Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
32

Vrede waar gerechtigheid heerst

321

32:1-2
Jes. 9:5-6
11:1-5
16:5
Een koning die rechtvaardig regeert

en leiders32:1 en leiders – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘en voor de leiders’. die leiden volgens het recht

2zijn als een beschutting tegen de wind,

als een schuilplaats voor een wolkbreuk,

als waterstromen in een dorre streek,

als de koele schaduw van een rots

in een dorstig, uitgedroogd land.

3

32:3
Jes. 6:10
Ogen zullen niet langer blind zijn,

oren luisteren weer aandachtig;

4de onbezonnen geest verwerft kennis en inzicht,

de tong van stotteraars spreekt vloeiend en vlot.

5Dan wordt een dwaas niet meer edel genoemd,

een bedrieger niet langer aanzienlijk.

6

32:6
Ps. 14:1
Pred. 10:13
Want een dwaas spreekt dwaas

en zijn hart brengt slechtheid voort:

hij handelt goddeloos

en hij lastert de HEER;

wie honger lijdt laat hij onverzadigd,

de dorstige geeft hij niets te drinken.

7

32:7
Ps. 10:2,7-11
Een bedrieger kiest valse middelen,

hij beraamt snode plannen

en tracht, door leugens rond te strooien,

de verdrukte in het verderf te storten,

en de zwakke wanneer die zijn recht bepleit.

8Maar een edel mens zint op edele daden,

hij zet zich in voor al wat edel is.

9

32:9-11
Jes. 3:16-24
Amos 4:1-3
Sta op, zorgeloze vrouwen, hoor mij aan,

meisjes vol vertrouwen, luister naar mijn woorden.

10Over iets meer dan een jaar zullen jullie sidderen,

jullie die nu nog vol vertrouwen zijn.

Want dan is er geen wijnoogst meer,

geen pluk die nog vruchten oplevert.

11Beef, jullie zorgelozen,

sidder, jullie die vol vertrouwen zijn.

Kleed je uit tot op het naakte lijf

en trek een rouwkleed aan.

12Zij slaan zich in wanhoop op de borst,

weeklagend om de prachtige akkers,

om de vruchtdragende wijnstokken.

13Dorens en distels overwoekeren

het land van mijn volk,

elk huis waar vreugde heerst

en elke stad vol feestgedruis.

14De vesting zal verlaten liggen,

het rumoer van de stad valt stil.

Burcht en wachttoren worden ruïnes voor altijd,

een lustoord voor wilde ezels,

weidegrond voor het vee.

15Zo zal het blijven totdat van boven

een geest over ons wordt uitgegoten.

Dan zal de woestijn een boomgaard worden,

een boomgaard die is als een woud.

16Het recht zal zich vestigen in de woestijn,

gerechtigheid wonen in de boomgaard.

17Dan zal de gerechtigheid vrede stichten,

ze brengt rust en vertrouwen voor altijd.

18Mijn volk zal wonen in een oase van vrede,

een veilige woonplaats,

een oord van ongestoorde rust.

19In het woud op de helling suist de koelte,

beneden in de vlakte strekt de stad zich uit.

20Gelukkig zijn jullie

die zaaien langs het water,

die os en ezel in het gareel houden.

33

Bevrijding van Jeruzalem

331Wee de verwoester, zelf nooit verwoest,

en de verrader, nog nooit verraden.

Wanneer er een eind komt aan je verwoesten,

dan word je zelf verwoest,

en wanneer er een eind komt aan je verraad,33:1 en wanneer er een eind komt aan je verraad – Volgens een Qumran-handschrift. Betekenis MT onzeker.

dan word je zelf verraden.

2

33:2
Ps. 33:22
46:2
O HEER, wees ons genadig,

op u vestigen wij onze hoop.

Wees ons tot steun, iedere dag opnieuw,

red ons in tijden van nood.

3

33:3
Num. 10:35
Ps. 46:7
48:5-8
68:2
Voor uw schrikwekkend tumult

slaan de volken op de vlucht,

wanneer u zich verheft stuiven ze uiteen.

4De buit wordt bijeengebracht

zoals sprinkhanen dat doen,

men stort zich erop als een sprinkhanenzwerm.

5

33:5
Ps. 57:6
83:19
97:9
Hoog verheven is de HEER,

hij woont hoog hierboven.

Hij vult Sion met recht en gerechtigheid.

6Hij is ons houvast, zolang wij leven.

Wijsheid en toewijding leiden tot redding,

ontzag voor de HEER is Sions rijkdom.

7

33:7
Jes. 29:1
Nu nog schreeuwt Ariël33:7 Ariël – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften en de Vulgata. Betekenis MT onzeker. het uit

en wenen vredeboden bittere tranen.

8De wegen liggen verlaten,

op de paden bevindt zich niemand meer.

Verdragen worden verbroken,

getuigen33:8 getuigen – Volgens een Qumran-handschrift. MT: ‘steden’. niet meer geloofd,

geen mens staat nog in achting.

9

33:9
Jes. 35:2
Amos 1:2
Het land verdroogt en verdort,

de Libanon is onteerd en verwelkt;

de Saron is een wildernis geworden,

Basan en de Karmel zijn kaalgeslagen.

10Nu zal ik opstaan, zegt de HEER,

nu zal ik mij trots verheffen,

fier richt ik mij op.

11Jullie zijn zwanger van dor gras

en wat jullie baren is kaf;

jullie geest is een vuur

dat jullie zelf verteren zal.

12De volken zullen branden als in een kalkoven,

in vlammen opgaan als weggekapte doornstruiken.

13Jullie die ver weg wonen, hoor wat ik gedaan heb,

en jullie dichtbij, erken mijn kracht.

