Bijbel in Gewone Taal (BGT)
4

Slechte verlangens zijn gevaarlijk

41Jullie hebben felle discussies en maken steeds ruzie met elkaar. Weten jullie hoe dat komt? Dat komt doordat jullie luisteren naar je eigen slechte verlangens.

2Alles wat een ander heeft, willen jullie ook hebben. Jullie zijn jaloers, zo jaloers dat je die ander wel zou willen doden. Dan zoeken jullie ruzie en strijd. Maar het levert niets op, jullie krijgen niets. Want als je iets wilt hebben, moet je God erom vragen, en dat doen jullie niet. 3Trouwens, als jullie God iets zouden vragen, zouden jullie het toch niet krijgen. Want jullie zouden het met een verkeerde bedoeling vragen, alleen maar voor je eigen plezier.

4Jullie zijn God ontrouw geworden. Omdat jullie luisteren naar je slechte verlangens, zijn jullie vrienden van deze wereld geworden. Maar een vriend van deze wereld is een vijand van God! 5In de heilige boeken staat: Ā«God heeft ons het leven gegeven. Daarom moeten we hem trouw blijven, anders wordt hij jaloers.Ā» En dat staat er echt niet voor niets!

Maak jezelf niet belangrijk

6God is goed voor mensen die hem trouw zijn. Daarom staat er ook in de heilige boeken: Ā«God straft mensen die zichzelf belangrijker vinden dan anderen. Maar hij is goed voor mensen die zichzelf onbelangrijk vinden.Ā»

7-8Wees dus gehoorzaam aan God. Blijf dicht bij God. Dan zal God dicht bij jullie blijven. En verzet je tegen de duivel. Dan zal de duivel jullie met rust laten.

Luister goed, jullie slechte mensen, jullie die twijfelen aan Gods macht! Doe het kwaad weg uit je hart, en ga een heilig leven leiden.

9O, wat zijn jullie vrolijk, wat genieten jullie van het leven! Maar denk erom: jullie kunnen maar beter huilen, jammeren en droevig zijn! 10Laat aan God zien dat je jezelf onbelangrijk vindt. Dan zal hij je later belangrijk maken.

Oordeel niet over andere mensen

11Vrienden, vertel geen slechte dingen over elkaar. Want als je slechte dingen vertelt over een ander, zeg je slechte dingen over de wet. Als je kritiek hebt op een ander, heb je kritiek op de wet. En dan doe je natuurlijk zelf niet wat er in de wet staat. Nee, dan doe je alsof je een rechter bent, die een oordeel over de wet mag uitspreken.

12Maar er is er maar Ć©Ć©n die wetten maakt en als rechter een oordeel uitspreekt, en dat is God. Hij beslist over leven en dood. Wie zijn jullie dan, dat jullie oordelen over anderen en kritiek hebben op hun gedrag?

Praat niet te veel over morgen

13Er zijn bij jullie mensen die zeggen: ā€˜Binnenkort gaan we naar die en die stad. Daar blijven we een jaar om zaken te doen en geld te verdienen.ā€™

14Zeg dat toch niet! Jullie weten niet wat er morgen gebeurt. Jullie weten zelfs niet of jullie dan nog wel leven! Want het leven is maar kort. Het is als rook, die er heel even is, en meteen weer verdwijnt.

15Jullie kunnen beter zeggen: ā€˜Als de Heer het goedvindt, blijven we leven en kunnen we dit of dat doen.ā€™ 16Maar nee, jullie zijn te trots om dat te zeggen. En dat jullie zo trots zijn, is slecht.

17Je moet niet alleen weten wat God van je vraagt, maar je moet het ook doen. Anders leef je helemaal verkeerd.