Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
107

1071

107:1
1 Kron. 16:34
Ezra 3:11
Ps. 106:1
136:1
Jer. 33:11
‘Loof de HEER, want hij is goed,

eeuwig duurt zijn trouw.’

2Zo spreken zij die door de HEER zijn verlost,

die hij verloste uit de greep van de angst,

3

107:3
Jes. 43:5-6
49:12
Zach. 8:7-8
bijeenbracht uit alle landen,

uit het oosten en het westen,

uit het noorden en het zuiden.107:3 het zuiden – Voorgestelde lezing. MT: ‘de zee’.

4

107:4
Deut. 32:10
Soms doolden zij door de woestijn,

maar een weg in de wildernis,

een stad, een woonplaats vonden ze niet.

5Ze kregen honger en dorst

en kwijnden van uitputting weg.

6

107:6
Hos. 5:15
Ze riepen in hun angst tot de HEER

hij heeft hen bevrijd uit vele gevaren,

7

107:7
Deut. 6:10
Jes. 43:19
hij wees hun de rechte weg,

de weg naar een stad, een woonplaats.

8Laten zij de HEER loven om zijn trouw,

om zijn wonderen aan mensen verricht,

9

107:9
Jes. 49:10
wie dorst had, gaf hij te drinken,

wie honger had, volop te eten.

10Soms woonden zij in donkere krochten

als slaven met ijzeren boeien,

11want ze hadden zich tegen Gods woorden verzet,

de raad van de Allerhoogste verworpen,

12

107:12
Ps. 106:43
hij liet hen buigen onder een zware last,

ze vielen, en er was niemand die hielp.

13Ze schreeuwden in hun angst tot de HEER

hij heeft hen gered uit vele gevaren,

14

107:14
Jes. 42:7
49:9
51:14
61:1
haalde hen weg uit donkere holen

en brak hun boeien aan stukken.

15Laten zij de HEER loven om zijn trouw,

om zijn wonderen aan mensen verricht,

16

107:16
Jes. 45:2
bronzen deuren heeft hij verbrijzeld,

ijzeren grendels verbroken.

17Soms leidden zij een lichtzinnig leven

en gingen onder hun zonden gebukt,

18ze gruwden van elk voedsel

en waren de poorten van de dood nabij.

19Ze schreeuwden in hun angst tot de HEER

hij heeft hen gered uit vele gevaren,

20

107:20
Wijsh. 16:12
Mat. 8:8
hij zond zijn woord en genas hen,

ontrukte hen aan het graf.

21Laten zij de HEER loven om zijn trouw,

om zijn wonderen aan mensen verricht,

22laten zij hem dankoffers brengen,

juichend zijn daden bezingen.

23Soms daalden zij af naar zee,

gingen scheep en bevoeren het wijde water,

24ze zagen de daden van de HEER,

zijn wonderen op de oceaan.

25

107:25
Jona 1:4
Hij sprak en ontketende storm,

hoog zweepte hij de golven op.

26Zij stegen tot aan de hemel, vielen neer in de diepte,

hun maag keerde om van ellende,

27ze tolden en tuimelden als dronkaards,

alle kennis baatte hun niets.

28

107:28
Jona 1:14
Ze riepen in hun angst tot de HEER

hij leidde hen weg uit vele gevaren,

29

107:29
Ps. 65:8
89:10
Mat. 8:26
hij bracht de storm tot zwijgen,

de golven gingen liggen.

30Het verheugde hen dat de zee tot rust kwam,

hij bracht hen naar een veilige haven.

31Laten zij de HEER loven om zijn trouw,

om zijn wonderen aan mensen verricht,

32hem hoog verheffen als het volk bijeen is,

hem loven in de kring van de oudsten.

33

107:33
Jes. 42:15
Hij maakt van rivieren woestijn,

van waterbronnen dorstig land,

34

107:34
Gen. 19:23-28
Deut. 29:22
Sir. 39:23
van vruchtbaar land een zoutzee

vanwege het kwaad van de bewoners.

35

107:35
Ps. 114:8
Jes. 41:18
Hij maakt van woestijnen waterland,

van dor gebied een bronrijke streek.

36Hij laat daar wonen wie honger leden,

zij stichten een stad, een woonplaats,

37

107:37
Jes. 65:21
Jer. 31:5
zaaien akkers in, planten wijngaarden,

met een rijke oogst aan vruchten.

38

107:38
Deut. 7:13
Zegent hij hen, zij worden zeer talrijk

en ook hun vee breidt zich uit,

39zegent hij niet, hun aantal neemt af, ze buigen

onder de last van onheil en verdriet.

40

107:40
Job 12:21,24
Hij stort schande uit over de aanzienlijken,

hij laat hen dolen in een woestenij zonder uitweg;

41

107:41
Ps. 113:7-9
de armen behoedt hij voor slavernij,

hun families maakt hij talrijk als kudden.

42

107:42
Job 22:19
Ps. 63:12
Wie oprecht zijn, zien het met blijdschap,

wie onrecht doet, moet zwijgen.

43

107:43
Hos. 14:10
De wijze neemt dit ter harte

en kent de trouw van de HEER.

