Bijbel in Gewone Taal (BGT)
45

De Heer heeft koning Cyrus uitgekozen

451De Heer zegt: ‘Koning Cyrus, jou heb ik uitgekozen. Ik zal je beschermen. Met mijn hulp zul je heersen over andere volken. De koningen van die volken zullen hun wapens bij je inleveren. Jij zult elke stad kunnen binnengaan, geen enkele poort blijft voor jou gesloten.

2Ik zal voor je uit gaan. Ik zal de muren van de stad Babel afbreken. Ik zal de bronzen deuren kapotslaan, ik zal de ijzeren kettingen breken. 3-4Zo kom je op de donkerste plaatsen, waar je verborgen schatten zult vinden.

Dan zul je begrijpen dat ik de Heer ben, de God van Israël. Cyrus, ik heb je geroepen. Je kende mij niet, en toch heb ik jou belangrijk gemaakt. Dat deed ik voor het volk dat ik uitgekozen heb, voor mijn dienaar Israël. 5Ik ben de Heer, er is geen andere god. Je kende mij niet, en toch heb ik van jou een machtige koning gemaakt.

6Door jou zal iedereen op aarde, van het oosten tot het westen, weten dat ik de enige God ben. Ik ben de Heer, er is geen andere god. 7Ik laat het licht worden, maar ik laat het ook donker worden. Ik zorg voor vrede, maar ook voor het kwaad. Ik ben de Heer, ik doe al die dingen.’

De Heer heeft alles gemaakt

8De Heer zegt: ‘Ik heb alles gemaakt. Ik heb de hemel en de aarde gemaakt. Uit de hemel laat ik regen vallen op de aarde, zodat er planten kunnen groeien. En de mensen op aarde zal ik bevrijden, zij zullen gered worden. Alles zal goed en mooi worden.

9Ik heb ook de mensen gemaakt. De mensen kunnen daarom geen kritiek op mij hebben. Klei zegt toch ook niet tegen de pottenbakker: ‘Wat maak jij eigenlijk?’ Of: ‘Dat vind ik niet mooi!’ 10Niemand zegt tegen zijn ouders: ‘Kijk eens wat jullie op de wereld gezet hebben. Ik ben helemaal niets waard!’

11Ik ben de Heer, de heilige God, die het volk van Israël gemaakt heeft. Hebben jullie soms kritiek op mij? Willen jullie mij vertellen wat ik met mijn eigen volk moet doen?

12Ik heb de aarde gemaakt. Ik heb de mensen op aarde gemaakt. Ik heb de hemel als een koepel boven de aarde gezet. En ik heb alle sterren aan de hemel geplaatst.’

Cyrus moet het volk bevrijden

13-14De machtige Heer zegt: ‘Ik heb alles gemaakt. En ik laat koning Cyrus komen. Ik zal de weg voor hem vrijmaken. Cyrus moet mijn plannen uitvoeren, hij zal mijn stad weer opbouwen. Hij zal de Israëlieten die gevangen zitten, weer vrijlaten. En hij vraagt daarvoor geen geld of geschenken.’

Volk van Israël, het volgende zal gebeuren. De Egyptenaren, de Nubiërs en ook die lange Sabeeërs zullen naar jullie toe komen. Ze zullen met jullie vluchtelingen meekomen en jullie gevangenen zijn. Ze zullen hun kostbare schatten meebrengen en aan jullie geven. Ze zullen voor jullie buigen en zeggen: ‘Jullie hebben gelijk. Jullie God is de enige. Er is geen andere god, niet één. 15Je kunt niet altijd zien wat de God van Israël doet. Maar hij is de enige God die zijn volk bevrijdt.’

16En dan worden de makers van godenbeelden vernederd. Zij zullen zich schamen. 17Maar jullie worden niet vernederd, het volk van Israël hoeft zich nooit te schamen. Want jullie worden door de Heer bevrijd, voor altijd.

