Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
23

231

23:1-7
Mat. 27:11-26
Marc. 15:1-5
Joh. 18:28-38
23:1
Mat. 27:2
Ze stonden allen op en leidden hem voor aan Pilatus.

2

23:2-5
Joh. 18:33-38
Daar brachten ze de volgende beschuldigingen tegen hem in: ‘We hebben vastgesteld dat deze man ons volk van het rechte pad afbrengt en de mensen ervan weerhoudt belastingen aan de keizer te betalen en dat hij van zichzelf zegt de messiaanse koning te zijn.’ 3Pilatus vroeg hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ Jezus antwoordde: ‘U zegt het.’ 4
23:4
Luc. 23:14,22
Joh. 19:5-6
Daarop zei Pilatus tegen de hogepriesters en de samengeschoolde menigte: ‘Ik vind niets waaraan deze man schuldig is.’ 5Maar ze bleven hardnekkig beweren: ‘In heel Judea ruit hij met zijn onderricht het volk op, van Galilea tot hier!’ 6
23:6-12
Hand. 4:27-28
Toen Pilatus dit hoorde, vroeg hij aan Jezus of hij uit Galilea kwam, 7en toen hij besefte dat hij onder Herodes’ gezag viel, stuurde hij hem naar Herodes, die op dat moment in Jeruzalem verbleef.

8

23:8
Luc. 9:9
Herodes was bijzonder blij toen hij Jezus zag, want hij wilde hem al heel lang ontmoeten omdat hij veel over hem gehoord had. Bovendien hoopte hij hem een wonder te zien doen. 9Hij ondervroeg hem uitvoerig, maar Jezus antwoordde hem niet één keer. 10De hogepriesters en de schriftgeleerden die erbij stonden, brachten zware beschuldigingen tegen hem in. 11Hierop begonnen Herodes en zijn soldaten Jezus te honen, en ze dreven de spot met hem door hem een pronkgewaad om te hangen. Zo stuurde hij hem terug naar Pilatus. 12Op die dag werden Herodes en Pilatus vrienden, terwijl ze altijd elkaars vijanden waren geweest.

13

23:13-25
Mat. 27:15-26
Marc. 15:6-15
Joh. 18:38-40
Pilatus riep de hogepriesters en de leiders en het volk bij zich 14
23:14
Luc. 23:4,22
en zei tegen hen: ‘U hebt die man voor mij gebracht als iemand die het volk van het rechte pad afbrengt, maar u weet dat ik hem, toen ik hem in uw bijzijn verhoorde, aan geen van de zaken waarvan u hem beticht schuldig heb bevonden. 15En Herodes evenmin, hij heeft hem immers naar ons teruggestuurd; hij heeft niets gedaan waarop de doodstraf staat. 16Dus zal ik hem vrijlaten, nadat ik hem heb laten geselen.’23:16 Andere handschriften hebben een extra vers: ‘[17] Hij was verplicht om op elk pesachfeest één gevangene vrij te laten.’ 18
23:18-25
Hand. 13:27-28
23:18
Hand. 3:13-14
Maar ze begonnen met zijn allen luidkeels te schreeuwen: ‘Weg met hem! Laat Barabbas vrij!’ 19Deze laatste was gevangengezet wegens een oproer dat in de stad had plaatsgevonden en wegens moord. 20Pilatus praatte opnieuw op hen in omdat hij Jezus wilde vrijlaten. 21Maar ze schreeuwden het uit: ‘Kruisig hem, kruisig hem!’ 22
23:22
Luc. 23:4,14
Voor de derde maal zei hij tegen hen: ‘Wat voor kwaad heeft die man dan gedaan? Ik heb niets gevonden waarvoor hij de doodstraf verdient. Dus zal ik hem vrijlaten, nadat ik hem heb laten geselen.’ 23Maar ze bleven luidkeels eisen dat hij gekruisigd zou worden, en met hun geschreeuw wonnen ze het pleit: 24Pilatus besloot hun eis in te willigen. 25Hij liet de man gaan die wegens oproer en moord gevangen was gezet en om wiens vrijlating ze hadden gevraagd, en leverde Jezus uit aan hun willekeur.

