Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
20

201

20:1-3
2 Sam. 12:26-31
20:1
2 Sam. 11:1
Bij het aanbreken van het voorjaar, de tijd waarin koningen gewoonlijk ten strijde trekken, leidde Joab een verwoestende veldtocht door Ammon. Hij sloeg het beleg voor Rabba, terwijl David zelf in Jeruzalem achterbleef. Nadat Joab de stad had ingenomen en met de grond gelijkgemaakt, 2nam David de koning van de Ammonieten de kroon van het hoofd. Deze kroon, waarin naar hij vaststelde een heel talent aan goud en een kostbare edelsteen waren verwerkt, rustte voortaan op Davids hoofd. Hij voerde een zeer grote buit uit de stad weg. 3Hij liet de inwoners buiten de stad brengen en met steenzagen in stukken zagen en met ijzeren houwelen doorklieven. Hetzelfde deed David met alle andere steden van Ammon. Daarna keerde hij met het hele leger naar Jeruzalem terug.

Heldendaden tegen het reuzengeslacht van de Refaïeten

4

20:4-8
2 Sam. 21:18-22
Enige tijd later was er een veldslag tegen de Filistijnen, bij Gezer. Maar Sibbechai uit Chusa doodde de Refaïet Sippai, en daarop gaven de Filistijnen zich gewonnen. 5
20:5
1 Sam. 17:4-7
Tijdens een andere veldslag tegen de Filistijnen werd Lachmi, de broer van Goliat uit Gat, gedood door Elchanan, de zoon van Jaïr. De schacht van Lachmi’s speer was zo dik als de boom van een weefgetouw. 6Tijdens weer een andere veldslag, ditmaal bij Gat, was er een reus die aan elke kant zes vingers en zes tenen had: vierentwintig in totaal. Ook hij was een Refaïet. 7Hij hoonde Israël en werd gedood door Jonatan, een zoon van Davids broer Sima. 8Dit waren de Refaïeten uit Gat die werden geveld door David en zijn soldaten.

21

De volkstelling

211

21:1-27
2 Sam. 24:1-25
Satan keerde zich tegen Israël en zette David ertoe aan in Israël een volkstelling te houden. 2De koning zei tegen Joab en tegen de bevelhebbers van het leger: ‘Houd in Israël een volkstelling, van Berseba tot Dan, en breng mij de uitslag, zodat ik weet hoe groot het is.’ 3Joab antwoordde: ‘Al zou de HEER zijn volk nog honderdmaal zo groot maken als nu, mijn heer en koning, het blijven allen dienaren van mijn heer. Dus waarom wilt u dit? Waarom zou u schuld op Israël laden?’ 4Maar het woord van de koning was wet, dus ging Joab op weg. Hij trok heel het land door, en ten slotte kwam hij weer terug in Jeruzalem. 5Hij meldde de uitkomst van de volkstelling aan David: Israël telde één miljoen honderdduizend mannen die de wapens konden hanteren en Juda vierhonderdzeventigduizend. 6Omdat de opdracht van de koning Joab tegen de borst stuitte, had hij de stammen Levi en Benjamin niet ingeschreven.

7Het was slecht in Gods ogen dat dit was gebeurd, daarom strafte hij Israël. 8Hierop zei David tegen God: ‘Ik heb ernstig gezondigd met mijn daad. Vergeef uw dienaar zijn zonde; ik ben een dwaas geweest.’ 9De HEER sprak tot Gad, de ziener van David: 10‘Ga naar David en zeg hem: “Dit zegt de HEER: Hier heb je drie straffen. Kies er een uit; die zal ik je opleggen.”’ 11Gad ging naar David en zei tegen hem: ‘Dit zegt de HEER: Alsjeblieft, wat heb je liever? 12Drie jaar hongersnood, drie maanden – voortdurend belaagd door het zwaard van je tegenstanders – opgejaagd worden door je vijanden, of drie dagen getroffen worden door het zwaard van de HEER: de pest in het land, een engel van de HEER die in het hele gebied van Israël dood en verderf zaait? Zegt u maar wat voor antwoord ik moet geven aan degene die mij gezonden heeft.’ 13David antwoordde: ‘Ik ben in het nauw gedreven! Liever val ik in handen van de HEER, wiens mededogen zeer groot is, dan dat ik in mensenhanden val.’

