Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
25

Andere spreuken van Salomo

251

25:1
1 Kon. 5:12
Hier volgen andere spreuken van Salomo, die de dienaren van koning Hizkia van Juda hebben gekopieerd.

2

25:2
Deut. 29:28
Eer aan God, omdat hij dingen verbergt,

eer aan de koning, omdat hij dingen onderzoekt.

3Zo peilloos hoog als de hemel, zo peilloos diep als de aarde,

zo peilloos is het hart van een koning.

4Als het zilver van onzuiverheden is ontdaan,

maakt de edelsmid een prachtige vaas.

5Als de koning zich ontdoet van goddelozen,

schraagt gerechtigheid zijn troon.

6

25:6-7
Luc. 14:8-10
25:6
Sir. 7:4
13:9-10
Gedraag je niet aanmatigend in aanwezigheid van de koning,

ga niet op de plaats van een voornaam persoon staan.

7Het is beter dat de koning je naar voren roept

dan dat hij je plaats laat maken voor een edelman.

Als je denkt dat iemand iets misdaan heeft,

8sleep hem dan niet overijld voor het gerecht.

Wat zou je moeten doen

als hij je te schande maakt?

9Als je een rechtsgeding met iemand hebt,

onthul dan geen geheimen van een ander.

10Als hij dat te weten komt, word je zelf het slachtoffer:

hij maakt je te schande.

11Het juiste woord op de juiste tijd

is als een gouden appel op een zilveren schaal.

12

25:12
Spr. 15:31
Een wijze vermaning voor een luisterend oor

is als een gouden ring, een sieraad van het zuiverste goud.

13

25:13
Spr. 13:17
25:25
Een betrouwbare bode is voor zijn opdrachtgever

als een koele dronk tijdens de oogst: hij beurt hem op.

14Wie prat gaat op een geschenk zonder waarde,

is als wind en wolken zonder regen.

15Een heerser laat zich overtuigen door geduld,

kalme woorden breken krachtige tegenstand.

16

25:16
Spr. 25:27
Als je honing hebt gevonden, eet dan niet meer dan goed voor je is,

spaar je maag, anders braak je het uit.

17Bezoek een vriend alleen zo nu en dan,

anders word je hem te veel en gaat hij je haten.

18Wie een vals getuigenis tegen een ander aflegt,

is als een bijl, een zwaard, een scherpe pijl.

19Vertrouwen op een onbetrouwbaar mens in tijden van nood

is als eten met een rottend gebit, lopen met een verzwikte enkel.

20Als je zingt voor iemand die bedroefd is,

is het of je je ontkleedt op een koude dag,

of azijn op loog giet.

21

25:21-22
Rom. 12:20
25:21
Mat. 5:44
Als je vijand honger heeft, geef hem dan te eten,

als hij dorst heeft, geef hem dan te drinken.

22Dan stapel je gloeiende kolen op zijn hoofd,

en de HEER zal je belonen.

23Zoals de noordenwind een striemende regen brengt,

zo brengt geroddel woedende blikken.

24

25:24
Spr. 21:9
Je kunt beter in een hoekje op het dak wonen

dan in één huis met een vrouw die ruzie zoekt.

25

25:25
Spr. 25:13
Een goed bericht uit een ver land

is als koel water voor een dorstige keel.

26Een rechtvaardige die een goddeloze niet weerstaat,

is als een troebele bron, een vergiftigde put.

27

25:27
Spr. 25:16
Overmatig honing eten is niet goed,

overmatig eer zoeken al evenmin.

28Iemand zonder zelfbeheersing

is als een stad waarvan de muur is geslecht.

26

261Zoals sneeuw niet bij de zomer past,

en regen niet bij de oogst,

zo past eer niet bij een dwaas.

2Zoals een vogel wegvliegt, zoals een zwaluw wegwiekt,

zo vervliegt een ongegronde vloek.

3

26:3
Spr. 10:13
19:29
Een zweep voor het paard, een teugel voor de ezel,

een stok voor de rug van een dwaas.

4Antwoord een dwaas niet met dwaasheid,

word niet als hij.

5Antwoord hem naar zijn dwaasheid,

hij moet niet denken dat hij wijs is.

6Wie een dwaas een boodschap laat bezorgen,

brengt zichzelf veel schade toe,

hij is als iemand die zijn eigen voeten afhakt.

7Een spreuk in de mond van een dwaas

is even slap als de benen van een lamme.

8Wie eer geeft aan een dwaas

is als iemand die de slinger om de steen knoopt.

9Een spreuk in de mond van een dwaas

prikt even weinig als een doorn in de hand van een dronkaard.

10Wie een dwaas in dienst neemt, of een onbekende,

is als een boogschutter die blindelings schiet.

11

26:11
2 Petr. 2:22
Zoals een hond terugkeert naar zijn eigen braaksel,

zo herkauwt een dwaas zijn dwaasheid.

12

26:12
Spr. 29:20
Ken je iemand die zichzelf veel wijsheid toedicht?

Voor een dwaas is er meer hoop dan voor hem.

13

26:13
Spr. 22:13
Een luiaard zegt: ‘Er is een leeuw op de weg,

er sluipt een leeuw in de straten.’

14Zoals een deur in zijn scharnieren draait,

zo draait een luiaard zich om in zijn bed.

