Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
6
Meisjes

61Waar is je lief naartoe gegaan,

mooiste van alle vrouwen,

waar is je lief naartoe gegaan?

Laten we hem samen zoeken.

Zij

2

6:2
Hoogl. 4:12-16
Mijn lief is naar zijn tuin gegaan,

naar zijn balsemtuin beneden.

Daar wil hij weiden,

daar wil hij lelies plukken.

3

6:3
Hoogl. 2:16
Ik ben van mijn lief,

en mijn lief is van mij.

Hij weidt tussen de lelies.

Hij

4Je bent zo mooi, vriendin van mij,

zo bekoorlijk als Tirsa,

zo lieflijk als Jeruzalem,

zo ontzagwekkend als een vaandelvrouw.

5

6:5-7
Hoogl. 4:1-3
Wend je ogen af, ze verwarren mij.

Je haar golft als een kudde geiten

die afdaalt van de Gilead.

6Je tanden zijn als witte schapen:

klaar voor de scheerder

komen ze twee aan twee uit het water,

er ontbreekt er niet een.

7Als het rood van een granaatappel

fonkelt je lach,

door je sluier heen.

8Ook al zijn er zestig koninginnen,

en wel tachtig bijvrouwen,

meisjes zonder tal,

9zoals mijn duif is er maar één,

mijn allermooiste is de enige.

De enige voor haar moeder is zij,

een stralend licht voor wie haar baarde.

Alle meisjes die haar zien, prijzen haar gelukkig,

elke koningin, elke bijvrouw juicht haar toe.

Meisjes

10

6:10
Hoogl. 3:6
Wie is zij,

die daar oplicht als de dageraad,

zo helder als de volle maan,

zo stralend als de zon,

zo ontzagwekkend als een vaandelvrouw?

Hij

11

6:11
Hoogl. 4:12-16
7:13
Ik ging naar mijn notengaard beneden,

om te kijken naar de bloesems bij de beek,

naar de ranken aan de wijnstok,

de granaatappels in bloei.

12En plotseling voelde ik mij meegevoerd

als op een wagen van mijn nobel volk.6:12 En plotseling voelde ik mij meegevoerd/ als op een wagen van mijn nobel volk – Betekenis van het Hebreeuws onzeker. Ook mogelijk is de vertaling: ‘Zij heeft mij doen rijden op vorstelijke wagens’, of: ‘Door de wagen van Amminadab herkende ik mezelf niet meer’.

7
Meisjes

71Draai7:1-14 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 6:13-7:13. rond, meisje uit Sulem, draai rond,

draai rond, we willen naar je kijken.

Hij

Kijk! Zie je dat meisje uit Sulem,

zoals ze danst tussen twee reien?

2Wat zijn je voeten mooi in je sandalen, koningskind!

Je heupen draaien sierlijk rond,

de schepping van een kunstenaar.

3Je navel is een ronde kom,

die gevuld is met kruidige wijn.

Je buik is een bergje tarwe,

dat door lelies wordt omzoomd.

4

7:4
Hoogl. 4:5
Je borsten zijn als kalfjes,

als de tweeling van een gazelle.

5Je hals is als een toren van ivoor,

je ogen als de vijvers van Chesbon,

bij de poort van Bat-Rabbim.

Je neus is als een toren van de Libanon,

die uitkijkt over Damascus.

6Je hoofd rijst op als de Karmel,

omkruld door purperen lokken,

waarin een koning ligt verstrikt.

Hij

7Wat ben je mooi, wat ben je bekoorlijk,

liefde en verrukking, dat ben jij.

8Als een palm is je gestalte,

je borsten zijn als druiventrossen.

9Ik dacht: Laat ik die palm beklimmen,

ik wil zijn bladeren grijpen.

Laten jouw borsten

als trossen van de wijnstok zijn,

je adem als de geur van appels,

10je tong als zoete wijn

waarin mijn kussen7:10 mijn kussen – Voorgestelde lezing. MT: ‘mijn geliefde’. baden,

mijn lippen en tanden gedompeld zijn.7:10 mijn lippen en tanden gedompeld zijn – Volgens de Septuaginta, de Pesjitta en de Vulgata. MT: ‘die de lippen van slapenden besprenkelt’.

Zij

11Ik ben van mijn lief,

en hij verlangt naar mij.

12Kom, mijn lief,

laten we het veld in gaan,

en tussen de hennabloemen slapen.

13Laten we de wijngaard in gaan, morgenvroeg,

en kijken of de wijnstok al is uitgebot,

zijn bloesems al ontloken zijn,

de granaatappel al bloeit.

Daar zal ik jou beminnen.

14De liefdesappels geuren al.

Boven onze poorten hangt een keur van vruchten,

vers geplukte, goed gedroogde.

Mijn lief, ik heb ze bewaard voor jou.

8

81Was jij maar mijn broertje,

dronk jij nog maar aan mijn moeders borst.

Als ik je dan vond, daar buiten,

dan kuste ik jou,

en niemand zou me verachten.

2Dan nam ik je mee

en bracht je in mijn moeders huis.

Dat heb ik van haar geleerd.

Ik gaf je kruidige wijn te drinken,

van het sap van mijn granaatappel.

3

8:3
Hoogl. 2:6
Mijn hoofd rust op zijn linkerarm,

met zijn rechterarm omhelst hij mij.

4

8:4
Hoogl. 2:7
3:5
Meisjes van Jeruzalem, ik bezweer je:

wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken

voordat zij het wil.

Meisjes

5

8:5
Hoogl. 3:6
Wie is zij,

die daar komt uit de woestijn,

leunend op de arm van haar lief?

Zij

Onder de appelboom wekte ik jou.

Daar kreeg je moeder weeën,

weeën van jou,

daar baarde ze jou.

6Draag mij als een zegel op je hart,

als een zegel op je arm.

Sterk als de dood is de liefde,

beklemmend als het dodenrijk de hartstocht.

De liefde is een vlammend vuur,

een laaiende vlam.8:6 een laaiende vlam – Ook mogelijk is de vertaling: ‘een vlam van de HEER’.

7Zeeën kunnen haar niet doven,

rivieren spoelen haar niet weg.

Zou een man met al zijn rijkdom liefde willen kopen,

dan werd hij smadelijk veracht.

Broers

8Wij hebben een zusje,

borsten heeft ze nog niet.

Wat doen we met ons zusje

als de mensen over haar gaan spreken?

9Was zij een muur,

dan bouwden wij er zilveren kantelen op.

Was zij een deur,

dan sloten wij die met een balk van cederhout.

Zij

10Ik ben een muur,

mijn borsten zijn als torens.

Zo ben ik in zijn ogen als een stad

die vrede biedt.

11Salomo bezat een wijngaard in Baäl-Hamon.

Hij stelde er bewakers aan,

duizend sjekel zilver gaf men voor de oogst.

12Mijn eigen wijngaard blijft van mij.

De duizend sjekel zilver is voor jou, Salomo,

en tweehonderd voor de bewakers.

Hij

13Jij die in je hof verblijft,

mijn vrienden zijn gespitst op je stem.

Laat míj die horen!

Zij

14

8:14
Hoogl. 2:17
Ga nu van mij weg, mijn lief!

Spring als een gazelle,

als het jong van een hert

over de bergen vol balsemkruid.