Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

Voorgeschiedenis

11Alexander van Macedonië, de zoon van Filippus, was vanuit zijn land opgetrokken tegen Darius, de koning van de Perzen en de Meden. Hij versloeg hem en werd in zijn plaats koning; hij heerste toen al over Griekenland. 2Hij voerde vele oorlogen, veroverde vestingen en liet koningen doden. 3Hij trok op tot aan de uiteinden van de aarde en nam van tal van volken oorlogsbuit mee; de hele wereld had hij in zijn macht. Dit maakte hem overmoedig en hooghartig. 4Hij bouwde een kolossale troepenmacht op, hij heerste over gebieden, volken en vorsten en maakte ze schatplichtig. 5Maar toen werd hij ziek en hij wist dat hij zou sterven. 6Hij riep zijn hoogste bevelhebbers, die van jongs af aan met hem waren opgegroeid, bij zich en verdeelde nog tijdens zijn leven zijn koninkrijk onder hen. 7Twaalf jaar had Alexander geregeerd toen hij stierf. 8Na zijn dood namen de bevelhebbers het bestuur over, ieder in hun eigen gebied, 9waarna zij zichzelf tot koning kroonden. Hun bewind en dat van hun nakomelingen bracht nog lange tijd veel onheil op aarde. 10

1:10
1 Mak. 6:10
8:7
2 Mak. 4:7
Een van hun afstammelingen was de schurk Antiochus Epifanes, de zoon van koning Antiochus, die gijzelaar geweest was in Rome. Hij werd koning in het jaar 1371:10 het jaar 137 – Dit staat gelijk aan het jaar 175 v.Chr. Alle jaartallen in dit boek zijn gerekend vanaf de troonsbestijging van de Griekse vorst Seleukus I, najaar 312 v.Chr. van de Griekse overheersing.

Antiochus Epifanes aan de macht

11

1:11
2 Mak. 4:9-17
In die tijd begon zich in Israël een groep afvalligen te roeren die de wet niet meer wilde navolgen, en zij kregen veel aanhangers. Ze zeiden: ‘Kom, laten we een verdrag sluiten met de volken om ons heen, want vanaf het moment dat we ons van hen hebben afgescheiden is ons veel ellende overkomen.’ 12Hun woorden werden met instemming begroet, 13en enkelen uit het volk verklaarden zich bereid naar de koning te gaan. Deze gaf hun toestemming vreemde wetten en gebruiken in te voeren. 14Zo bouwden zij in Jeruzalem een sportschool zoals dat bij de heidense volken gebruikelijk was 15
1:15
1 Kor. 7:18
en lieten zij zich weer een voorhuid maken. Zij hielden zich verre van het heilige verbond, vermengden zich met de heidenen en gaven zich over aan kwalijke praktijken.

16

1:16-19
Dan. 11:25-28
Toen Antiochus zijn heerschappij gevestigd zag, wilde hij ook nog koning van Egypte worden, zodat hij over twee koninkrijken zou heersen. 17
1:17
2 Mak. 5:1
Hij viel Egypte met een groot leger binnen, met strijdwagens en olifanten en met een grote vloot, 18en trok ten strijde tegen Ptolemeüs, de koning van dat land. Na zware verliezen werd Ptolemeüs verslagen en op de vlucht gejaagd. 19De versterkte steden van Egypte werden ingenomen en het land werd geplunderd. 20
1:20
2 Mak. 5:11-16
Na zijn overwinning op Egypte trok Antiochus in het jaar 143 met een groot leger naar Israël, naar Jeruzalem. 21In zijn hoogmoed drong hij de tempel binnen, roofde het gouden altaar, de lampenstandaard met alle toebehoren, 22de tafel van het toonbrood, de plengschalen, de offerschalen, de gouden wierookschalen, het voorhangsel en de kransen, en haalde de gouden versieringen van de voorgevel. 23
1:23
2 Mak. 5:21
Hij roofde het zilver, het goud, de kostbare voorwerpen en de verborgen schatten die hij er vond 24en liet alles naar zijn land voeren. Hij richtte een bloedbad aan en liet zich daar schaamteloos op voorstaan. 25Heel Israël was in rouw gedompeld.

