Bijbel in Gewone Taal (BGT)
4

De aanklacht van God

De Heer klaagt het volk aan

41Volk van Israël, luister naar de woorden van de Heer! De Heer klaagt iedereen in het land aan. Hij zegt: ‘De mensen zijn niet eerlijk tegen elkaar. Ze zijn niet vriendelijk voor elkaar. Ze willen niets weten van mijn wetten. 2Ze maken elkaars leven kapot. Ze doen niet anders dan liegen, moorden, stelen en vreemdgaan. Ze plegen de ene moord na de andere.

3Daarom is het land een woestijn geworden. De mensen sterven van de dorst. Ook de dieren gaan dood: de dieren op het land, de vogels en de vissen.’

De Heer zal de priesters straffen

4De Heer zegt: ‘De schuld van alle ellende ligt niet bij het volk, maar bij de priesters!

5Priesters, daarom zullen jullie gedood worden, midden op de dag. En ’s nachts zullen ook de profeten sterven. Jullie families zullen ophouden te bestaan. Daar zal ik voor zorgen.

6Want door jullie gaat het slecht met mijn volk. Het is jullie taak om mijn regels aan hen door te geven, maar dat hebben jullie niet gedaan. Jullie willen niets meer van mijn wetten weten, en daarom wil ik niets meer van jullie weten. Ik wil jullie niet meer als mijn priesters, en ook jullie zonen niet.’

De priesters denken alleen aan zichzelf

7De Heer zegt: ‘Hoe meer priesters er komen, hoe meer verkeerde dingen er gebeuren. Ze denken dat ze belangrijk zijn. Maar ik zal ervoor zorgen dat ze vernederd worden.

8De priesters willen graag dat mijn volk verkeerde dingen doet. Want dan brengt het volk meer offers, en dan kunnen de priesters meer offervlees eten.

De priesters krijgen dezelfde straf als het volk

9Met de priesters zal hetzelfde gebeuren als met het volk: Ik ga ze allemaal straffen voor hun misdaden. 10Ze zullen eten, maar hun honger zal blijven. Ze zullen met veel vrouwen slapen, maar niet veel kinderen hebben.

Want ze hebben mij verlaten. Ze gebruiken al hun tijd 11om met vrouwen te slapen. En ze drinken zo veel wijn, dat ze hun verstand kwijtraken.’

De Israëlieten hebben de Heer verlaten

12De Heer zegt: ‘Mijn volk, jullie vragen godenbeelden om raad, en jullie gaan naar waarzeggers toe. Jullie hebben mij verlaten, jullie hebben andere goden gezocht. Jullie zijn net als een vrouw die haar man verlaat en andere mannen zoekt.

13Jullie brengen offers op de bergen en de heuvels, in de koele schaduw van heilige bomen. Door jullie ontrouw zijn ook jullie dochters en schoondochters ontrouw geworden. Zij gedragen zich als hoeren, ze gaan met andere mannen mee. 14Toch zal ik jullie dochters en schoondochters daar niet voor straffen. Want jullie slapen zelf ook met andere vrouwen! En jullie brengen samen met die hoeren offers in de tempel.

Mijn volk, luister. Jullie kennen mijn wetten niet. Daarom zal het slecht met jullie aflopen!’

Israël moet wegblijven uit Juda

15De Heer zegt: ‘Israëlieten, blijf weg uit de steden van Juda! Want ik wil niet dat jullie ontrouw een voorbeeld is voor de Judeeërs. Ga dus niet naar Gilgal of Bet-Awen. En zeg nooit dat ik, de Heer, al die leugens van jullie goed vind.

Israël verzet zich tegen de Heer

16Het volk van Israël verzet zich tegen mij als een koe die niet wil gehoorzamen. Hoe kan ik dan voor hen zorgen? 17Als de Israëlieten zo veel van hun afgoden houden, moeten ze het zelf maar weten!

18De leiders van het volk houden ervan om slechte dingen te doen. Eerst worden ze dronken, daarna gaan ze naar de hoeren.

19Ik zal hen allemaal straffen en wegjagen. Dan helpen al hun offers niet.’