Er is geen andere god

18De Heer is God! Hij heeft de hemel en de aarde gemaakt. Hij heeft de aarde stevig vastgezet. Hij heeft de aarde niet leeg en verlaten gemaakt. Nee, hij heeft haar gemaakt om op te wonen.

De Heer zegt: ‘Ik ben de Heer, er is geen andere god. 19Ik heb niet gesproken op een plek die verborgen is. De nakomelingen van Jakob hoeven mij niet te zoeken in een leeg en verlaten gebied. Nee, iedereen kan mijn woorden horen. Ze zullen echt gebeuren. Want ik ben de Heer, ik ben goed en betrouwbaar.’

Volken, kom terug bij de Heer

20De Heer zegt: ‘Kom hierheen, volken van de aarde. Alle volken moeten dichterbij komen. Ik zeg tegen jullie: Wie met een godenbeeld rondloopt, heeft geen verstand. Waarom zou je bidden tot een god die niet kan redden?

21Volken, kom hierheen en overleg met elkaar. Vertel me: wie heeft al lang geleden voorspeld wat er nu gebeurt? Dat ben ik, de Heer. Ik ben de enige God. Er is geen andere god die rechtvaardig is. Alleen ik kan mensen bevrijden.

22Volken, kom bij me, laat je redden! Dat zeg ik tegen iedereen op aarde. Ik ben God, er is geen andere god.

23Ik heb mijzelf plechtig beloofd: Alles wat ik zeg, zal ik ook doen. Ik zeg alleen dingen die waar zijn. Alle mensen zullen voor mij knielen en zeggen: 24‘Alleen de Heer is echt goed en betrouwbaar.’ En iedereen die tegen mij was, zal zich schamen en bij mij terugkomen.’

25Iedereen die bij het volk van Israël hoort, zal merken dat de Heer goed en betrouwbaar is. Ze zullen blij zijn dat ze bij hem horen.

46

De verwoesting van Babel

De goden van Babel kunnen niets meer

461-2Bel en Nebo, de goden van de stad Babel, hebben geen macht meer. Hun beelden zijn op de grond gevallen. Ze zijn kapot. Eerst liepen de inwoners van Babel plechtig met die beelden door de stad. Maar nu hebben vermoeide dieren ze op hun rug. Nu worden die kapotte beelden door ezels weggedragen.

De beelden zijn in stukken gevallen. De goden hebben geen macht meer. Ze hebben zichzelf niet kunnen redden.

God zal het volk van Israël redden

3God zegt tegen het volk van Israël: ‘Luister naar mij, iedereen die nog in leven is. Vanaf jullie geboorte heb ik als een moeder voor jullie gezorgd. 4En dat zal ik blijven doen, totdat jullie oud en grijs zijn. Ik blijf steeds dezelfde. Wat ik gedaan heb, dat zal ik blijven doen. Ik zal jullie steunen en redden.

God is met niemand te vergelijken

5Er is geen god zoals ik. Ik ben met niemand te vergelijken!

6Andere goden worden door mensen gemaakt. De mensen zoeken wat goud of zilver bij elkaar, en ze laten een smid daar een beeld van maken. Dan buigen ze en knielen ze voor dat beeld. 7Ze tillen het op, nemen het mee en zetten het ergens neer. En daar blijft het beeld staan, het komt niet meer van zijn plaats.

Zo’n god reageert niet als iemand om hulp roept. Hij redt mensen niet als ze in moeilijkheden zijn.’

God zal bevrijding brengen

8God zegt: ‘Volk van Israël, jullie zijn mij niet trouw meer. Denk goed na, kom bij mij terug. 9Denk na over alles wat er vroeger gebeurd is. Ik ben God, er is geen andere god. Er is niemand zoals ik.

10In het begin heb ik al voorspeld hoe alles zal aflopen. Lang geleden heb ik al gezegd wat er zal gebeuren. Wat ik besluit, dat gebeurt ook. Wat ik wil, dat doe ik ook.