Kruisiging en graflegging

26

23:26
Mat. 27:32
Marc. 15:21
Joh. 19:17
Toen Jezus werd weggeleid, hielden de soldaten een zekere Simon van Cyrene aan, die net de stad binnenkwam. Ze legden het kruis op zijn rug en lieten het hem achter Jezus aan dragen. 27Een grote volksmenigte volgde Jezus, evenals enkele vrouwen die zich op de borst sloegen en over hem weeklaagden. 28Jezus keerde zich echter naar hen om en zei: ‘Dochters van Jeruzalem, huil niet om mij. Huil liever om jezelf en je kinderen, 29want weet, de tijd zal aanbreken dat men zal zeggen: “Gelukkig wie onvruchtbaar is, gelukkig de moederschoot die niet gebaard heeft en de borst die geen kind heeft gezoogd.” 30
23:30
Hos. 10:8
Op. 6:16
Dan zullen de mensen tegen de bergen zeggen: “Val op ons neer!” en tegen de heuvels: “Bedek ons!” 31Want als dit gebeurt met het jonge hout, wat zal het verdorde hout dan niet te wachten staan?’ 32Samen met Jezus werden nog twee anderen, beiden misdadigers, weggeleid om terechtgesteld te worden.

33

23:33-43
Mat. 27:33-44
Marc. 15:22-32
Joh. 19:17-24
Aangekomen bij de plek die de Schedelplaats heet, werd hij gekruisigd, samen met de twee misdadigers, de een rechts van hem, de ander links. 34
23:34
Ps. 22:19
Hand. 7:60
Jezus zei: ‘Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.’23:34 Jezus zei: ‘Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.’ – In andere handschriften ontbreken deze woorden. De soldaten verdeelden zijn kleren onder elkaar door erom te dobbelen. 35
23:35-36
Ps. 22:8-9
Het volk stond toe te kijken. De leiders hoonden hem en zeiden: ‘Anderen heeft hij gered; laat hij nu zichzelf redden als hij de messias van God is, zijn uitverkorene!’ 36
23:36
Ps. 69:22
Ook de soldaten dreven de spot met hem, ze gingen voor hem staan en boden hem zure wijn aan, 37terwijl ze zeiden: ‘Als je de koning van de Joden bent, red jezelf dan!’ 38Boven hem was een opschrift aangebracht: ‘Dit is de koning van de Joden’. 39Een van de gekruisigde misdadigers zei spottend tegen hem: ‘Jij bent toch de messias? Red jezelf dan en ons erbij!’ 40Maar de ander wees hem terecht met de woorden: ‘Heb jij dan zelfs geen ontzag voor God nu je dezelfde straf ondergaat? 41Wij hebben onze straf verdiend en worden beloond naar onze daden. Maar die man heeft niets onwettigs gedaan.’ 42En hij zei: ‘Jezus, denk aan mij wanneer u in uw koninkrijk komt.’ 43Jezus antwoordde: ‘Ik verzeker je: nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn.’

44-45

23:44-49
Mat. 27:45-56
Marc. 15:33-41
Joh. 19:28-30
23:44-45
Ex. 26:31-33
Amos 8:9
Rond het middaguur werd het donker in het hele land doordat de zon verduisterde. De duisternis hield drie uur aan. Toen scheurde het voorhangsel van de tempel doormidden. 46
23:46
Ps. 31:6
Hand. 7:59
En Jezus riep met luide stem: ‘Vader, in uw handen leg ik mijn geest.’ Toen hij dat gezegd had, blies hij de laatste adem uit. 47
23:47
Hand. 7:52
22:14
De centurio zag wat er gebeurd was en loofde God met de woorden: ‘Werkelijk, deze mens was een rechtvaardige!’ 48De mensen die voor het schouwspel samengekomen waren en de gebeurtenissen hadden gadegeslagen, keerden terug naar huis, terwijl ze zich op de borst sloegen. 49
23:49
Luc. 8:2-3
Alle mensen die Jezus gekend hadden waren op een afstand blijven staan, ook de vrouwen die hem vanuit Galilea gevolgd waren en alles hadden zien gebeuren.

