hij dankt God voor zijn eten. Maar ook iemand die geen vlees eet, doet dat om de Heer te eren. Want ook hij dankt God voor zijn eten.

7Niemand van ons leeft voor zichzelf, en niemand van ons sterft voor zichzelf. 8Als wij leven, leven wij voor de Heer. En als wij sterven, sterven wij voor de Heer. Wij horen bij onze Heer Jezus Christus, in heel ons leven en ook als we sterven. 9Want Christus is gestorven en opgestaan om Heer van ons allemaal te zijn. Hij is onze Heer, zolang we leven. En hij blijft onze Heer als we gestorven zijn.

Alleen God zal over ons oordelen

10Zeg nooit over andere gelovigen: ‘Wat zij doen, is verkeerd!’ En denk ook niet dat je beter bent dan andere gelovigen. Want op een dag staan we allemaal voor Gods troon. En dan zal God over ons rechtspreken. 11In de heilige boeken zegt God: «Zo zeker als ik leef, alle mensen zullen voor mij knielen en mij eren.»

12God zal ons dus allemaal beoordelen op onze eigen daden.

Behandel andere gelovigen met liefde

13Vrienden, we moeten elkaar niet meer veroordelen. Laten we afspreken dat we het andere gelovigen niet moeilijk maken. En dat we hun geloof niet in gevaar brengen. 14Ik weet zeker dat voedsel op zichzelf nooit onrein is. De Heer Jezus heeft mij daarvan overtuigd. Voedsel is alleen onrein voor je, als je gelooft dat het onrein is.

15Sommige christenen geloven dat bepaald voedsel onrein is. Als je met hen eet, moet je zulk voedsel dus niet op tafel zetten. Want dan maak je het moeilijk voor hen. En dan behandel je hen niet met liefde. Christus is ook voor hen gestorven! Breng hun redding dus niet in gevaar door voedsel. 16Want dan maak je de vrijheid die God jullie geeft, kapot.

17Waar gaat het om in Gods nieuwe wereld? Niet om wat je eet of drinkt! Het gaat erom dat we goed zijn voor elkaar, en in vrede met elkaar leven. En dat we blij zijn, omdat de heilige Geest in ons is.

18Als je Christus zo dient, dan doe je wat God wil. En dan zal iedereen respect voor je hebben.

Bewaar de eenheid van Gods kerk

19We moeten in vrede met elkaar leven en elkaar steunen. Daar moeten we ons uiterste best voor doen.

20Breng de eenheid in Gods kerk niet in gevaar door zomaar alles te eten. Zeker, al het eten is rein, je mag alles eten. Maar het is verkeerd als je daarmee het geloof van anderen in gevaar brengt. 21Je mag het geloof van anderen niet in gevaar brengen door vlees te eten of door wijn te drinken. Laat die dingen dan liever staan!

22Houd vast aan je overtuiging, want dat is iets tussen jou en God. En volg je overtuiging op een goede manier. Dan zul je gelukkig zijn. 23Maar als je vlees eet om ruzie te zoeken met andere gelovigen, zul je gestraft worden. Want dan eet je vlees, maar niet uit geloof. En alles wat je niet uit geloof doet, is verkeerd.