Bijbel in Gewone Taal (BGT)
3

Hosea krijgt een opdracht van de Heer

31De Heer zei tegen mij: ‘Hosea, laat je vrouw opnieuw zien dat je van haar houdt, ook al slaapt ze met andere mannen. Doe dat als teken van mijn liefde voor de Israëlieten. Want ik houd van hen, ook al kiezen zij voor andere goden. Ze brengen liever offers aan hen dan aan mij.’

2Toen betaalde ik 15 zilverstukken en een paar zakken gerst om mijn vrouw weer terug te krijgen. 3Ik zei tegen haar: ‘Je moet hier bij mij blijven. Je mag niet naar andere mannen toe, je mag niet met hen slapen. Ik zal ook niet met je slapen. Dat zal heel lang zo blijven.’

4En zo zal het ook met Israël gaan. Het volk zal heel lang geen koning hebben, en ook geen andere leider. Er zullen geen offers meer gebracht worden, en er zullen ook geen heilige stenen meer zijn. Niemand zal de goden om raad kunnen vragen.

5Maar uiteindelijk zal het anders worden. Dan zullen de Israëlieten weer willen dat de Heer hun God is. En dan willen ze weer een koning zoals David. Ze zullen weer eerbied hebben voor de Heer, en dankbaar zijn voor al het goede dat hij geeft.

4

De aanklacht van God

De Heer klaagt het volk aan

41Volk van Israël, luister naar de woorden van de Heer! De Heer klaagt iedereen in het land aan. Hij zegt: ‘De mensen zijn niet eerlijk tegen elkaar. Ze zijn niet vriendelijk voor elkaar. Ze willen niets weten van mijn wetten. 2Ze maken elkaars leven kapot. Ze doen niet anders dan liegen, moorden, stelen en vreemdgaan. Ze plegen de ene moord na de andere.

3Daarom is het land een woestijn geworden. De mensen sterven van de dorst. Ook de dieren gaan dood: de dieren op het land, de vogels en de vissen.’

De Heer zal de priesters straffen

4De Heer zegt: ‘De schuld van alle ellende ligt niet bij het volk, maar bij de priesters!

5Priesters, daarom zullen jullie gedood worden, midden op de dag. En ’s nachts zullen ook de profeten sterven. Jullie families zullen ophouden te bestaan. Daar zal ik voor zorgen.

6Want door jullie gaat het slecht met mijn volk. Het is jullie taak om mijn regels aan hen door te geven, maar dat hebben jullie niet gedaan. Jullie willen niets meer van mijn wetten weten, en daarom wil ik niets meer van jullie weten. Ik wil jullie niet meer als mijn priesters, en ook jullie zonen niet.’

De priesters denken alleen aan zichzelf

7De Heer zegt: ‘Hoe meer priesters er komen, hoe meer verkeerde dingen er gebeuren. Ze denken dat ze belangrijk zijn. Maar ik zal ervoor zorgen dat ze vernederd worden.

8De priesters willen graag dat mijn volk verkeerde dingen doet. Want dan brengt het volk meer offers, en dan kunnen de priesters meer offervlees eten.

De priesters krijgen dezelfde straf als het volk

9Met de priesters zal hetzelfde gebeuren als met het volk: Ik ga ze allemaal straffen voor hun misdaden. 10Ze zullen eten, maar hun honger zal blijven. Ze zullen met veel vrouwen slapen, maar niet veel kinderen hebben.

Want ze hebben mij verlaten. Ze gebruiken al hun tijd 11om met vrouwen te slapen. En ze drinken zo veel wijn, dat ze hun verstand kwijtraken.’

De Israëlieten hebben de Heer verlaten

12De Heer zegt: ‘Mijn volk, jullie vragen godenbeelden om raad, en jullie gaan naar waarzeggers toe. Jullie hebben mij verlaten, jullie hebben andere goden gezocht. Jullie zijn net als een vrouw die haar man verlaat en andere mannen zoekt.

13Jullie brengen offers op de bergen en de heuvels, in de koele schaduw van heilige bomen. Door jullie ontrouw zijn ook jullie dochters en schoondochters ontrouw geworden. Zij gedragen zich als hoeren, ze gaan met andere mannen mee. 14Toch zal ik jullie dochters en schoondochters daar niet voor straffen. Want jullie slapen zelf ook met andere vrouwen! En jullie brengen samen met die hoeren offers in de tempel.