14De HEER liet in Israël de pest uitbreken. Zeventigduizend Israëlieten vonden de dood. 15God stuurde zijn engel ook naar Jeruzalem om daar dood en verderf te zaaien, maar toen hij het onheil zag dat werd aangericht, begon hij het te betreuren. ‘Genoeg!’ zei hij tegen de engel. ‘Laat je hand zakken!’ De engel van de HEER stond bij het bergterras waar de Jebusiet Ornan zijn graan dorste. 16Toen David opkeek zag hij de engel van de HEER tussen aarde en hemel staan, het blanke zwaard uitgestrekt over Jeruzalem. David en de oudsten wierpen zich, gehuld in een boetekleed, ter aarde 17en David zei tegen God: ‘Ik was het toch die opdracht heeft gegeven tot een volkstelling? Ik ben het die gezondigd heeft; ik ben het die verkeerd heeft gehandeld. Maar deze arme schapen, wat hebben zij misdaan? HEER, mijn God, hef uw hand toch op tegen mij en mijn familie, in plaats van uw volk met deze plaag te treffen!’

18De engel van de HEER droeg Gad op tegen David te zeggen dat hij naar de dorsvloer van de Jebusiet Ornan moest gaan om daar een altaar voor de HEER op te richten. 19David ging naar boven, zoals Gad hem in naam van de HEER had opgedragen. 20Ook Ornan had, toen hij opkeek, de engel zien staan. Zijn vier zonen, die bij hem waren, verstopten zich, maar Ornan ging door met dorsen. 21David ging naar Ornan. Zodra hij David zag naderen, ging hij hem vanaf de dorsvloer tegemoet en knielde voor hem neer. 22David zei tegen hem: ‘Verkoop mij het terrein waarop u uw graan dorst, zodat ik er een altaar kan bouwen voor de HEER. Ik zal u er de volle prijs voor betalen, zodat het volk van deze plaag wordt verlost.’ 23Ornan antwoordde: ‘Neem het, mijn heer en koning, en doe wat goed is in uw ogen. Alstublieft: mijn runderen voor het brandoffer, mijn dorsslede als brandhout en mijn koren voor het graanoffer, dit alles schenk ik u.’ 24‘Nee,’ antwoordde koning David, ‘ik wil er de volle prijs voor betalen. Ik ga niet iets dat van u is aan de HEER opdragen, en geen brandoffer brengen dat me niets heeft gekost.’ 25David betaalde Ornan zeshonderd sjekel goud voor het terrein. 26Hij bouwde er een altaar voor de HEER en bracht brandoffers en vredeoffers. Hij riep de HEER aan, en de HEER antwoordde hem door vanuit de hemel vuur te laten neerdalen op het altaar waarop het brandoffer lag. 27En de HEER droeg de engel op zijn zwaard weer in de schede te steken.

28Toen David daar op de dorsvloer van de Jebusiet Ornan zag dat de HEER hem verhoord had, bracht hij daar nog meer offers. 29De tabernakel van de HEER, die Mozes in de woestijn had gemaakt, en het brandofferaltaar bevonden zich in die tijd op de offerhoogte van Gibeon. 30Daarheen had David echter niet durven gaan om God om raad te vragen, zo veel angst had het zwaard van de engel van de HEER hem ingeboezemd.

22

221Hij verklaarde: ‘Dit is de verblijfplaats van God, de HEER. Dit is voor Israël het brandofferaltaar.’