50-51

23:50-56
Mat. 27:57-61
Marc. 15:42-47
Joh. 19:38-42
Er was ook een man die Josef heette en afkomstig was uit de Joodse stad Arimatea. Hij was een raadsheer, een goed en rechtvaardig mens, die de komst van het koninkrijk van God verwachtte en niet had ingestemd met het besluit en de handelwijze van de raad. 52Hij ging naar Pilatus en vroeg hem om het lichaam van Jezus. 53Nadat hij het lichaam van het kruis had gehaald, wikkelde hij het in linnen doeken en legde het in een rotsgraf dat nog nooit was gebruikt. 54Het was de voorbereidingsdag, de sabbat was bijna aangebroken. 55De vrouwen die met Jezus waren meegereisd uit Galilea, volgden Josef naar het graf om het te bekijken en om te zien hoe Jezus’ lichaam er werd neergelegd. 56
23:56
Ex. 20:10
Deut. 5:14
Daarna gingen ze naar huis en bereidden ze geurige olie en balsem. Op sabbat namen ze de voorgeschreven rust in acht.

24

Het lege graf

241

24:1-12
Mat. 28:1-10
Marc. 16:1-8
Joh. 20:1-18
Maar op de eerste dag van de week gingen ze bij het ochtendgloren naar het graf met de geurige olie die ze bereid hadden. 2Bij het graf aangekomen, zagen ze echter dat de steen voor het graf was weggerold, 3en toen ze naar binnen gingen, vonden ze het lichaam van de Heer Jezus niet. 4
24:4
Hand. 1:10
Hierdoor raakten ze helemaal van streek. Plotseling stonden er twee mannen in stralende gewaden bij hen. 5Ze werden door schrik bevangen en sloegen de handen voor hun ogen. De mannen zeiden tegen hen: ‘Waarom zoekt u de levende onder de doden? 6Hij is niet hier, hij is uit de dood opgewekt. Herinner u wat hij u gezegd heeft toen hij nog in Galilea was: 7
24:7
Mat. 16:21
17:22-23
20:18-19
Marc. 8:31
9:31
10:33-34
Luc. 9:22,44
17:25
18:31-33
24:46
de Mensenzoon moest worden uitgeleverd aan zondaars en moest gekruisigd worden en op de derde dag opstaan.’ 8Toen herinnerden ze zich zijn woorden.

9Ze keerden terug van het graf en gingen aan de elf en aan alle anderen vertellen wat er was gebeurd. 10De vrouwen die het graf bezochten, waren Maria uit Magdala, Johanna, Maria de moeder van Jakobus, en nog enkele andere vrouwen die hen vergezelden. Ze vertelden de apostelen wat er was gebeurd, 11maar die vonden het maar kletspraat en geloofden hen niet. 12Petrus echter stond op en rende naar het graf. Hij bukte zich om te kijken, maar zag alleen de linnen doeken liggen. Daarop ging hij terug, vol verwondering over wat er gebeurd was.

Verschijningen; Jezus opgenomen in de hemel

13

24:13-35
Marc. 16:12-13
Diezelfde dag gingen twee van de leerlingen op weg naar een dorp dat Emmaüs heet en zestig stadie van Jeruzalem verwijderd ligt. 14Ze spraken met elkaar over alles wat er was voorgevallen. 15Terwijl ze zo met elkaar in gesprek waren, kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee, 16maar hun blik werd vertroebeld, zodat ze hem niet herkenden. 17Hij vroeg hun: ‘Waar loopt u toch over te praten?’ Daarop bleven ze somber gestemd staan. 18Een van hen, die Kleopas heette, antwoordde: ‘Bent u dan de enige vreemdeling in Jeruzalem die niet weet wat daar deze dagen gebeurd is?’ 19
24:19
Hand. 7:22
Jezus vroeg hun: ‘Wat dan?’ Ze antwoordden: ‘Wat er gebeurd is met Jezus uit Nazaret, een machtig profeet in woord en daad in de ogen van God en van het hele volk. 20Onze hogepriesters en leiders hebben hem ter dood laten veroordelen en laten kruisigen. 21
24:21
Hand. 1:6
Wij leefden in de hoop dat hij degene was die Israël zou bevrijden, maar inmiddels is het de derde dag sinds dit alles gebeurd is. 22
24:22-23
Luc. 24:1-11
Bovendien hebben enkele vrouwen uit ons midden ons in verwarring gebracht. Toen ze vanmorgen vroeg naar het graf gingen, 23vonden ze zijn lichaam daar niet en ze kwamen zeggen dat er engelen aan hen waren verschenen. De engelen zeiden dat hij leeft. 24
24:24
Luc. 24:12
Joh. 20:3-10
Een paar van ons zijn toen ook naar het graf gegaan en troffen het aan zoals de vrouwen hadden gezegd, maar Jezus zagen ze niet.’ 25
24:25-27
Hand. 3:18
17:2-3
26:22-23
Toen zei hij tegen hen: ‘Hebt u dan zo weinig verstand en bent u zo traag van begrip dat u niet gelooft in alles wat de profeten gezegd hebben? 26Moest de messias al dat lijden niet ondergaan om zijn glorie binnen te gaan?’ 27Daarna verklaarde hij hun wat er in al de Schriften over hem geschreven stond, en hij begon bij Mozes en de Profeten.

