Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
108

1081Een lied, een psalm van David.

2

108:2-6
Ps. 57:8-12
Mijn hart is gerust, o God,

ik wil zingen en spelen. Mijn ziel,

3ontwaak met harp en lier,

ik wil het morgenrood wekken.

4U, HEER, zal ik loven in heel de wereld,

over u zingen voor alle volken.

5Hemelhoog is uw liefde,

tot aan de wolken reikt uw trouw.

6Verhef u boven de hemelen, God,

laat uw glorie heel de aarde vervullen.

7

108:7-14
Ps. 60:7-14
Bevrijd uw geliefde volk,

help het met uw machtige hand, verhoor mij.

8God heeft gesproken in zijn heiligdom:

‘Juichend zal ik Sichem verdelen,

het dal van Sukkot uitmeten.

9Van mij is Gilead, van mij is Manasse,

Efraïm is de helm op mijn hoofd,

Juda de scepter in mijn hand.

10Moab is mijn wasbekken,

op Edom zet ik mijn voet.

Over Filistea klinkt mijn juichkreet.’

11Wie voert mij de vesting binnen,

wie zal mij naar Edom leiden?

12Bent u het niet, God, u die ons verstoten had,

voert u niet, God, onze legers aan?

13Sta ons bij tegen de vijand,

de hulp van mensen is vergeefs.

14Met God zullen wij triomferen,

hij zal onze vijanden vertrappen.

109

1091

109:1
Ps. 35:22
Voor de koorleider. Van David, een psalm.

God, die ik loof, blijf niet zwijgen,

2want vijandig en bedrieglijk is de mond

van hen die mij beschuldigen,

hun tong spreekt niets dan leugens,

3ze bestoken mij met woorden van haat,

zonder reden bestrijden ze mij.

4

109:4-5
Ps. 35:12-13
109:4
Jer. 18:20
Ik bid voor hen,

maar mijn liefde roept vijandschap op,

5

109:5
Ps. 38:21
ze vergelden goed met kwaad,

woorden van haat zijn de dank voor mijn liefde:

6‘Wijs een gewetenloos man aan

die hem aanklaagt bij de rechter.

7Dat hij schuldig wordt bevonden

en dat zijn gebed God niet bereikt.

8

109:8
Hand. 1:20
Dat zijn dagen geteld zijn,

een ander zijn ambt overneemt,

9

109:9
Ex. 22:23
dat hij zijn kinderen vaderloos,

zijn vrouw als weduwe achterlaat.

10Dat zijn kinderen bedelend rondzwerven,

naar eten zoeken in het puin van hun huizen,

11dat schuldeisers beslag leggen op zijn bezit

en vreemden roven wat hij moeizaam verwierf.

12Dat niemand hem trouw blijft,

niemand zich ontfermt over zijn kinderen,

13

109:13
Job 18:19
dat zijn nageslacht voorgoed verdwijnt,

hun naam na hun leven wordt uitgewist.

14

109:14
Ex. 20:5
Dat de schuld van zijn voorouders de HEER in gedachte blijft,

de zonde van zijn moeder niet wordt uitgewist,

15

109:15
Ps. 34:17
dat hun zonde en schuld de HEER steeds voor ogen staan

en niemand op aarde hun naam nog gedenkt.

16

109:16
Job 20:19
Want hij bewees aan niemand trouw,

hij vervolgde zwakken en armen,

wanhopigen dreef hij de dood in.

17Dat de vloek die hij liefhad hem treft,

de zegen die hij een ander misgunde

hem nooit ten deel zal vallen.

18Dat de vloek hem als een mantel omhult,

zijn lichaam vult als water,

zijn gebeente doordringt als olie.

19Dat de vloek als het kleed is dat hij draagt,

als de gordel die hij dagelijks omheeft!’

20Laat zó de HEER mijn aanklagers straffen,

hen die zelf over mij dit kwaad afroepen.

21

109:21
Ps. 103:8
Maar u, HEER, mijn God,

doe voor mij wat tot eer van uw naam is:

bevrijd mij, u bent goed en trouw.

22Ik ben verzwakt en arm,

gewond in het diepst van mijn hart.

23

109:23
Ps. 102:12
Ik verdwijn als een schaduw die lengt,

als een sprinkhaan die wordt afgeschud;

24mijn knieën zijn slap van het vasten,

ik ben tot op het bot vermagerd.

25

109:25
Ps. 22:8
Ik wek de lachlust op,

wie mij ziet schudt meewarig het hoofd.

26Help mij, HEER, mijn God,

red mij in uw trouw,

27

109:27
Ps. 64:10
dan zullen zij weten dat het uw hand is,

dat u, HEER, dit hebt gedaan.

28Komt van hen de vloek, van u verwacht ik zegen,

schande over mijn belagers, vreugde over uw dienaar,

29

109:29
Jer. 20:11
hoon zal het kleed zijn van wie mij aanklagen,

schande de mantel waarin zij zich hullen.

30

109:30
Ps. 22:26
71:22
De HEER zal ik prijzen met luide stem,

hem loven te midden van velen,

31hij staat de armen terzijde

en redt hen uit de greep van hun rechters.

110

1101

110:1
Mat. 22:44
Marc. 12:36
Luc. 20:42-43
Hand. 2:34-35
1 Kor. 15:25
Hebr. 1:13
10:12-13
Van David, een psalm.

De HEER spreekt tot mijn heer:

‘Neem plaats aan mijn rechterhand,

ik maak van je vijanden

een bank voor je voeten.’

2Uit Sion reikt de HEER u

de scepter van de macht,

u zult heersen over uw vijanden.

3Uw volk staat klaar op de dag dat u ten strijde trekt.

Op de heilige bergen,110:3 Op de heilige bergen – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften en oude vertalingen. MT: ‘In heilige pracht’. uit de schoot van de dageraad,

komt tot u de dauw van uw jeugd.110:3 van uw jeugd – Sommige Hebreeuwse handschriften en oude vertalingen lezen: ‘ik heb u verwekt’.

4

110:4
Gen. 14:18
Hebr. 5:6
6:20
7:17,21
De HEER heeft gezworen, en komt op zijn eed niet terug:

‘Je bent priester voor eeuwig,

zoals ook Melchisedek was.’110:4 zoals ook Melchisedek was – Ook mogelijk is de vertaling: ‘rechtmatig koning volgens mijn besluit’.

5

110:5
Ps. 2:5
Op. 11:18
De Heer aan uw rechterhand

verplettert koningen op de dag van zijn toorn.

6Hij berecht de volken,

verplettert hoofden, overal op aarde,

lijken stapelen zich op.

7Hij drinkt onderweg uit de beek

en dan heft hij zijn hoofd.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]