11Uit het oosten laat ik een man komen die zo snel is als een adelaar. Hij zal mijn plannen uitvoeren. Dat zal gebeuren omdat ik het zeg. Het zal gaan zoals ik het besloten heb.

12Luister naar mij, volk van Israël. Jullie zijn eigenwijs, jullie geloven niet dat jullie bevrijd zullen worden. 13Maar ik zal jullie redden, ik zal bevrijding brengen. Dat zal niet lang meer duren. Ik zal redding brengen in Jeruzalem, en iedereen in Israël zal zien hoe machtig ik ben.’

47

Babel zal zijn macht verliezen

471De Heer zegt: ‘Babel, je bent nu nog een machtige stad. Zo machtig als een koningin. Maar ik zeg tegen jou: Koningin Babel, kom van je troon en ga op de grond zitten. Je bent je macht kwijt. Je bent niet meer die deftige dame, 2je bent nu een slavin. Je moet nu graan gaan malen. Doe je mooie sluier af, trek je jurk uit en ga maar door het water van de rivier. 3Iedereen ziet je, het is alsof je naakt bent. De mensen zullen je uitlachen. Zo zal ik je straffen, en niemand houdt mij tegen.

4-6Koningin Babel, ga op de grond zitten en wees stil. Het is nu donker om je heen. Je heerst niet langer over veel koninkrijken. Toen ik kwaad was op mijn volk, heb ik hun land aan jou gegeven. Maar jij hebt dat land verwoest. Jij had geen medelijden met mijn volk, en ook niet met hun leiders.’

Dat zegt de heilige God van Israël. Hij is onze bevrijder. Zijn naam is: Machtige Heer.

Babel lijkt op een verwende koningin

7De Heer zegt tegen de stad Babel: ‘Jij denkt dat je voor altijd machtig blijft! Maar je hebt niet goed opgelet. Daardoor zie je niet wat er gebeurt. Je weet nog niet hoe het met je zal aflopen.

8Je lijkt op een verwende koningin die alleen aan zichzelf denkt. Die koningin denkt: Met mij kan niets fout gaan. Ik zal mijn man niet verliezen. Mijn kinderen zullen niet sterven. 9Maar dat zal wel gebeuren! Onverwachts, op één dag, zullen haar man en haar kinderen sterven. Daar helpt geen toverspreuk tegen, geen toverkunst kan die koningin helpen.

10Babel, jij denkt: Ik kan doen wat ik wil, want God ziet toch niet wat ik doe. Je denkt: Met mij kan niets fout gaan! Je vertrouwt op al je kennis, maar dat helpt niets. 11Het kwaad zal je treffen. Geen enkele toverkunst kan het ongeluk tegenhouden. Heel plotseling zal het gebeuren. Voordat je het weet, is het afgelopen met jou.

Babel kan door niemand gered worden

12Babel, gebruik je toverkunsten en toverspreuken maar, zoals je altijd gedaan hebt. Misschien kun je toch iets doen. Misschien dat het kwaad toch verdwijnt. 13Je had toch altijd zo veel raadgevers? Wat heb je die vaak om raad gevraagd! Vraag hun maar om te komen. Zij kijken toch vaak naar de hemel en de sterren? Zij zeggen toch elke maand wat er in de toekomst met je zal gebeuren? Vraag die raadgevers dan of ze je komen redden!

14Maar zij zullen je niet redden. Ze zullen allemaal verdwijnen in het vuur. Ze zullen allemaal verbranden, niemand zal uit dat vuur ontsnappen. Want het is niet zomaar een vuurtje waarop je brood bakt! Het zijn geen vlammen om lekker warm van te worden. Nee, het is een vuur dat alles verwoest!

15Je raadgevers zullen je dus niet helpen. Ook al ken je hen heel goed, ook al heb je vaak raad aan hen gevraagd. Die raadgevers zullen allemaal verdwijnen. En niemand zal je redden.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]