14De zondaars in Sion sidderen,

de goddelozen worden door angst bevangen:

‘Wie van ons kan wonen in verterend vuur?

Wie kan wonen in vuur dat eeuwig brandt?’

15

33:15-16
Ps. 15:1-5
Wie rechtvaardig leeft en de waarheid spreekt,

wie woekerwinst door afpersing weigert,

wie aangeboden steekpenningen afwijst,

wie niet wil toehoren als een moord wordt beraamd,

wie niet kan aanzien hoe het kwaad geschiedt –

16hij zal hoog hierboven wonen,

veilig in de onneembare rotsburcht;

in zijn brood wordt voorzien,

aan water is nooit gebrek.

17Met eigen ogen zul je een koning

in al zijn schoonheid aanschouwen,

weldra zul je een land zien

dat zich uitstrekt tot in de verte.

18

33:18
1 Kor. 1:20
Met pijn in het hart

zul je aan de verschrikkingen terugdenken:

Waar zijn nu de mannen die schreven en wogen,

waar is de man die de torens telde?

19

33:19
Jes. 28:11
Je ziet dat onbeschaamde volk niet meer terug,

dat volk met zijn onverstaanbare taal,

zijn vreemde, onbegrijpelijke tongval.

20

33:20
Jes. 54:2
Aanschouw dan Sion, de stad

waar wij onze feesten weer vieren.

Met eigen ogen zul je Jeruzalem zien,

een oord waar je ongestoord kunt wonen,

een tent die nooit wordt afgebroken,

waarvan geen tentpin ooit wordt uitgerukt

en geen touw wordt losgemaakt.

21Daar toont de HEER ons zijn macht.

Daar stromen rivieren en is het water uitgestrekt,

maar geen galeien varen daarop,

geen machtige schepen trekken langs.

22Want de HEER is onze rechter,

de HEER is onze wetgever,

de HEER is onze koning,

hij zal ons redden.

23De touwen hangen slap en ontspannen,

de tentpaal hoeft niet meer recht overeind,

het vaandel niet gehesen.

Dan wordt de rijke buit verdeeld,

zelfs de verlamden plunderen mee.

24Geen inwoner zegt nog: ‘Ik ben ziek,’

de hele bevolking is van schuld bevrijd.

34

Oordeel over Edom

341

34:1
Deut. 32:1
Kom naderbij, volken, en hoor toe,

naties, luister aandachtig.

Hoor, aarde en wie haar bewonen,

wereld en al wat daarop groeit.

2De HEER koestert woede tegen alle volken,

zijn toorn ontbrandt tegen heel hun legermacht.

Hun wacht de vernietiging,

hij heeft hen voor de slacht bestemd.

3Gesneuvelden blijven onbegraven liggen,

de stank van hun lijken stijgt op;

de bergen druipen van hun bloed.

4

34:4
Op. 6:13-14
De sterren aan de hemel vergaan,

als een boekrol wordt de hemel opgerold.

Alle sterren vallen neer,

zoals bladeren vallen van een wijnstok

of verschrompelde vruchten van een vijgenboom.

5

34:5-17
Jes. 63:1-6
Jer. 49:7-22
Ezech. 35:1-15
Ob. 8-10
34:5
Ezech. 25:12-14
Amos 1:11-12
Want mijn zwaard verschijnt34:5 verschijnt – Volgens een Qumran-handschrift. MT: ‘doordrenkt’. aan de hemel.

Het valt neer op Edom, als een oordeel

over het volk dat mijn banvloek treft.

6Het zwaard van de HEER is rood van het bloed

en druipt van het vet:

het bloed van rammen en bokken

en het vet van de nieren van rammen.

Want de HEER richt een offer aan in Bosra,

een grote slachting in Edom.

7Ook wilde stieren vallen dood neer,

tegelijk met ossen en kalveren.

Het land is doordrenkt van bloed,

de grond verzadigd van vet.

8Want de HEER houdt een dag van wraak,

een jaar van vergelding: hij verdedigt Sion.

9De wateren van Edom worden pek,

zijn grond verandert in zwavel,

het land wordt één grote pekoven.

10Het blijft er branden, dag en nacht,

voor eeuwig stijgt de rook er op.

Het land ligt verloren, tot in het verste nageslacht,

nooit zal iemand het nog betreden.

11

34:11
2 Kon. 21:13
Klaagl. 2:8
Dwergooruil en stekelvarken nemen het in bezit,

raaf en ransuil zullen er huizen.

Hij heeft er het meetlint van de chaos gespannen,

hij weegt het met de weegstenen van de woestenij.

12Er zijn geen edelen meer over

om het koningschap te bekleden,

alle vorsten zijn verdwenen.

13Dorens overwoekeren de burchten,

onkruid en distels de vestingen.

Het land wordt het domein34:13 domein – Volgens een Qumran-handschrift en de oudste vertalingen. MT: ‘gras’. van jakhalzen,

de woonplaats van struisvogels.

14Het is de ontmoetingsplaats

van woestijndieren en hyena’s,

bokken meten daar hun krachten.

Lilit zoekt er rust

en leeft er ongestoord.

15Daar nestelt de pijlslang,

ze legt er eieren en gaat er broeden,

ze broedt ze in haar eigen schaduw uit.

Daar verzamelen zich buizerds,

ze komen er in paren bijeen.

16Zoek het na in het boek van de HEER:

niet één van die dieren ontbreekt,

ze staan er in paren bijeen;

want het is uit zijn mond opgetekend,

zijn geest heeft ze bijeengebracht.

17Hij heeft voor hen het lot geworpen,

hun het land toebedeeld met het meetlint.

Voor altijd krijgen ze het in bezit,

ze wonen daar voorgoed.