Bijbel in Gewone Taal (BGT)
24

God doet niets tegen slechte mensen

241Waarom spreekt de machtige God geen recht?

Waarom straft hij misdadigers niet voor hun daden?

2Sommige mensen pakken land van anderen af.

Ze stelen schapen van arme boeren,

en brengen die naar hun eigen kudde.

3Ze stelen van weduwen en van kinderen zonder vader,

ze pakken hun koe en hun ezel af.

4-9Ze halen zelfs kinderen bij hun moeder weg.

Zo dwingen ze de moeder om haar schulden te betalen.

Arme mensen hebben geen rechten meer,

ze vluchten en moeten zich verbergen.

Ze zoeken de hele dag naar voedsel,

net als wilde ezels in de woestijn.

Want ze willen hun kinderen te eten geven.

Ze zoeken op de velden naar koren

dat bij de oogst is blijven liggen.

Ze plukken de druiven die zijn blijven hangen.

’s Nachts slapen ze in de kou,

zonder kleren en dekens om warm te blijven.

In de bergen worden ze nat van de regen,

tussen de rotsen zoeken ze een droge plek.

10Ze lopen naakt rond,

want ze hebben geen kleren.

Ze moeten de boeren helpen met de oogst,

terwijl ze zelf niets te eten hebben.

11Ze maken olie van olijven,

en van druiven maken ze wijn,

maar zelf moeten ze dorst lijden.

12Overal in de stad liggen mensen te sterven,

gewonden schreeuwen om hulp.

Maar God ziet het onrecht niet.

Veel misdaden gebeuren ’s nachts

13Slechte mensen houden niet van daglicht,

ze willen niet dat hun misdaden gezien worden.

14Moordenaars werken voordat het licht wordt,

’s nachts doden ze arme en zwakke mensen.

15Mannen die verlangen naar de vrouw van een ander,

gaan ’s avonds op pad.

Ze bedekken hun gezicht,

want ze willen door niemand herkend worden.

16Dieven stelen als het donker is.

Overdag verstoppen ze zich,

want ze houden niet van het licht.

17Ze werken allemaal graag in het donker,

ze zijn niet bang voor de nacht.

Misdadigers moeten gestraft worden

18Maar eens moeten slechte mensen toch verdwijnen.

Eens zal er niets meer op hun akkers groeien,

niemand van hen zal nog druiven oogsten.

19Zo snel als sneeuw verdwijnt door de hitte van de zon,

zo snel zullen misdadigers verdwijnen.

Ze gaan naar het land van de dood.

20Ze zullen opgegeten worden door de wormen,

en zelfs hun moeder denkt niet meer aan hen.

Ze worden in één keer vernietigd,

zoals een boom wordt omgehakt.

21Zo moet het gaan met slechte mensen!

Want ze onderdrukken vrouwen zonder kinderen,

ze geven geen hulp aan weduwen.

22God is toch sterker dan mensen met macht!

Als hij besluit om hen tegen te houden,

dan komt er een eind aan hun leven.

23Zolang God het wil, overkomt hun geen kwaad.

Maar intussen ziet hij alles wat ze doen.

24Een korte tijd zijn ze belangrijk,

maar plotseling verdwijnen ze.

Ineens worden ze weggehaald uit het leven,

zo snel als koren gemaaid wordt.

25Wie durft te zeggen dat ik lieg?

Wie kan bewijzen dat ik ongelijk heb?’

25

Derde toespraak van Bildad

God is veel machtiger dan mensen

251Toen zei Bildad tegen Job:

2‘Mensen hebben grote eerbied voor God.

Want hij regeert over de hele wereld,

en hij zorgt voor vrede in de hoge hemel.

3Van hem zijn de sterren, ontelbaar veel.

Het licht van God schijnt over alle mensen.

4Niemand is goed genoeg voor God,

niemand is helemaal zonder fouten.

5Kijk eens naar de maan en de sterren, ze zijn prachtig!

Maar voor God is hun licht niet helder genoeg.

6Hoe onbelangrijk zullen mensen dan voor hem zijn!’

26

Derde antwoord van Job aan Bildad

Job vindt Bildad dom

261Toen zei Job tegen Bildad:

2‘Met zulke woorden help je zwakke mensen echt niet!

Zo geef je geen steun aan mensen zonder macht.

3Met al die woorden help je domme mensen niet.

4Wie heeft je geleerd om zo te praten?

Hoe kom je aan al die wijsheid?

God is machtiger dan mensen denken

5De doden hebben grote eerbied voor God,

in het land van de dood beeft iedereen voor hem.

6God ziet alles wat daar gebeurt,

er is niets dat voor hem verborgen blijft.

7Hij heeft de hoge hemel gemaakt,

toen er verder nog niets was.

Onder de hemel zette hij de aarde vast,

en onder de aarde is helemaal niets meer.

8Hij vult de wolken met water.

Ze worden zwaar, maar scheuren niet.

9God verbergt zijn troon achter de wolken,

zodat niemand die kan zien.

10Hij maakt een grens tussen het water en de lucht.

Daarboven is het licht,

en daaronder begint de duisternis.

11De woede van God laat de hemel schudden.

12-13God is sterk, hij kan de golven rustig maken.

Met zijn adem blaast hij de hemel schoon.

En hij is wijs, hij doodde het monster in de zee.

Hij stak zijn zwaard in dat gevaarlijke beest.

14God kan nog meer, veel meer!

We weten maar een klein beetje van hem.

Zijn macht is oneindig groot!’