Voorbereidingen voor de tempelbouw

2

22:2
1 Kon. 5:31
David gaf opdracht om alle vreemdelingen in Israël op te roepen en stelde hen aan als steenhouwers om stenen te houwen voor de bouw van de tempel van God. 3Hij legde een grote voorraad ijzer aan om er spijkers en klinknagels voor de poortdeuren van te maken, een grote voorraad koper, zo veel dat het niet te wegen was, 4en verzamelde een ontelbaar aantal cederstammen, die hem door de Sidoniërs en Tyriërs in overvloed werden geleverd. 5
22:5
1 Kron. 29:1-2
David dacht namelijk bij zichzelf: Mijn zoon Salomo is nog jong en onervaren, en de tempel die voor de HEER zal worden gebouwd moet zo groots en indrukwekkend worden dat hij over de hele wereld geroemd en bewonderd wordt. Laat ik daarom vast voorbereidingen treffen. Dus trof David voor zijn dood nog een groot aantal voorbereidingen.

6David riep zijn zoon Salomo bij zich en droeg hem op een tempel te bouwen voor de HEER, de God van Israël. 7

22:7-11
1 Kron. 17:1-14
28:2-7
Hij zei hem: ‘Ik had graag zelf een tempel gebouwd voor de naam van de HEER, mijn God. 8Maar de HEER heeft zich tot mij gericht met de woorden: “Jij hebt ten overstaan van mij veel bloed vergoten en grote oorlogen gevoerd. Daarom zul jij geen huis bouwen voor mijn naam, je hebt te veel bloed vergoten. 9Maar je zult een zoon krijgen. Hij zal een man van vrede zijn, want ik zal hem rust geven door hem van al zijn vijanden te verlossen. Salomo zal hij daarom heten; tijdens zijn bewind zal ik Israël rust en vrede schenken. 10Hij zal een huis bouwen voor mijn naam. Hij zal voor mij een zoon zijn en ik voor hem een vader, en ik zal ervoor zorgen dat zijn troon in Israël niet zal wankelen.” 11Welnu, mijn zoon, moge de HEER je terzijde staan, zodat je zult slagen en voor de HEER, je God, een tempel zult bouwen zoals hij over jou heeft voorzegd. 12Ik hoop dan ook dat de HEER je verstand en inzicht zal schenken zodat je, wanneer hij je over Israël aanstelt, de wetten van de HEER, je God, zult naleven. 13
22:13
Joz. 1:6-9
Wanneer je je houdt aan de bepalingen en regels die de HEER met betrekking tot Israël aan zijn dienaar Mozes heeft opgedragen, zul je zeker slagen. Wees vastberaden en standvastig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen. 14Kijk, ik heb al voorbereidingen getroffen voor de bouw van een tempel voor de HEER en daarbij kosten noch moeite gespaard: honderdduizend talent goud en een miljoen talent zilver, een hoeveelheid koper en ijzer, niet te wegen zo groot, en een voorraad balken en stenen. Jij moet die voorraden nog uitbreiden. 15Een menigte werklieden staat tot je beschikking: steenhouwers, metselaars en houtsnijders, vaklieden op allerlei gebied. 16En goud, zilver, koper en ijzer is er in overvloed, dus je kunt meteen aan het werk. Moge de HEER je terzijde staan.’

17David riep alle leiders van Israël op om zijn zoon Salomo te steunen: 18‘Staat de HEER, uw God, u niet terzijde? Heeft hij u geen rust verschaft aan al uw grenzen? Hij heeft immers de vroegere inwoners van dit land aan mij uitgeleverd, zodat het land kon worden veroverd voor de HEER en zijn volk. 19Welnu, richt u met hart en ziel naar de HEER, uw God, en begin zo snel mogelijk een heiligdom te bouwen voor God, de HEER, zodat de ark van het verbond met de HEER en de heilige voorwerpen van God kunnen worden overgebracht naar de tempel die voor de naam van de HEER zal worden gebouwd.’