Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
53

531

53:1-7
Ps. 14:1-7
Voor de koorleider. Op de wijs van De rietpijp. Een kunstig lied van David.

2Dwazen denken bij zichzelf: Er is geen God.

Verdorven zijn ze, en gruwelijk is hun onrecht,

geen van hen deugt.

3God kijkt vanuit de hemel naar de mensen

om te zien of er één verstandig is,

één die God zoekt.

4

53:4
Pred. 7:20
Rom. 3:10-12
Allen zijn afgegleden, allen ontaard,

geen van hen deugt, niet één.

5Hebben ze dan geen inzicht, die kwaadstichters?

Ze verslinden mijn volk of het brood is

en God roepen ze niet aan.

6Nog even, en hen overvalt een hevige angst,

een angst als nooit tevoren.

God zal het gebeente van je belagers verstrooien,

lach maar om hen, want God heeft hen verworpen.

7Ach, laat uit Sion redding komen voor Israël.

Als God het lot van zijn volk ten goede keert,

zal Jakob juichen, Israël zich verheugen.

54

541Voor de koorleider. Bij snarenspel. Een kunstig lied van David, 2

54:2
1 Sam. 23:19
26:1
toen de inwoners van Zif aan Saul waren gaan zeggen: ‘Weet u niet dat David zich bij ons schuilhoudt?’

3God, bevrijd mij door uw naam,

verschaf mij recht door uw macht.

4God, luister naar mijn gebed,

hoor de woorden van mijn mond.

5

54:5
Ps. 86:14
Vreemden vallen mij aan,

zij staan mij met geweld naar het leven,

zij houden God niet voor ogen. sela

6

54:6
Ps. 118:7
Zie, God is mijn helper,

de Heer is het die mijn leven draagt.

7Laat het kwaad zich keren tegen mijn belagers,

toon uw trouw en breng hen tot zwijgen.

8

54:8
Ps. 52:11
Van harte zal ik u offers brengen

en uw naam loven, HEER, want hij is goed:

9hij heeft mij uit de nood gered,

onbevreesd zie ik mijn vijanden aan.

55

551

55:1-24
Jer. 9:1-8
Voor de koorleider. Bij snarenspel. Een kunstig lied van David.

2Luister, God, naar mijn gebed,

verberg u niet als ik om hulp smeek,

3sla acht op mij en geef mij antwoord.

Klagend loop ik rond, radeloos

4door het schreeuwen van de vijand

en het tieren van de goddelozen,

want zij storten onheil over mij uit

en bestoken mij met hun woede.

5Mijn hart krimpt in mijn binnenste,

doodsangst heeft mij bevangen,

6vrees en beven grijpen mij aan,

ik huiver over heel mijn lichaam.

7

55:7
Ps. 11:1
Had ik maar vleugels als een duif,

ik zou opvliegen en neerstrijken,

8ver, ver weg zou ik vluchten,

overnachten in de woestijn, sela

9haastig beschutting zoeken

tegen de vlagen van de stormwind.

10Splijt hun tong, Heer, verwar hun spraak,

want in de stad zie ik geweld en strijd,

11dag en nacht gaan die rond op haar muren.

In het hart van de stad heerst onheil en leed,

12in het hart van de stad heerst rampspoed,

het plein is in de greep van terreur en bedrog.

13Zou een vijand mij grieven, ik zou het verdragen,

zou hij mij haten en zich tegen mij keren,

ik zou me voor hem verschuilen.

14

55:14
Ps. 41:10
Jer. 9:3
Maar jij, die dacht en deed als ik,

mijn hartsvriend, mijn vertrouwde!

15Wat genoten wij als wij samen waren

bij het feestgedrang in Gods huis.

16Laat de dood hen onverhoeds treffen,

laat hen levend neerdalen in het dodenrijk,

want bij hen huist het kwaad,

het heerst in hun hart.

17En ik? Ik roep tot God,

de HEER zal mij redden.

18In de avond, in de morgen, in de middag

klaag ik en zucht ik,

en hij hoort mijn stem.

19Hij zal mij verlossen en in veiligheid brengen,

mijn vijanden zal hij afweren,

al zijn ze met velen tegen mij.

20

55:20
Ps. 29:10
93:2
God hoort mij en vernedert hen.

Hij troont van voor onze dagen, sela

in hem is geen verandering,

maar zij hebben voor hem geen ontzag.

21Zo iemand verraadt zijn vrienden

en verbreekt de broederband.

22

55:22
Ps. 28:3
52:4
57:5
59:8
Zijn mond is glad als boter,

maar vijandig is zijn hart,

zijn woorden, zachter dan olie,

zijn een getrokken dolk.

23

55:23
Ps. 37:5
1 Petr. 5:7
Leg uw last op de HEER

en hij zal u steunen,

nooit zal hij dulden

dat een rechtvaardige ten val komt.

24Maar hen, God, doet u neerdalen

in de kuil der ontbinding.

Die mannen van bloed en bedrog –

zij zullen hun leven niet half voltooien,

maar ik, ik vestig mijn hoop op u.