26Vorsten en leiders zuchtten,

meisjes en jongens kwijnden,

vrouwen verloren hun schoonheid.

27De bruidegom hief een klaagzang aan,

de bruid zat treurend in haar kamer.

28Het land beefde om zijn bewoners,

het volk van Jakob was met schaamte overladen.

29

1:29
2 Mak. 5:24-26
Na twee jaar stuurde de koning het hoofd van de belastingen naar de steden van Judea. Met een grote legermacht trok hij naar Jeruzalem. 30Hij wendde voor vrede te willen sluiten, maar zodra hij het vertrouwen van de inwoners had gewonnen deed hij onverhoeds een aanval op de stad. Hij richtte grote vernielingen aan en doodde vele Israëlieten. 31De stad werd geplunderd en in brand gestoken, de huizen en stadsmuren werden neergehaald, 32de vrouwen en kinderen krijgsgevangen gemaakt, het vee werd in beslag genomen. 33
1:33
2 Sam. 5:7-9
De Davidsburcht werd versterkt met een hoge, dikke muur en stevige torens. 34Er werd een groep overlopers in garnizoen gelegd, mannen die de wet verachtten; zij verschansten zich in de citadel. 35Ze sloegen er wapens en voedsel op, bewaarden er de oorlogsbuit uit Jeruzalem en lagen voortdurend op de loer.

36Ze waren een bedreiging voor het heiligdom,

een voortdurende plaag voor Israël.

37Rondom de tempel vergoten ze onschuldig bloed,

ze ontwijdden de heilige plaats.

38Jeruzalems inwoners vluchtten voor hen,

de stad werd tot woonplaats van vreemdelingen,

tot een vreemdeling voor haar nageslacht,

ze werd door haar kinderen verlaten.

39

1:39
Dan. 8:11-12
Haar heiligdom was leeg als de woestijn,

haar feesten werden dagen van rouw,

haar sabbatten werden bespot,

haar eer werd door het slijk gehaald.

40Zo groot als ooit haar eer was,

zo diep werd nu haar schande,

haar trots sloeg om in rouw.

41Toen gelastte de koning per brief zijn hele rijk om één volk te vormen 42en de eigen gebruiken op te geven. En alle volken voegden zich naar het woord van de koning. 43Zelfs veel Israëlieten gingen over tot zijn godsdienst, offerden aan afgodsbeelden en ontwijdden de sabbat. 44Per bode stuurde de koning brieven naar Jeruzalem en de steden van Judea waarin hij de naleving gelastte van gebruiken die het land vreemd waren. 45In de tempel mochten geen brandoffers, graanoffers en wijnoffers meer worden gebracht en sabbat en feestdagen moesten worden afgeschaft. 46De tempel en de priesters werden ontwijd. 47Er werden altaren gebouwd en heiligdommen en tempeltjes ingericht voor afgodsbeelden, en er werd vlees van varkens en andere onreine dieren geofferd. 48Ze mochten hun zonen niet meer besnijden en moesten zich verlagen tot allerlei onreine en onheilige praktijken. 49Zo zouden de wetten vergeten worden en alle voorschriften in onbruik raken. 50Iedereen die het gebod van de koning negeerde, zou worden gedood. 51Dergelijke bepalingen kondigde hij in heel zijn rijk af. Ook stelde hij inspecteurs aan die erop moesten toezien dat het volk in elke stad van Judea offers bracht. 52Veel Israëlieten die de wet maar al te graag naast zich neer wilden leggen, voegden zich naar de voorschriften van de inspecteurs, en ze richtten zo veel verschrikkingen aan in het land 53dat de overige Israëlieten zich in alle mogelijke schuilplaatsen moesten verbergen.

