Bijbel in Gewone Taal (BGT)

11Hosea, de zoon van Beëri, was een profeet. De Heer sprak tegen hem in de tijd dat Uzzia, Jotam, Achaz en Hizkia koning van Juda waren. Jerobeam, de zoon van Joas, was toen koning van Israël.

Het volk van Israël is ontrouw

Israël is niet trouw aan de Heer

2Hier volgt de eerste opdracht die Hosea kreeg. De Heer zei: ‘Luister, Hosea. Zoek een vrouw die leeft als een hoer. Trouw met haar en krijg kinderen met haar. Want Israël lijkt op een hoer, het volk van Israël is ontrouw aan mij.’

De Heer zal Israël straffen

3Toen trouwde Hosea met Gomer, de dochter van Diblaïm. Gomer werd zwanger en kreeg een zoon. 4De Heer zei tegen Hosea: ‘Noem je zoon Jizreël. Want binnenkort zal ik de koning van Israël straffen voor de moorden die in Jizreël gepleegd zijn. Ik zorg ervoor dat Israël straks geen koning meer heeft. 5En ik zal ook het leger van Israël vernietigen. Dat zal gebeuren in het Jizreël-dal.’

De Heer zal alleen Juda redden

6Gomer werd opnieuw zwanger en kreeg een dochter. De Heer zei tegen Hosea: ‘Noem je dochter Lo-Ruchama: geen medelijden. Want ik zal geen medelijden meer hebben met de mensen van Israël. Ik zal hen niet meer beschermen. 7Maar ik zal wel medelijden hebben met de mensen van Juda. Ik ben de Heer, hun God. Ik zal hen redden door mijn macht, niet door een sterk leger met paarden en soldaten.’

De Heer wil zijn volk niet meer

8Toen Gomer haar dochter niet meer de borst hoefde te geven, werd ze opnieuw zwanger. Ze kreeg een zoon. 9De Heer zei tegen Hosea: ‘Noem deze zoon Lo-Ammi: niet meer mijn volk. Want Israël is mijn volk niet meer, en ik ben hun God niet meer.’