Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
3

31Luister naar de woorden die de HEER tot jullie spreekt, Israëlieten, tot heel het volk dat hij weggeleid heeft uit Egypte: 2

3:2
Deut. 7:6
Uit alle volken op aarde heb ik alleen jullie uitgekozen, en daarom zal ik jullie voor al je wandaden straffen.

3Gaan er ooit twee samen op weg zonder bij elkaar te zijn gekomen?

4Brult ooit een leeuw in het struikgewas als hij geen prooi heeft?

Gromt ooit een leeuw in zijn hol zonder iets te hebben gevangen?

5Duikt ooit een vogel in een klapnet neer als het aas ontbreekt?

Slaat ooit een klapnet dicht zonder dat er iets te vangen is?

6Klinkt ooit in een stad de ramshoorn zonder dat haar inwoners bang worden?

En geschiedt er ooit onheil in een stad zonder toedoen van de HEER?

7

3:7
Gen. 18:17
Zo doet God, de HEER, niets zonder dat hij zijn plan heeft onthuld aan zijn dienaren, de profeten.

8Een leeuw heeft gebruld – wie zou er niet vrezen?

God, de HEER, heeft gesproken – wie zou er niet profeteren?

9Dit moeten jullie bekendmaken in de burchten van Asdod en in de burchten van Egypte: ‘Kom naar de bergen rond Samaria om te zien hoe groot de verwarring in die stad is, hoe hevig de onderdrukking! 10Tot rechtvaardigheid zijn ze daar niet in staat – spreekt de HEER –, zij die hun burchten vullen met onderdrukking en geweld.’ 11

3:11
2 Kon. 17:3-6
Daarom, Samaria, zal je land door de vijand worden omsingeld, zullen je vestingwerken worden neergehaald en je burchten worden geplunderd – zegt God, de HEER.

12Dit zegt de HEER: Zoals een herder uit de muil van een leeuw niet meer dan een paar botten weet te redden of een stukje oor, zo zal er ook niemand worden gered van de Israëlieten, die in Samaria maar op hun bedden hangen en achterover leunen op hun divans.

13Luister naar deze woorden en waarschuw de nakomelingen van Jakob – spreekt God, de HEER, de God van de hemelse machten: 14

3:14
1 Kon. 13:1-5
2 Kon. 23:15
De dag komt dat ik Israël voor zijn misdaden zal straffen. Mijn straf zal dan de altaren van Betel treffen, de horens van de altaren zullen afgehakt worden en op de grond vallen. 15
3:15
1 Kon. 22:39
Dan zal ik de winterverblijven en de zomerverblijven verwoesten, de ivoren paleizen zullen verloren gaan, en vele huizen zullen worden vernietigd – spreekt de HEER.

4

41

4:1-3
Jes. 3:16-24
32:9-12
Vrouwen, luister naar deze woorden! Jullie zijn als vette koeien die de berg van Samaria kaalgrazen: jullie onderdrukken de zwakken, mishandelen de armen en zeggen tegen je man: ‘Breng ons iets te drinken!’ 2God, de HEER, zweert bij zijn heiligheid: Weet dat de dagen niet ver zijn dat jullie als vissen met hengels worden opgehaald, en wie er dan nog overblijven met haken. 3Eén voor één worden jullie door de bressen in de stadsmuur naar buiten gedreven en naar Harmon weggeslingerd – spreekt de HEER.

4Kom naar Betel en zondig er maar, kom naar Gilgal en zondig daar nog meer. Breng er ’s ochtends je offerdieren, de volgende dag je tienden. 5Breng er een dankoffer met gedesemd brood, en beroem je op je vrijwillige gaven – want zo willen jullie het toch, Israëlieten? – spreekt God, de HEER. 6

4:6
Lev. 26:14-39
Ik was het die jullie in elke stad honger liet lijden en maakte dat er in geen enkel dorp brood was: maar jullie zijn niet naar mij teruggekeerd – spreekt de HEER. 7
4:7
Jer. 14:1-6
Ik was het die jullie de regens onthield, drie maanden voor de oogst. Op de ene stad liet ik het regenen, op de andere liet ik het niet regenen; op het ene veld regende het, en het veld waarop het niet regende verdorde. 8Twee, drie steden wankelden naar een andere stad om water te drinken, en hun dorst werd niet gelest: maar jullie zijn niet naar mij teruggekeerd – spreekt de HEER. 9
4:9
Deut. 28:22
1 Kon. 8:37
Ik trof jullie met korenbrand en meeldauw; sprinkhanen vraten je tuinen en wijngaarden kaal, en alle vijgen en olijven: maar jullie zijn niet naar mij teruggekeerd – spreekt de HEER. 10
4:10
Ex. 9:1-7
Deut. 7:15
Jes. 34:2-3
Ik stuurde de pest op jullie af, zoals ik die ooit op Egypte afstuurde; ik doodde je soldaten en je buitgemaakte paarden, zodat jullie de stank van je eigen legerkamp roken: maar jullie zijn niet naar mij teruggekeerd – spreekt de HEER. 11
4:11
Gen. 19:24-25
Zach. 3:2
Ik vernietigde jullie, zoals ik Sodom en Gomorra vernietigd heb; jullie werden als een stuk zwartgeblakerd hout dat uit de vlammen is weggerukt: maar jullie zijn niet naar mij teruggekeerd – spreekt de HEER. 12Daarom zal ik tegen je optreden, Israël. Maak je gereed voor de komst van je God, Israël, want ik ben het die tegen je zal optreden.

