Ik keek nog een keer. Toen zag ik bij elk dier een wiel op de grond staan.
Die wielen schitterden alsof ze gemaakt waren van edelstenen. Ze zagen er allemaal hetzelfde uit. Midden door elk wiel heen zat een ander wiel.
Daardoor konden de wielen alle kanten op, zonder om te keren.
De wielen waren ontzettend hoog. Zo hoog, dat ik er bang van werd. Op de randen van de wielen zaten allemaal ogen.
De wielen rolden steeds met de vier dieren mee. Als de dieren naar voren gingen, dan gingen de wielen ook naar voren. Als de dieren stilstonden, stonden de wielen ook stil. En als de dieren omhooggingen, gingen de wielen ook omhoog. De dieren gingen overal heen waar de geest van God hen bracht. En de wielen bewogen steeds met ze mee. Want de dieren en de wielen werden door de geest van God geleid.
Boven de hoofden van de dieren was een soort koepel. Die koepel schitterde als ijs in de zon. Hij schitterde zo erg, dat ik er bijna niet naar kon kijken.
Onder de koepel stonden de dieren. Ze hielden twee van hun vleugels omhoog, zodat die de vleugels raakten van de dieren ernaast. Met de twee andere vleugels bedekten ze hun lichaam.
Toen gingen de dieren vliegen. Ik hoorde het geluid van hun vleugels. Dat klonk als het bulderen van de zee, en als de stampende laarzen van soldaten. Het klonk als het lawaai van een grote groep mensen, en als de stem van de machtige God. Daarna stonden de dieren weer stil. Ze lieten hun vleugels naar beneden hangen.
Opeens hoorde ik weer een geluid. Het kwam van boven de koepel.
Ik zag daar iets schitteren. Het leek op een troon die gemaakt was van edelstenen. Op de troon zat iemand die eruitzag als een mens.
Aan de bovenkant glansde zijn lichaam als goud, aan de onderkant gloeide het als vuur. Rondom hem was een schitterend licht.
Dat licht had allerlei kleuren. Het zag eruit als een regenboog die in de wolken verschijnt. Zo liet de Heer zich aan mij zien, stralend en machtig. Toen liet ik me neervallen op mijn knieën. Daarna hoorde ik de stem van God.