Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)

201

20:1-17
Ex. 34:10-27
Deut. 5:6-21
Toen sprak God deze woorden:

2‘Ik ben de HEER, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd.

3

20:3
Deut. 6:4
Hos. 13:4
Vereer naast mij geen andere goden.

4

20:4-5
Lev. 26:1
20:4
Ex. 34:17
Lev. 19:4
Deut. 27:15
Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. 5
20:5-6
Num. 14:18
20:5
Deut. 4:15-19
Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de HEER, uw God, duld geen andere goden naast mij. Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; 6
20:6
Ex. 34:6-7
Deut. 7:9-10
maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht.

7

20:7
Lev. 19:12
Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan.

8

20:8
Ex. 16:23-30
31:12-14
Lev. 19:3
Deut. 5:12-15
Houd de sabbat in ere, het is een heilige dag. 9Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, 10
20:10
Ex. 23:12
31:15
34:21
35:2
Lev. 23:3
maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de HEER, uw God; dan mag u niet werken. Dat geldt voor u, voor uw zonen en dochters, voor uw slaven en slavinnen, voor uw vee, en ook voor vreemdelingen die bij u in de stad wonen. 11
20:11
Gen. 2:1-3
Ex. 31:16-17
Want in zes dagen heeft de HEER de hemel en de aarde gemaakt, en de zee met alles wat er leeft, en op de zevende dag rustte hij. Daarom heeft de HEER de sabbat gezegend en heilig verklaard.

12

20:12-16
Mat. 19:18-19
Marc. 10:19
Luc. 18:20
20:12
Lev. 19:3
Deut. 27:16
Mat. 15:4
Marc. 7:10
Ef. 6:2-3
Toon eerbied voor uw vader en uw moeder. Dan wordt u gezegend met een lang leven in het land dat de HEER, uw God, u geven zal.

13

20:13-17
Rom. 13:9
20:13-14
Jak. 2:11
20:13
Gen. 9:6
Mat. 5:21
Pleeg geen moord.

14

20:14
Lev. 20:10
Mat. 5:27
Pleeg geen overspel.

15

20:15-16
Lev. 19:11
Steel niet.

16

20:16
Ex. 23:1
Deut. 5:20
Leg over een ander geen vals getuigenis af.

17

20:17
Rom. 7:7
Zet uw zinnen niet op het huis van een ander, en evenmin op zijn vrouw, op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, of wat hem ook maar toebehoort.’

18Heel het volk was getuige van de donderslagen en lichtflitsen, het schallen van de ramshoorn en de rook die uit de berg kwam. Bij die aanblik deinsden ze achteruit, en ze bleven op grote afstand staan. 19

20:19
Hebr. 12:18-19
Ze zeiden tegen Mozes: ‘Spreekt u met ons, wij zullen naar u luisteren. Maar laat God niet met ons spreken, want dan sterven we.’ 20
20:20
Deut. 8:2
Maar Mozes antwoordde: ‘Wees niet bang, God is gekomen om u op de proef te stellen en u met ontzag voor hem te vervullen, zodat u niet meer zondigt.’ 21
20:21
Deut. 5:23-31
En terwijl het volk op een afstand bleef staan, ging Mozes naar de donkere wolk waarin God aanwezig was.

Regels en wetten

22De HEER droeg Mozes op het volgende tegen de Israëlieten te zeggen: ‘Jullie zijn er getuige van geweest dat ik vanuit de hemel tot jullie heb gesproken. 23Je mag daarom geen goden van zilver of goud maken om die naast mij te vereren. 24Maak voor mij een altaar van aarde, en slacht daarop je schapen, geiten en runderen voor de brandoffers en vredeoffers. Op elke plaats waar ik mijn naam wil laten noemen, zal ik naar jullie toe komen en je zegenen. 25

20:25
Deut. 27:5-7
Joz. 8:31
Als je voor mij een stenen altaar wilt bouwen, gebruik dan geen gehouwen stenen, want door de stenen met een beitel te bewerken ontwijd je ze. 26En breng geen treden aan, want als je daarlangs omhoog zou gaan, zou men je geslachtsdelen zien.’