Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)

Bevrijding van Jeruzalem

331Wee de verwoester, zelf nooit verwoest,

en de verrader, nog nooit verraden.

Wanneer er een eind komt aan je verwoesten,

dan word je zelf verwoest,

en wanneer er een eind komt aan je verraad,33:1 en wanneer er een eind komt aan je verraad – Volgens een Qumran-handschrift. Betekenis MT onzeker.

dan word je zelf verraden.

2

33:2
Ps. 33:22
46:2
O HEER, wees ons genadig,

op u vestigen wij onze hoop.

Wees ons tot steun, iedere dag opnieuw,

red ons in tijden van nood.

3

33:3
Num. 10:35
Ps. 46:7
48:5-8
68:2
Voor uw schrikwekkend tumult

slaan de volken op de vlucht,

wanneer u zich verheft stuiven ze uiteen.

4De buit wordt bijeengebracht

zoals sprinkhanen dat doen,

men stort zich erop als een sprinkhanenzwerm.

5

33:5
Ps. 57:6
83:19
97:9
Hoog verheven is de HEER,

hij woont hoog hierboven.

Hij vult Sion met recht en gerechtigheid.

6Hij is ons houvast, zolang wij leven.

Wijsheid en toewijding leiden tot redding,

ontzag voor de HEER is Sions rijkdom.

7

33:7
Jes. 29:1
Nu nog schreeuwt Ariël33:7 Ariël – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften en de Vulgata. Betekenis MT onzeker. het uit

en wenen vredeboden bittere tranen.

8De wegen liggen verlaten,

op de paden bevindt zich niemand meer.

Verdragen worden verbroken,

getuigen33:8 getuigen – Volgens een Qumran-handschrift. MT: ‘steden’. niet meer geloofd,

geen mens staat nog in achting.

9

33:9
Jes. 35:2
Amos 1:2
Het land verdroogt en verdort,

de Libanon is onteerd en verwelkt;

de Saron is een wildernis geworden,

Basan en de Karmel zijn kaalgeslagen.

10Nu zal ik opstaan, zegt de HEER,

nu zal ik mij trots verheffen,

fier richt ik mij op.

11Jullie zijn zwanger van dor gras

en wat jullie baren is kaf;

jullie geest is een vuur

dat jullie zelf verteren zal.

12De volken zullen branden als in een kalkoven,

in vlammen opgaan als weggekapte doornstruiken.

13Jullie die ver weg wonen, hoor wat ik gedaan heb,

en jullie dichtbij, erken mijn kracht.

14De zondaars in Sion sidderen,

de goddelozen worden door angst bevangen:

‘Wie van ons kan wonen in verterend vuur?

Wie kan wonen in vuur dat eeuwig brandt?’

15

33:15-16
Ps. 15:1-5
Wie rechtvaardig leeft en de waarheid spreekt,

wie woekerwinst door afpersing weigert,

wie aangeboden steekpenningen afwijst,

wie niet wil toehoren als een moord wordt beraamd,

wie niet kan aanzien hoe het kwaad geschiedt –

16hij zal hoog hierboven wonen,

veilig in de onneembare rotsburcht;

in zijn brood wordt voorzien,

aan water is nooit gebrek.

17Met eigen ogen zul je een koning

in al zijn schoonheid aanschouwen,

weldra zul je een land zien

dat zich uitstrekt tot in de verte.

18

33:18
1 Kor. 1:20
Met pijn in het hart

zul je aan de verschrikkingen terugdenken:

Waar zijn nu de mannen die schreven en wogen,

waar is de man die de torens telde?

19

33:19
Jes. 28:11
Je ziet dat onbeschaamde volk niet meer terug,

dat volk met zijn onverstaanbare taal,

zijn vreemde, onbegrijpelijke tongval.

20

33:20
Jes. 54:2
Aanschouw dan Sion, de stad

waar wij onze feesten weer vieren.

Met eigen ogen zul je Jeruzalem zien,

een oord waar je ongestoord kunt wonen,

een tent die nooit wordt afgebroken,

waarvan geen tentpin ooit wordt uitgerukt

en geen touw wordt losgemaakt.

21Daar toont de HEER ons zijn macht.

Daar stromen rivieren en is het water uitgestrekt,

maar geen galeien varen daarop,

geen machtige schepen trekken langs.

22Want de HEER is onze rechter,

de HEER is onze wetgever,

de HEER is onze koning,

hij zal ons redden.

23De touwen hangen slap en ontspannen,

de tentpaal hoeft niet meer recht overeind,

het vaandel niet gehesen.

Dan wordt de rijke buit verdeeld,

zelfs de verlamden plunderen mee.

24Geen inwoner zegt nog: ‘Ik ben ziek,’

de hele bevolking is van schuld bevrijd.