108

1081Een lied, een psalm van David.

2

108:2-6
Ps. 57:8-12
Mijn hart is gerust, o God,

ik wil zingen en spelen. Mijn ziel,

3ontwaak met harp en lier,

ik wil het morgenrood wekken.

4U, HEER, zal ik loven in heel de wereld,

over u zingen voor alle volken.

5Hemelhoog is uw liefde,

tot aan de wolken reikt uw trouw.

6Verhef u boven de hemelen, God,

laat uw glorie heel de aarde vervullen.

7

108:7-14
Ps. 60:7-14
Bevrijd uw geliefde volk,

help het met uw machtige hand, verhoor mij.

8God heeft gesproken in zijn heiligdom:

‘Juichend zal ik Sichem verdelen,

het dal van Sukkot uitmeten.

9Van mij is Gilead, van mij is Manasse,

Efraïm is de helm op mijn hoofd,

Juda de scepter in mijn hand.

10Moab is mijn wasbekken,

op Edom zet ik mijn voet.

Over Filistea klinkt mijn juichkreet.’

11Wie voert mij de vesting binnen,

wie zal mij naar Edom leiden?

12Bent u het niet, God, u die ons verstoten had,

voert u niet, God, onze legers aan?

13Sta ons bij tegen de vijand,

de hulp van mensen is vergeefs.

14Met God zullen wij triomferen,

hij zal onze vijanden vertrappen.

109

1091

109:1
Ps. 35:22
Voor de koorleider. Van David, een psalm.

God, die ik loof, blijf niet zwijgen,

2want vijandig en bedrieglijk is de mond

van hen die mij beschuldigen,

hun tong spreekt niets dan leugens,

3ze bestoken mij met woorden van haat,

zonder reden bestrijden ze mij.

4

109:4-5
Ps. 35:12-13
109:4
Jer. 18:20
Ik bid voor hen,

maar mijn liefde roept vijandschap op,

5

109:5
Ps. 38:21
ze vergelden goed met kwaad,

woorden van haat zijn de dank voor mijn liefde:

6‘Wijs een gewetenloos man aan

die hem aanklaagt bij de rechter.

7Dat hij schuldig wordt bevonden

en dat zijn gebed God niet bereikt.

8

109:8
Hand. 1:20
Dat zijn dagen geteld zijn,

een ander zijn ambt overneemt,

9

109:9
Ex. 22:23
dat hij zijn kinderen vaderloos,

zijn vrouw als weduwe achterlaat.

10Dat zijn kinderen bedelend rondzwerven,

naar eten zoeken in het puin van hun huizen,

11dat schuldeisers beslag leggen op zijn bezit

en vreemden roven wat hij moeizaam verwierf.

12Dat niemand hem trouw blijft,

niemand zich ontfermt over zijn kinderen,

13

109:13
Job 18:19
dat zijn nageslacht voorgoed verdwijnt,

hun naam na hun leven wordt uitgewist.

14

109:14
Ex. 20:5
Dat de schuld van zijn voorouders de HEER in gedachte blijft,

de zonde van zijn moeder niet wordt uitgewist,

15

109:15
Ps. 34:17
dat hun zonde en schuld de HEER steeds voor ogen staan

en niemand op aarde hun naam nog gedenkt.

16

109:16
Job 20:19
Want hij bewees aan niemand trouw,

hij vervolgde zwakken en armen,

wanhopigen dreef hij de dood in.

17Dat de vloek die hij liefhad hem treft,

de zegen die hij een ander misgunde

hem nooit ten deel zal vallen.

18Dat de vloek hem als een mantel omhult,

zijn lichaam vult als water,

zijn gebeente doordringt als olie.

19Dat de vloek als het kleed is dat hij draagt,

als de gordel die hij dagelijks omheeft!’

20Laat zó de HEER mijn aanklagers straffen,

hen die zelf over mij dit kwaad afroepen.

21

109:21
Ps. 103:8
Maar u, HEER, mijn God,

doe voor mij wat tot eer van uw naam is:

bevrijd mij, u bent goed en trouw.

22Ik ben verzwakt en arm,

gewond in het diepst van mijn hart.

23

109:23
Ps. 102:12
Ik verdwijn als een schaduw die lengt,

als een sprinkhaan die wordt afgeschud;

24mijn knieën zijn slap van het vasten,

ik ben tot op het bot vermagerd.

25

109:25
Ps. 22:8
Ik wek de lachlust op,

wie mij ziet schudt meewarig het hoofd.

26Help mij, HEER, mijn God,

red mij in uw trouw,

27

109:27
Ps. 64:10
dan zullen zij weten dat het uw hand is,

dat u, HEER, dit hebt gedaan.

28Komt van hen de vloek, van u verwacht ik zegen,

schande over mijn belagers, vreugde over uw dienaar,

29

109:29
Jer. 20:11
hoon zal het kleed zijn van wie mij aanklagen,

schande de mantel waarin zij zich hullen.

30

109:30
Ps. 22:26
71:22
De HEER zal ik prijzen met luide stem,

hem loven te midden van velen,

31hij staat de armen terzijde

en redt hen uit de greep van hun rechters.