Mijn volk, luister. Jullie kennen mijn wetten niet. Daarom zal het slecht met jullie aflopen!’

Israël moet wegblijven uit Juda

15De Heer zegt: ‘Israëlieten, blijf weg uit de steden van Juda! Want ik wil niet dat jullie ontrouw een voorbeeld is voor de Judeeërs. Ga dus niet naar Gilgal of Bet-Awen. En zeg nooit dat ik, de Heer, al die leugens van jullie goed vind.

Israël verzet zich tegen de Heer

16Het volk van Israël verzet zich tegen mij als een koe die niet wil gehoorzamen. Hoe kan ik dan voor hen zorgen? 17Als de Israëlieten zo veel van hun afgoden houden, moeten ze het zelf maar weten!

18De leiders van het volk houden ervan om slechte dingen te doen. Eerst worden ze dronken, daarna gaan ze naar de hoeren.

19Ik zal hen allemaal straffen en wegjagen. Dan helpen al hun offers niet.’

5

De leiders van Israël bedriegen het volk

51-2De Heer zegt tegen de priesters, tegen de leiders van Israël en tegen de mensen in het paleis van de koning: ‘Jullie bedriegen de Israëlieten! Dat doen jullie in de tempels van de stad Mispa en de stad Sittim, en op de berg Tabor. Jullie laten mijn volk overal afgoden vereren. Daarom zal ik rechtspreken over jullie. Ik ga jullie allemaal straffen!’

Het volk is ontrouw aan de Heer

3De Heer zegt: ‘Ik ken het volk van Israël, ik weet heel goed wat ze doen. Ze zijn mij niet trouw gebleven. Ze zijn niet meer mijn heilige volk. 4En dat kunnen ze ook niet meer worden. Ze kunnen niet meer bij me terugkomen.

Want ze gedragen zich slecht. Ze vereren andere goden, ze willen mij niet meer kennen. 5Ze zijn trots, ze denken dat ze alles mogen. En daarmee maken ze hun schuld alleen maar groter! Het zal slecht met hen aflopen, en ook met het volk van Juda!

6Ze zullen mij weer zoeken, maar ze zullen me niet vinden. Ze zullen met offers naar de tempel komen om mij te vereren. Maar ik zal me voor hen verbergen. 7Want ze zijn mij ontrouw! Ze horen niet meer bij mij, en hun kinderen ook niet. Daarom zullen hun akkers verwoest worden, en zijzelf zullen worden gedood. Dat zal nog deze maand gebeuren!’

De Heer waarschuwt voor de straf

8De Heer zegt: ‘Volk van Israël, luister! Waarschuw de mensen in Gibea, Rama en Bet-Awen. Zeg tegen de inwoners van het gebied Benjamin: ‘Pas op, de vijand komt eraan!’ 9Het duurt niet lang meer of ik zal jullie straffen. Dan zal het hele land vernietigd worden. Mijn besluit staat vast. Ik maak het nu al aan jullie bekend.’

Niemand kan Israël en Juda redden

10De Heer zegt: ‘Ik ben woedend op de leiders van Juda! Want zij pakken land af van andere mensen. Ik zal hen daar zwaar voor straffen. 11Ook de Israëlieten zal ik straffen. Ik zal zorgen dat ze onderdrukt en mishandeld worden. Want ze hebben andere goden vereerd, goden waar je niets aan hebt.

12Ik maak het volk van Israël ziek. Ik zorg dat het volk van Juda niets meer kan. 13De mensen van Israël en Juda merken nu al dat het heel slecht met hen gaat. Ze hebben hulp gevraagd aan de koning van Assyrië. Maar die kan hen niet helpen, die kan niet zorgen dat het beter gaat.

14Ik val Israël en Juda aan als een leeuw. Een leeuw die een dier verscheurt en de resten ervan wegsleept. Ik zal niets van die volken overlaten. Niemand kan hen redden. 15Ik laat hen alleen achter, totdat ze begrijpen waarom ze gestraft zijn. Dan zullen ze mij weer zoeken. Als ze bang zijn, zullen ze weer naar mij verlangen.’