54

1:54
Dan. 9:27
11:31
1 Mak. 6:7
Op 15 kislew van het jaar 145 liet de koning een verwoestende gruwel op het altaar bouwen en in de andere steden van Judea liet hij altaren neerzetten. 55Voor de huisdeuren en op straat werd wierook gebrand. 56Werden er wetsrollen gevonden, dan werden deze verscheurd en verbrand. 57Wie in het bezit van zo’n verbondsrol bleek te zijn of volgens de wet leefde, werd op last van de koning ter dood gebracht. 58Maand na maand lieten de inspecteurs in Israël hun macht voelen door overtreders die ze in de steden aantroffen ter dood te brengen. 59En op de vijfentwintigste van de maand offerden ze op het afgodsaltaar dat boven op het oude altaar stond. 60
1:60
2 Mak. 6:10
De vrouwen die hun kinderen hadden laten besnijden, werden op grond van de verordening gedood, 61en zuigelingen werden opgehangen aan de hals van hun moeder. Ook hun huisgenoten en degenen die de besnijdenis hadden verricht werden gedood. 62
1:62
2 Mak. 6:19-20
7:42
Toch vonden velen in Israël de kracht zich te verzetten en geen onrein vlees te eten. 63Zij stierven nog liever dan dat zij zich door voedsel zouden verontreinigen en het heilige verbond zouden schenden, en ze werden dan ook ter dood gebracht. 64De toorn drukte zwaar op Israël.

2

Mattatias

21

2:1
1 Kron. 24:7
In die tijd deed Mattatias, de zoon van Johannes, de zoon van Simon, van zich spreken. Hij was een priester uit de familie van Jojarib uit Jeruzalem en woonde in Modeïn. 2Hij had vijf zonen: Johannes bijgenaamd Gaddi, 3Simon bijgenaamd Tassi, 4Judas bijgenaamd Makkabeüs, 5Eleazar bijgenaamd Avaran en Jonatan bijgenaamd Affus. 6Toen hij zag welke godslasterlijke taferelen zich in Judea en Jeruzalem afspeelden, 7zei hij:

‘Ach, ben ik geboren om te zien

hoe mijn volk wordt vernietigd,

hoe de heilige stad wordt verwoest?

Moet ik toezien

hoe de stad aan de vijand wordt uitgeleverd,

hoe het heiligdom in handen valt van vreemden?

8De tempel werd als een man zonder eer,

9het kostbare tempelgerei werd als buit weggevoerd.

Jeruzalems kinderen werden gedood in de straten,

haar jonge mannen vielen door het zwaard van de vijand.

10Welk volk bezit niet een deel van haar land,

heeft geen buit van haar bemachtigd?

11Beroofd is zij van al haar sieraden,

zij is een slavin, haar vrijheid is haar ontnomen.

12Onze heilige tempel is verwoest,

zijn pracht en praal zijn verdwenen,

vreemde volken hebben hem ontwijd.

13Waarom nog zouden wij leven?’

14Mattatias en zijn zonen scheurden hun kleren, trokken rouwgewaden aan en gaven zich over aan diepe rouw.

