Bijbel in Gewone Taal (BGT)
3

Alles heeft zijn eigen tijd

31Er is voor alles in het leven een geschikte tijd.

2Er is een tijd om kinderen te krijgen,

en er is een tijd om te sterven.

Een tijd om planten in de grond te zetten,

en een tijd om planten uit de grond te trekken.

3Een tijd om mensen te doden,

en een tijd om mensen beter te maken.

Een tijd om dingen af te breken,

en een tijd om dingen op te bouwen.

4Een tijd om te huilen,

en een tijd om te lachen.

Een tijd om verdriet te hebben,

en een tijd om te dansen.

5Een tijd om samen te slapen,

en een tijd om in je eentje te slapen.

Een tijd om iemand te omhelzen,

en een tijd om afstand te houden.

6Een tijd om iets te zoeken,

en een tijd om iets te verliezen.

Een tijd om dingen te bewaren,

en een tijd om dingen weg te gooien.

7Een tijd om iets los te scheuren,

en een tijd om iets heel te maken.

Een tijd om stil te zijn,

en een tijd om te praten.

8Een tijd om lief te hebben,

en een tijd om te haten.

Er is een tijd voor oorlog,

en er is een tijd voor vrede.

Het heeft geen zin om hard te werken

9Een mens heeft er niets aan om steeds maar hard te werken. 10Hard werken is een zware taak, die God de mensen heeft opgelegd.

11God zorgt ervoor dat alles op de juiste tijd gebeurt. En hij heeft de mensen geleerd om dat te begrijpen. Toch begrijpt een mens nooit helemaal wat God doet. 12Daarom zeg ik: Je kunt maar het beste vrolijk zijn en van het leven genieten. 13Als je lekker eet en drinkt en geniet van al je bezit, dan is dat een geschenk van God.

14Alles wat God doet, dat blijft voor altijd. Dat heb ik vastgesteld. Je kunt er helemaal niets aan veranderen. Zo zorgt God ervoor dat de mensen eerbied voor hem hebben.

15Alles wat er is, was er allang. En wat nog komt, is er ook altijd al geweest. God laat steeds weer hetzelfde gebeuren.

Het leven is niet eerlijk

God spreekt recht over iedereen

16Ik heb nog meer gezien op aarde. Overal zag ik misdaad en onrecht. Er zijn geen eerlijke rechters meer. 17Ik dacht bij mezelf: God zal ooit rechtspreken over eerlijke mensen en over slechte mensen. Hij heeft de juiste tijd bepaald voor alles wat er gebeurt.

18Ik dacht bij mezelf: God wil dat de mensen anders zijn dan de dieren. Maar hij ziet dat ze als dieren met elkaar omgaan. 19Het gaat met de mensen net zoals met de dieren. Leven en dood zijn voor mensen en dieren hetzelfde. Mensen zijn niet meer waard dan dieren, want ook mensen leven maar kort. 20Mensen en dieren gaan op dezelfde manier dood. Ze zijn uit aarde gemaakt, en ze worden weer aarde. 21Gaat de laatste adem van de mensen misschien naar boven? En die van de dieren naar beneden? Dat weet niemand.

22Een mens kan maar het beste vrolijk zijn. Dat kan hem niet meer afgepakt worden. Als je dood bent, geniet je nergens meer van.

4

Je kunt maar beter dood zijn

41Ook over andere zaken dacht ik na. Ik zag dat er veel geweld is in de wereld. Ik zag de tranen van de mensen die onderdrukt worden. Niemand troost hen. De onderdrukkers gebruiken geweld, en niemand troost de mensen die onderdrukt worden.

2Je kunt maar beter dood zijn, dacht ik. Mensen die dood zijn, zijn gelukkiger dan mensen die nog leven. 3Maar nog gelukkiger is iemand die nog niet geboren is. Want die weet nog niets van al het kwaad in de wereld.

Rust is beter dan hard werken

4Ik zag dat de mensen hard werken en hun uiterste best doen. Want ze willen niet dat anderen het beter hebben dan zijzelf. Daarom werken ze zo hard. Maar ook daar heb je niets aan, je bereikt er niets mee.

5Een dwaas die nooit werkt, maakt zichzelf kapot. 6Toch is een beetje rust beter dan al dat harde werken waarmee je niets bereikt.

7Ik dacht ook na over iets anders in het leven, iets dat ook zinloos is. 8Stel dat iemand alleen is en geen familie heeft. Hij is altijd maar aan het werk, hij wil steeds rijker worden. Maar dan vraagt hij zich af: Voor wie werk ik eigenlijk zo hard? Waarom maak ik nooit plezier?

Wat zinloos is dat allemaal, en wat treurig.