13

4:13
Jer. 32:18
Hos. 12:6
Amos 3:7
De schepper van de bergen en de wind,

hij die de mens zijn plan onthult,

hij die de dageraad verduistert,

hij die over de bergtoppen schrijdt –

zijn naam is HEER, God van de hemelse machten.

5

51Luister naar mijn woorden, Israël, luister naar mijn klaaglied over jullie:

2Ze is gevallen, vrouwe Israël, ze zal niet meer opstaan,

verlaten ligt ze op haar land, en er is niemand die haar opricht.

3
5:3
Amos 3:12
Dit zegt God, de HEER, over Israël: De stad die met duizend man ten strijde trekt houdt er maar honderd over; de stad die met honderd man ten strijde trekt maar tien. 4Dit zegt de HEER tegen Israël: Zoek mij en leef! 5
5:5
Hos. 4:15
Amos 4:4
8:14
Ga niet naar Betel, kom niet in Gilgal, trek niet naar Berseba; Gilgal gaat in ballingschap en Betel wordt een plaats van onheil. 6Zoek de HEER en leef. Anders zal hij als een vuur woeden in het land van Jozef, de vlammen zullen Betel verteren, en er zal niemand zijn om te blussen. 7
5:7
Amos 6:12
Want jullie veranderen het recht in alsem en vertrappen de gerechtigheid.

8

5:8
Job 9:9
38:31
Amos 9:6
De maker van de Plejaden en van Orion,

hij die de diepe duisternis in morgenlicht verandert en de dag tot nacht verduistert,

hij die het water van de zee bijeenroept en het uitstort over de aarde –

zijn naam is HEER.

9Met zijn verwoestende bliksem treft hij de sterken, hun vestingen worden vernietigd.

10Jullie verachten hen die in de poort het recht verdedigen, jullie verafschuwen hen die de waarheid spreken. 11

5:11
Deut. 28:30-33
Micha 6:15
Sef. 1:13
Jullie vertrappen de zwakken en eisen een deel van hun graan op. Daarom: huizen van steen hebben jullie gebouwd, maar je zult er niet in wonen; prachtige wijngaarden hebben jullie geplant, maar je zult er geen wijn van drinken. 12Want ik weet hoe talrijk jullie misdaden zijn, hoe groot jullie zonden: jullie keren je tegen de onschuldigen, jullie ontvangen steekpenningen, jullie ontnemen de armen in de poort hun recht. 13Wie verstandig is zwijgt in deze tijd, want het is een kwade tijd.

14

5:14
Ps. 34:13-15
37:27
Amos 5:4
Zoek het goede, niet het kwade. Dan zullen jullie leven, en dan zal de HEER, de God van de hemelse machten, met jullie zijn, zoals jullie altijd zeggen. 15
5:15
Joël 2:14
Amos 3:12
Jona 3:9
Haat het kwade, heb het goede lief en zorg dat er recht gedaan wordt in de poort. Misschien zal dan de HEER, de God van de hemelse machten, genade schenken aan wie er overgebleven zijn van Jozefs volk. 16Daarom – zegt de HEER, de God van de hemelse machten, de Heer – zal er op alle pleinen worden gerouwd, in alle straten gejammerd; boeren worden opgeroepen om te weeklagen, klaagzangers om te rouwen, 17
5:17
Ex. 12:12
Amos 4:12
en ook in alle wijngaarden zal er worden gerouwd wanneer ik zelf in jullie midden rondga – zegt de HEER.

18

5:18
Jer. 13:16
Joël 2:1-2
Sef. 1:14-15
Wee degenen die verlangen naar de dag van de HEER! Wat zal hij jullie brengen, de dag van de HEER? Duisternis, geen licht. 19Zoals wanneer iemand die vlucht voor een leeuw, aangevallen wordt door een beer, en dan, als hij een huis binnenvlucht en met zijn hand tegen de muur leunt, gebeten wordt door een slang. 20De dag van de HEER zal duisternis zijn, en geen licht; aardedonker, zonder glans.

21

5:21
Hos. 6:6
Ik heb een afkeer van jullie feesten, ik wijs ze af, jullie samenkomsten verdraag ik niet. 22
5:22
Ps. 51:18
Jes. 1:11-14
Ik schep geen behagen in de brand- en graanoffers die jullie mij brengen; de vetgemeste beesten van jullie vredeoffers keur ik geen blik waardig. 23Bespaar mij het geluid van jullie liederen; de klank van jullie harpen wil ik niet horen. 24Laat liever het recht stromen als water, en de gerechtigheid als een altijd voortvloeiende beek.

25

5:25-27
Hand. 7:42-43
Israëlieten, hebben jullie mij die veertig jaar in de woestijn ooit zulke offers en gaven gebracht? 26Nu zullen jullie de beelden die jullie zelf gemaakt hebben – je koning Sakkut en je sterrengod Kewan5:26 Sakkut [...] Kewan – Voorgestelde lezing. MT: ‘Sikkoet [...] Kijjoen’. De klinkers i en oe in deze godennamen zijn die van het Hebreeuwse woord voor ‘gruwel’. – met je mee moeten dragen, 27want ik zal jullie in ballingschap voeren, tot voorbij Damascus. Dit zegt de HEER, wiens naam is: God van de hemelse machten.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]