15

26:15
Spr. 19:24
Al heeft een luiaard zijn hand in de schaal,

hij vindt het te vermoeiend om hem naar zijn mond te brengen.

16Een luiaard vindt zichzelf veel wijzer

dan zeven mensen met een afgewogen oordeel.

17Wie zich met een woordenstrijd bemoeit die hem niet aangaat,

trekt aan de oren van een hond die rustig voorbijloopt.

18Zoals een dolleman maar in het wilde weg schiet,

met brandende pijlen dood en verderf zaait,

19zo is iemand die zijn vriend bedriegt, en zegt:

‘Het was maar voor de grap.’

20

26:20
Spr. 22:10
Als er geen hout meer is, dooft het vuur,

als de lasteraar verdwijnt, eindigt de ruzie.

21Kolen laten gloeien, hout doet vlammen,

een ruziemaker laat een woordenstrijd ontbranden.

22

26:22
Spr. 18:8
De woorden van een lasteraar neemt men gulzig in zich op,

ze zijn een lekkernij die de buik verzadigt.

23

26:23
Mat. 23:25-28
Zilverglazuur verbergt een aarden pot,

warme woorden een kwaadaardig hart.

24Al verbloemt iemand zijn haat met mooie woorden,

hij is een en al bedrog.

25

26:25
Sir. 27:23
Al spreekt hij vriendelijk, vertrouw hem niet,

zijn hart is door en door vals.

26Al verhult hij zijn haat met leugens,

zijn kwaadaardigheid komt toch aan het licht.

27

26:27
Ps. 7:16
Pred. 10:8
Sir. 27:25-27
Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in,

wie een steen op iemand afrolt, komt er zelf onder.

28Wie kwaadspreekt haat zijn slachtoffers,

een vleier wil hun ondergang.

27

271

27:1
Jak. 4:13-14
Juich niet over de dag van morgen,

je weet niet wat hij brengen zal.

2

27:2
2 Kor. 10:12-13
Laat een ander je prijzen, doe het niet zelf,

laat het over aan een vreemde, zie er zelf van af.

3Een steen is zwaar, het zand is een last,

zwaarder dan beide drukt de ergernis over een dwaas.

4

27:4
Spr. 6:34-35
Woede is wreed, razernij is als een stortvloed,

maar wie is tegen jaloezie bestand?

5Beter dat je openlijk terechtgewezen wordt

dan dat je uit liefde wordt gespaard.

6

27:6
Spr. 26:24-26
Het verwijt van een vriend is oprecht,

de kus van een vijand al te hartelijk.

7Wie genoeg te eten heeft, veracht de zoetste honing,

voor wie honger heeft, is al het bittere zoet.

8Een man die wegvlucht van zijn huis

is als een vogel die zijn nest ontvlucht.

9De geur van balsem en wierook maakt gelukkig,

maar zoeter voor het hart is ware vriendschap.

10

27:10
Spr. 18:24
Sir. 37:6
Houd een vriend in ere, ook die van je vader,

ga niet naar je broer als je problemen hebt;

een vriend in de buurt is beter dan een broer ver weg.

11Mijn zoon, wees wijs, dan geef je mij vreugde,

en heb ik een weerwoord voor wie mij beschimpt.

12

27:12
Spr. 22:3
Wie verstandig is, ziet het gevaar en hoedt zich ervoor,

wie onverstandig is, gaat eraan voorbij en wordt gestraft.

13

27:13
Spr. 20:16
Stond iemand borg voor een lichtzinnig mens,

neem dan gerust zijn mantel,

en verpand die maar aan een lichtzinnige vrouw.

14Wie zijn buurman ’s ochtends luid begroet,

wekt de indruk dat hij hem vervloeken wil.

15

27:15
Spr. 19:13
Als een dak dat altijd lekt wanneer het regent,

zo is een vrouw die steeds weer ruzie zoekt.

16Wie haar in toom probeert te houden,

is als iemand die de wind wil vangen

of olie denkt te grijpen.

17Zoals men ijzer scherpt met ijzer,

zo scherpt een mens zijn medemens.

18Wie een vijgenboom met zorg omringt, zal zijn vruchten eten,

wie zorg heeft voor zijn heer, wordt door hem gerespecteerd.

19Zoals water het gezicht weerspiegelt,

zo weerspiegelt het hart de mens.

20

27:20
Spr. 30:15-16
Pred. 1:8
De afgrond van het dodenrijk raakt nooit verzadigd,

en ook de ogen van een mens krijgen nooit genoeg.

21

27:21
Spr. 17:3
De smeltkroes toetst het zilver, de oven toetst het goud,

de toets voor een mens is zijn faam.

22Al leg je een dwaas in een vijzel

en stamp je hem tussen de graankorrels fijn,

zijn dwaasheid stamp je er niet uit.

23

27:23
Sir. 7:22
Weet hoe het met je schapen en geiten gaat,

zorg goed voor je kudde.

24Er is niet altijd overvloed,

en ook een kroon gaat niet altijd over op het volgende geslacht.

25Als het eerste gras gemaaid is en het nieuwe opschiet

en je in de bergen hebt gehooid,

26heb je jonge rammen voor je kleding,

koop je met je bokken een stuk grond,

27en voorzien je geiten je van melk in overvloed,

voor jou, je huis en je slavinnen.