Bijbel in Gewone Taal (BGT)
5

51Zeg niet te vlug dat je iets voor God wilt doen. Denk goed na voordat je hem iets belooft. Want God is in de hemel en jij bent hier op aarde. Gebruik dus niet te veel woorden. 2Want als je het te druk hebt, krijg je nare dromen. En als je te veel praat, ga je domme dingen zeggen.

3Als je God toch iets belooft, dan moet je het ook doen. En je moet het snel doen. God houdt niet van mensen die iets beloven en het niet doen. Houd je dus aan je belofte. 4Je kunt beter niets beloven, dan eerst iets beloven en het dan niet doen.

5Je moet niet zomaar iets aan God beloven. Want dan beledig je hem. En zeg niet later tegen de priester dat het een vergissing was. Dat zijn dingen waar God kwaad over wordt. Hij kan alles wat je bereikt hebt, weer vernietigen. 6Mensen beloven zo veel! Maar als je een belofte doet aan God, moet je je daaraan houden, uit eerbied voor hem.

De koning moet arme mensen beschermen

7Wees niet verbaasd als er geen eerlijke mensen meer in het land zijn. En als je ziet dat arme mensen onderdrukt worden. Want mensen met macht worden vaak beschermd door mensen met meer macht. En zij worden weer beschermd door mensen die nog machtiger zijn. 8Maar een koning moet ook de armen beschermen. Hij moet ervoor zorgen dat er op de akkers genoeg groeit voor iedereen.

Rijkdom brengt geen geluk

9Wie graag rijk wil zijn, heeft nooit genoeg. Wie veel heeft, wil steeds meer hebben. Ook dat is allemaal zinloos. 10Als iemand rijk wordt, willen steeds meer mensen iets van hem hebben. En degene die rijk is, kan alleen maar toekijken. Hij heeft niets meer aan zijn bezit.

11Een arbeider slaapt altijd goed. Of hij nu veel of weinig te eten heeft. Maar een rijke heeft zo veel bezit dat hij niet kan slapen.

Bij je dood heb je niets aan je geld

12Ik heb nog meer treurige dingen gezien op aarde. Iemand lette steeds goed op zijn geld, om het niet kwijt te raken. 13Maar door een ramp gebeurde dat toch. Er bleef toen niets meer over voor zijn zoon.

14Zo iemand is naakt geboren, zonder bezit. En als hij doodgaat, kan hij niets meenemen. Alles waarvoor hij hard gewerkt heeft, moet hij achterlaten.

15Dat is een treurige zaak. Zoals iemand geboren is, zo gaat hij ook dood. Wat heb je er dan aan om zo hard te werken? 16Je hele leven ben je somber en verdrietig. Je bestaan is vol ellende, ziekte en boosheid.

Geniet van het leven

17Daarom denk ik dat het voor een mens het beste is om te genieten. Ook al duurt het leven dat God hem geeft, maar kort. Laat hij maar eten en drinken. Laat hij maar genieten van alles wat hij bezit. Hij heeft er altijd hard voor gewerkt.

18God geeft je misschien rijkdom en bezit. En hij zorgt ervoor dat je kunt genieten van alles wat je hebt. Je hebt er hard voor gewerkt, en het is een geschenk van God. 19Dan vind je het niet erg dat je leven maar kort is. Want God laat je elke dag van het leven genieten.