Bijbel in Gewone Taal (BGT)
25

Derde toespraak van Bildad

God is veel machtiger dan mensen

251Toen zei Bildad tegen Job:

2‘Mensen hebben grote eerbied voor God.

Want hij regeert over de hele wereld,

en hij zorgt voor vrede in de hoge hemel.

3Van hem zijn de sterren, ontelbaar veel.

Het licht van God schijnt over alle mensen.

4Niemand is goed genoeg voor God,

niemand is helemaal zonder fouten.

5Kijk eens naar de maan en de sterren, ze zijn prachtig!

Maar voor God is hun licht niet helder genoeg.

6Hoe onbelangrijk zullen mensen dan voor hem zijn!’

26

Derde antwoord van Job aan Bildad

Job vindt Bildad dom

261Toen zei Job tegen Bildad:

2‘Met zulke woorden help je zwakke mensen echt niet!

Zo geef je geen steun aan mensen zonder macht.

3Met al die woorden help je domme mensen niet.

4Wie heeft je geleerd om zo te praten?

Hoe kom je aan al die wijsheid?

God is machtiger dan mensen denken

5De doden hebben grote eerbied voor God,

in het land van de dood beeft iedereen voor hem.

6God ziet alles wat daar gebeurt,

er is niets dat voor hem verborgen blijft.

7Hij heeft de hoge hemel gemaakt,

toen er verder nog niets was.

Onder de hemel zette hij de aarde vast,

en onder de aarde is helemaal niets meer.

8Hij vult de wolken met water.

Ze worden zwaar, maar scheuren niet.

9God verbergt zijn troon achter de wolken,

zodat niemand die kan zien.

10Hij maakt een grens tussen het water en de lucht.

Daarboven is het licht,

en daaronder begint de duisternis.

11De woede van God laat de hemel schudden.

12-13God is sterk, hij kan de golven rustig maken.

Met zijn adem blaast hij de hemel schoon.

En hij is wijs, hij doodde het monster in de zee.

Hij stak zijn zwaard in dat gevaarlijke beest.

14God kan nog meer, veel meer!

We weten maar een klein beetje van hem.

Zijn macht is oneindig groot!’

27

Job weet zeker dat hij onschuldig is

271Job ging verder en zei:

2‘Zo zeker als de machtige God leeft: ik ben onschuldig.

Maar God geeft geen eerlijk oordeel over mij,

hij heeft mij erg teleurgesteld.

3Maar zolang ik nog adem,

zolang God mij nog laat leven,

4zo lang zal ik geen leugens vertellen.

Ik zal geen dingen zeggen die niet waar zijn.

5Vrienden, ik zal jullie nooit gelijk geven.

Ik blijf zeggen dat ik onschuldig ben,

zo lang als ik leef.

6Ik blijf volhouden dat ik niets verkeerds gedaan heb.

Ik weet zeker dat ik geen schuld heb.

Job wil dat God zijn vijanden straft

7Ik hoop dat mijn vijanden gestraft worden,

net zo streng als misdadigers.

8Zulke mensen hebben geen toekomst,

God kan zomaar een eind aan hun leven maken.

9Als ze in nood om hulp roepen,

zal God niet naar hen luisteren.

10Maar ik denk niet dat ze tot God zullen bidden,

ze zullen hem niet om hulp vragen.

11Ik zal jullie vertellen wat de machtige God doet,

ik zal jullie uitleggen hoe hij werkt.

12Maar eigenlijk weten jullie al wat God gedaan heeft.

Waarom zeggen jullie dan zulke onzin over mij?

Zo straft God slechte mensen

13Luister hoe de machtige God slechte mensen straft.

Zij krijgen hun verdiende loon.

14Hun kinderen worden gedood in een oorlog,

hun kleinkinderen lijden honger.

15Degenen die in leven blijven,

sterven door een ernstige ziekte.

En niemand zal huilen om hun dood.

16Misschien zijn die mensen verschrikkelijk rijk,

misschien kunnen ze dure kleren kopen.

17Maar hun rijkdom zal naar anderen gaan,

naar mensen die eerlijk zijn en trouw aan God.

18Het huis van slechte mensen is niet stevig,

het is niet sterker dan een schuurtje op het veld.

19’s Avonds zijn slechte mensen nog rijk,

maar als ze wakker worden, hebben ze niets meer.

20Plotseling gebeuren er verschrikkelijke dingen,

in één nacht zijn ze alles kwijt.

21Een storm blaast hun huis weg,

er blijft niets van over.

22Dan proberen ze te vluchten,

maar God heeft geen medelijden met hen.

23Iedereen is blij dat ze verdwijnen,

ze worden uitgescholden door de mensen uit hun stad!’