Beter met z’n tweeën dan alleen

9Je kunt maar beter met z’n tweeën zijn dan alleen. Want samen bereik je meer dan in je eentje. 10Als één van beiden valt, dan helpt de ander hem weer overeind. Maar als je alleen bent, kan niemand je weer overeind helpen.

11Als twee mensen samen slapen, blijven ze lekker warm. Maar als je alleen slaapt, krijg je het koud.

12Als iemand alleen is, kan hij zich niet goed verdedigen. Maar samen kun je een tegenstander aan. Samen ben je sterker. Net als een touw dat gemaakt is uit drie losse touwen. Dat trek je niet zomaar stuk.

Beter jong en slim dan oud en dwaas

13Beter een arme jongen die slim is, dan een oude koning die niet meer luistert naar goede raad.

14Eens was er een jongen die in de gevangenis zat. Later werd hij de nieuwe koning van het land waar hij als arme jongen was geboren. 15-16Alle mensen liepen achter die nieuwe koning aan, alle mensen op aarde. Ze waren allemaal blij met hem. Maar later werden ze ook over hem ontevreden.

Het heeft geen zin om door iedereen bewonderd te worden. Je bereikt er niets mee.

Houd je aan je belofte

17Ga niet zomaar naar de tempel van God. Ga erheen om te horen wat God wil. En als je een offer brengt, moet je dat op de juiste manier doen, niet zoals iemand zonder verstand. Die begrijpt niet wat hij fout doet.

5

51Zeg niet te vlug dat je iets voor God wilt doen. Denk goed na voordat je hem iets belooft. Want God is in de hemel en jij bent hier op aarde. Gebruik dus niet te veel woorden. 2Want als je het te druk hebt, krijg je nare dromen. En als je te veel praat, ga je domme dingen zeggen.

3Als je God toch iets belooft, dan moet je het ook doen. En je moet het snel doen. God houdt niet van mensen die iets beloven en het niet doen. Houd je dus aan je belofte. 4Je kunt beter niets beloven, dan eerst iets beloven en het dan niet doen.

5Je moet niet zomaar iets aan God beloven. Want dan beledig je hem. En zeg niet later tegen de priester dat het een vergissing was. Dat zijn dingen waar God kwaad over wordt. Hij kan alles wat je bereikt hebt, weer vernietigen. 6Mensen beloven zo veel! Maar als je een belofte doet aan God, moet je je daaraan houden, uit eerbied voor hem.

De koning moet arme mensen beschermen

7Wees niet verbaasd als er geen eerlijke mensen meer in het land zijn. En als je ziet dat arme mensen onderdrukt worden. Want mensen met macht worden vaak beschermd door mensen met meer macht. En zij worden weer beschermd door mensen die nog machtiger zijn. 8Maar een koning moet ook de armen beschermen. Hij moet ervoor zorgen dat er op de akkers genoeg groeit voor iedereen.

Rijkdom brengt geen geluk

9Wie graag rijk wil zijn, heeft nooit genoeg. Wie veel heeft, wil steeds meer hebben. Ook dat is allemaal zinloos. 10Als iemand rijk wordt, willen steeds meer mensen iets van hem hebben. En degene die rijk is, kan alleen maar toekijken. Hij heeft niets meer aan zijn bezit.

11Een arbeider slaapt altijd goed. Of hij nu veel of weinig te eten heeft. Maar een rijke heeft zo veel bezit dat hij niet kan slapen.

Bij je dood heb je niets aan je geld

12Ik heb nog meer treurige dingen gezien op aarde. Iemand lette steeds goed op zijn geld, om het niet kwijt te raken. 13Maar door een ramp gebeurde dat toch. Er bleef toen niets meer over voor zijn zoon.

14Zo iemand is naakt geboren, zonder bezit. En als hij doodgaat, kan hij niets meenemen. Alles waarvoor hij hard gewerkt heeft, moet hij achterlaten.

15Dat is een treurige zaak. Zoals iemand geboren is, zo gaat hij ook dood. Wat heb je er dan aan om zo hard te werken? 16Je hele leven ben je somber en verdrietig. Je bestaan is vol ellende, ziekte en boosheid.

Geniet van het leven

17Daarom denk ik dat het voor een mens het beste is om te genieten. Ook al duurt het leven dat God hem geeft, maar kort. Laat hij maar eten en drinken. Laat hij maar genieten van alles wat hij bezit. Hij heeft er altijd hard voor gewerkt.

18God geeft je misschien rijkdom en bezit. En hij zorgt ervoor dat je kunt genieten van alles wat je hebt. Je hebt er hard voor gewerkt, en het is een geschenk van God. 19Dan vind je het niet erg dat je leven maar kort is. Want God laat je elke dag van het leven genieten.