Begin van het verzet

15Op zekere dag kwamen er afgezanten van de koning naar Modeïn. Ze moesten het volk dwingen zijn godsdienst af te zweren en erop toezien dat ook daar geofferd werd. 16Veel Israëlieten gingen naar hen toe, en ook Mattatias en zijn zonen maakten hun opwachting. 17De afgezanten van de koning richtten zich tot Mattatias: ‘U bent een leider en bezit macht en aanzien in deze stad, uw zonen en uw verwanten staan achter u. 18Laat u de eerste zijn die het bevel van de koning opvolgt. Alle volken zijn u al voorgegaan, ook de inwoners van Judea en de mensen die nog in Jeruzalem wonen. Samen met uw zonen zult u tot de gunstelingen van de koning behoren, en u zult worden overladen met zilver, goud en vele andere geschenken.’ 19Maar Mattatias antwoordde met luide stem: ‘Zelfs al zijn alle volken in het rijk van de koning hem gehoorzaam, zelfs al wordt iedereen de godsdienst van zijn voorouders ontrouw door de bevelen van de koning op te volgen, 20dan nog zullen ik, mijn zonen en mijn verwanten trouw blijven aan het verbond van onze voorouders. 21God verhoede dat we de wet en de voorschriften verloochenen. 22Wij zullen het gebod van de koning niet gehoorzamen, noch zullen we ook maar een duimbreed afwijken van onze godsdienst.’ 23Hij was nog niet uitgesproken, of er trad voor het oog van de menigte een Jood naar voren die overeenkomstig het bevel van de koning een offer wilde brengen op het altaar in Modeïn. 24Mattatias zag het en werd woedend. Hij begon te trillen van verontwaardiging en liet, geruggensteund door de wet, zijn woede de vrije loop; hij rende op de man af en stak hem op het altaar neer. 25Meteen doodde hij ook de afgezant van de koning die het volk tot offeren moest dwingen en haalde het altaar neer. 26

2:26
Num. 25:6-15
Zo toonde hij zijn toewijding aan de wet, zoals ook Pinechas eens had gedaan met Zimri, de zoon van Salu. 27Daarna trok Mattatias door de stad en riep met luide stem: ‘Laat ieder die de wet is toegedaan en pal staat voor het verbond zich bij mij aansluiten.’ 28
2:28
2 Mak. 5:27
Hij vluchtte met zijn zonen de bergen in, hun bezittingen lieten zij achter in de stad.

29In die tijd trokken velen die rechtvaardig wilden leven en wilden vasthouden aan de wet naar de woestijn. Daar vestigden ze zich 30samen met hun kinderen, hun vrouwen en hun vee, want de toestand was ondraaglijk geworden. 31Algauw vernamen de koninklijke afgezanten en de troepen die in de Davidsburcht in Jeruzalem waren gelegerd dat er Israëlieten waren die het gebod van de koning hadden genegeerd en naar afgelegen schuilplaatsen waren gevlucht. 32

2:32-38
2 Mak. 6:11
Met een grote legermacht gingen ze hen achterna en toen ze hen hadden opgespoord, sloegen ze in de buurt hun kamp op. Ze maakten zich op om hen op sabbat aan te vallen 33en riepen: ‘Dit is jullie laatste kans! Als jullie in leven willen blijven, kom dan naar buiten en gehoorzaam het gebod van de koning.’ 34Maar het antwoord van de Israëlieten luidde: ‘We komen niet naar buiten en zullen het gebod van de koning niet gehoorzamen; wij ontwijden de sabbat niet.’ 35Onmiddellijk ging het leger tot de aanval over. 36De Israëlieten verweerden zich niet, ze gooiden geen stenen en sloten hun schuilplaatsen niet af. 37Ze zeiden: ‘We gaan liever in onschuld de dood in; de hemel en de aarde zijn onze getuigen dat jullie ons ten onrechte ombrengen.’ 38En zo werden zij op sabbat aangevallen en afgeslacht, mannen, vrouwen en kinderen, ongeveer duizend in getal, samen met hun vee.

39Toen Mattatias en de zijnen dit te weten kwamen, gaven zij zich over aan diepe rouw. 40Ze zeiden tegen elkaar: ‘Als we allemaal zo handelen als onze broeders, als we ons leven en onze voorschriften niet verdedigen tegen vreemde volken, zullen we spoedig van de aarde worden weggevaagd.’ 41En zij besloten die dag aldus: ‘Als iemand ons op sabbat aanvalt, vechten wij terug, zodat we niet allemaal omkomen zoals onze broeders die in hun schuilplaatsen gedood werden.’