28Ze naderden het dorp waarheen ze op weg waren. Jezus deed alsof hij verder wilde reizen. 29Maar ze drongen er sterk bij hem op aan om dat niet te doen en zeiden: ‘Blijf bij ons, want het is bijna avond en de dag loopt ten einde.’ Hij ging mee het dorp in en bleef bij hen. 30Toen hij met hen aan tafel aanlag, nam hij het brood, sprak het zegengebed uit, brak het en gaf het hun. 31Nu werden hun ogen geopend en herkenden ze hem. Maar hij werd onttrokken aan hun blik. 32Daarop zeiden ze tegen elkaar: ‘Brandde ons hart niet toen hij onderweg met ons sprak en de Schriften voor ons ontsloot?’ 33Ze stonden op en gingen meteen terug naar Jeruzalem, waar ze de elf en de anderen aantroffen, 34

24:34
1 Kor. 15:5
die tegen hen zeiden: ‘De Heer is werkelijk uit de dood opgewekt en hij is aan Simon verschenen!’ 35De twee leerlingen vertelden wat er onderweg gebeurd was en hoe hij zich aan hen kenbaar had gemaakt door het breken van het brood.

36

24:36-53
Marc. 16:9-20
Joh. 20:19-23
Hand. 1:1-11
1 Kor. 15:5
Terwijl ze nog aan het vertellen waren, kwam Jezus zelf in hun midden staan en zei: ‘Vrede zij met jullie.’ 37
24:37
Mat. 14:26
Marc. 6:49
Verbijsterd en door angst overmand, meenden ze een geestverschijning te zien. 38Maar hij zei tegen hen: ‘Waarom zijn jullie zo ontzet en waarom zijn jullie ten prooi aan twijfel? 39Kijk naar mijn handen en voeten, ik ben het zelf! Raak me aan en kijk goed, want een geest heeft geen vlees en beenderen zoals jullie zien dat ik heb.’ 40Daarna toonde hij hun zijn handen en zijn voeten. 41
24:41-43
Hand. 10:41
Omdat ze het van vreugde nog niet konden geloven en stomverbaasd waren, vroeg hij hun: ‘Hebben jullie hier iets te eten?’ 42Ze gaven hem een stuk geroosterde vis. 43Hij nam het aan en at het voor hun ogen op. 44
24:44-49
Hand. 26:22-23
24:44-46
Hand. 3:18
17:2-3
24:44
Deut. 1:1
Hij zei tegen hen: ‘Toen ik nog bij jullie was, heb ik tegen jullie gezegd dat alles wat in de Wet van Mozes, bij de Profeten en in de Psalmen over mij geschreven staat in vervulling moest gaan.’ 45Daarop maakte hij hun verstand ontvankelijk voor het begrijpen van de Schriften. 46
24:46
Jes. 53:1-12
Hos. 6:2
Hij zei tegen hen: ‘Er staat geschreven dat de messias zal lijden en sterven, maar dat hij op de derde dag zal opstaan uit de dood, 47-48
24:47-48
Hand. 1:8
2:38
17:30
en dat in zijn naam alle volken opgeroepen zullen worden om tot inkeer te komen, opdat hun zonden worden vergeven. Jullie zullen hiervan getuigenis afleggen, te beginnen in Jeruzalem. 49
24:49
Hand. 1:4
Ik zal ervoor zorgen dat de belofte van mijn Vader aan jullie wordt ingelost. Blijf in de stad tot jullie met kracht uit de hemel zijn bekleed.’

50Hij nam hen mee de stad uit, tot bij Betanië. Daar hief hij zijn handen op en zegende hen. 51

24:51
Marc. 16:19
Hand. 1:9
Terwijl hij hen zegende, ging hij van hen heen en werd opgenomen in de hemel. 52
24:52-53
Hand. 1:12-14
Ze brachten hem hulde en keerden in grote vreugde terug naar Jeruzalem, 53waar ze voortdurend in de tempel waren en God loofden.