42In die tijd voegde zich een groep chasideeën bij hen, strijdvaardige Israëlieten die bereid waren zich in te zetten voor de wet. 43

2:43
2 Mak. 8:1-7
Ook mensen die de onderdrukking waren ontvlucht, sloten zich bij hen aan om hun gelederen te versterken. 44Gezamenlijk brachten ze een leger op de been, en in woede en razernij doodden ze afvalligen en wetsverachters. Wie kon ontkomen vluchtte naar heidens gebied om zich in veiligheid te brengen. 45Mattatias en zijn vrienden trokken rond en haalden altaren neer. 46Als ze onbesneden jongens in het gebied van Israël vonden, dan lieten ze die onder dwang besnijden. 47Ze achtervolgden hun hoogmoedige vijanden, en hun verzet was succesvol. 48Ze redden de wet uit de greep van de heidenen en hun vorsten, en gunden de afvalligen geen macht.

Mattatias’ afscheidsrede

49Toen Mattatias voelde dat hij niet lang meer te leven had, zei hij tegen zijn zonen: ‘Nu breekt een tijd aan van hoogmoed en straf, van verschrikkingen en hevige toorn. 50Mijn zonen, toon jullie toewijding aan de wet en wees bereid je leven te geven voor het verbond van onze voorouders. 51Denk aan wat onze voorouders generaties lang hebben gedaan, dan zullen jullie eeuwige naam en faam verwerven. 52

2:52
Gen. 15:6
22:1-19
Rom. 4:3
Bleek Abraham niet trouw te zijn toen hij op de proef werd gesteld, en is hem dat niet als een rechtvaardige daad toegerekend? 53
2:53
Gen. 39:7-10
41:40-41
Jozef hield zich aan het gebod, zelfs toen hij in het nauw werd gebracht, en hij werd koning van Egypte. 54
2:54
Num. 25:6-13
Onze voorvader Pinechas ontving voor zijn grote toewijding de plechtige belofte van het eeuwige priesterschap. 55
2:55
Joz. 1:2
Jozua vervulde zijn opdracht en werd rechter over Israël. 56
2:56
Num. 13:30
14:6-9,24
Joz. 14:13-15
Kaleb getuigde voor het volk van zijn vertrouwen en kreeg daarom een deel van het land in zijn bezit. 57
2:57
2 Sam. 7:16
David verkreeg dankzij zijn vroomheid het eeuwige koningschap. 58
2:58
1 Kon. 18:21
19:10,14
2 Kon. 2:11-12
Elia werd in de hemel opgenomen omdat hij zich met volle overgave voor de wet had ingezet. 59
2:59
Dan. 3:16-30
Chananja, Azarja en Misaël vertrouwden op God en werden zo uit het vuur gered. 60
2:60
Dan. 6:21-24
Daniël werd wegens zijn onschuld uit de muil van leeuwen bevrijd. 61Hieruit blijkt dat ieder die zijn hoop op God vestigt wordt gesterkt, elke generatie opnieuw. 62Wees niet bang voor de woorden van de zondaar, want zijn roem zal vergaan tot mest en wormen. 63Vandaag wordt hij geëerd, maar morgen is hij verdwenen; hij zal weer tot stof worden, zijn plannen zullen op niets uitlopen. 64Mijn zonen, wees moedig en sta sterk voor de wet, want door de wet zullen jullie roem verwerven. 65Simon hier, jullie broer, is een goed raadsman, dat weet ik. Luister steeds naar hem, hij zal een vader voor jullie zijn. 66Judas Makkabeüs is van jongs af aan de sterkste geweest. Hij zal jullie legeraanvoerder zijn en de oorlog tegen de vreemde volken leiden. 67Verzamel om jullie heen al diegenen die de wet navolgen en wreek jullie volk. 68Reken af met de heidenen en houd vast aan wat de wet voorschrijft.’ 69Daarna zegende hij hen en werd hij met zijn voorouders verenigd. 70Hij stierf in het jaar 146 en werd bijgezet in het graf van zijn voorouders in Modeïn. Heel Israël rouwde om zijn dood.