Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

De mensen in Juda worden gewaarschuwd

21Volk van Juda, wat zijn jullie slecht! Denk toch na en begrijp hoe erg het is. 2Doe dat voordat de Heer zijn plannen uitvoert. Want de tijd gaat snel. Doe het voordat de Heer jullie zijn woede laat voelen. Voordat hij jullie straft, voordat de dag van de Heer begint.

3Maar sommigen van jullie zijn trouw aan de Heer en leven volgens zijn wetten. Zij moeten zich alleen op hem richten, en goed en eenvoudig proberen te leven. Misschien zullen ze dan veilig zijn op de dag van de Heer.

De Heer straft alle vijanden

De Filistijnen worden gestraft

4In de stad Gaza zal niemand meer wonen. Askelon wordt een kale vlakte. Uit Asdod wordt iedereen weggejaagd op het heetst van de dag. En de stad Ekron zal verdwijnen. 5Luister, Filistijnen! Jullie zijn uit Kreta gekomen, jullie wonen nu in Kanaän, in de buurt van de zee. Maar het zal slecht met jullie aflopen. De Heer zal zorgen dat daar niemand van jullie meer blijft wonen.

6-7In het land van de Filistijnen groeit dan alleen nog maar gras. Hun land is dan voor de mensen uit Juda die nog in leven zijn. Die laten er hun dieren eten, en er staan schuren voor de schapen en de geiten. En zelf zullen ze ’s avonds gaan slapen in de huizen van Askelon. Want de Heer zal medelijden hebben met de mensen uit Juda. En hij zal zorgen dat er een nieuwe tijd voor hen komt.

De Moabieten en de Ammonieten worden gestraft

8-9De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Ik heb gehoord hoe de Moabieten lachen om mijn volk. En hoe de Ammonieten mijn volk beledigen. Ze zeggen dat het land Juda niets voorstelt. Daarom zal er met het land van die volken hetzelfde gebeuren als met de steden Sodom en Gomorra: hun land wordt voor altijd een kale vlakte waar niets meer wil groeien. De mensen uit Juda die nog in leven zijn, zullen alles uit de huizen van de Moabieten en de Ammonieten stelen. En ze zullen hun land in bezit nemen.’

10Zo zal de machtige Heer die volken straffen. Want ze vinden zichzelf geweldig, en ze lachen om het volk van de Heer. 11Maar ze zullen bang worden voor de Heer. Want hij zal de goden van de hele wereld vernietigen. Dan zullen alle mensen hem gaan dienen, overal op aarde.

De Nubiërs en de Assyriërs worden gestraft

12De Heer zal naar het zuiden gaan. Hij zal zorgen dat het volk van Nubië sterft in een oorlog.

13De Heer zal ook naar het noorden gaan. Hij zal Assyrië straffen, hij zal dat land verwoesten. Er zal niemand meer wonen in Nineve. Die stad wordt een plaats waar niets meer wil groeien. 14Er komen alleen maar wilde dieren. Die vinden er een plek om te rusten. Uilen en kraaien slapen er tussen het puin. De wind blaast door de gaten in de muren. De deuren zijn kapot, de stukken hout liggen op de grond.

15Dat blijft er over van die stad, die nu nog vrolijk is. Nu denken de mensen nog dat ze daar veilig zijn. Ze zeggen: ‘Er is maar één Nineve!’ Maar ach, die stad wordt een verlaten vlakte. Wilde dieren vinden er een plek om te rusten. Iedereen die er komt, slaat van schrik zijn hand voor zijn mond.

3

De toekomst van Jeruzalem

Jeruzalem verzet zich tegen God

31Het gaat niet goed met Jeruzalem! Er is veel geweld in de stad. De mensen zijn er slecht, en ze verzetten zich tegen God. 2Ze willen niet luisteren, ze willen niet horen hoe het beter kan. Ze vertrouwen niet op de Heer en vragen hem niet om hulp.

3De bestuurders van de stad zijn net brullende leeuwen. De rechters zijn net hongerige wolven. Die vangen ’s avonds iets, en ’s ochtends is er geen stukje vlees meer over. 4De profeten zijn opscheppers en bedriegers. De priesters hebben geen respect voor de tempel en trekken zich niets aan van Gods wetten.

5Toch woont de Heer nog in de stad. Hij is rechtvaardig, hij doet geen onrecht. Elke dag spreekt hij recht, elke ochtend weer. Maar dat maakt geen indruk op slechte mensen.

6De Heer zegt tegen Jeruzalem: ‘Ik heb hele volken vernietigd. De muren van hun steden heb ik verwoest, in de straten ligt alleen nog maar puin. Er komt niemand meer. De steden zijn verdwenen, en ook de mensen die er woonden. 7Ik dacht dat jullie in Jeruzalem daar iets van zouden leren. En dat jullie eerbied voor mij zouden krijgen. Dan zou ik jullie niet gaan straffen en jullie huizen niet gaan verwoesten. Maar jullie hebben alles juist nog erger gemaakt.’

De Heer gaat zijn besluit uitvoeren

8De Heer zegt: ‘Wacht maar! Wacht op de dag dat ik mijn besluit ga uitvoeren. Ik ga alle volken bij elkaar halen. Ik ga de hele wereld mijn woede laten voelen. De hele aarde zal in brand staan.

9Daarna zal ik alle volken een nieuwe taal geven. Een zuivere taal, waarmee ze mij als God zullen vereren. Allemaal samen zullen ze mij dienen. 10Ook in verre landen leven mensen die mij vereren. Ik heb hen daar zelf heen gestuurd. Maar ze zullen terugkeren naar Jeruzalem, en mij daar weer offers brengen.

11Jeruzalem, jij bent tegen mij in opstand gekomen. Dat is verschrikkelijk. Maar alles zal anders worden. Er zullen geen trotse mensen meer zijn op de berg waar mijn tempel staat. Niemand denkt meer dat hij zonder mij kan. 12Er zullen alleen nog maar arme en eenvoudige mensen zijn. Zij zullen veilig zijn bij mij. Daar zal ik voor zorgen.

13De Israëlieten die er nog zijn, zullen geen misdaden meer plegen. Ze zullen niet meer liegen en bedriegen. Ze zullen rustig leven op de plek waar ze wonen. Ze hoeven voor niemand meer bang te zijn.’

Er komt weer vreugde in Jeruzalem

14Juich van vreugde, inwoners van Sion! Laat horen dat jullie blij zijn, mensen van Jeruzalem! Heel Israël moet juichen! 15De Heer zal jullie niet langer straffen. Hij jaagt jullie vijanden weg. Jullie hoeven nergens meer bang voor te zijn. De Heer is de koning van Israël, hij is bij jullie.

16Iedereen zal tegen jullie zeggen dat je niet bang hoeft te zijn en geen angst hoeft te voelen. 17De Heer, jullie God, zal bij jullie zijn. Hij is machtig, hij zal jullie bevrijden. Hij houdt van jullie en zal jullie vergeven. Hij zal blij zijn over jullie, en juichen van vreugde.

Het volk mag terugkeren

18-19De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Sommigen van jullie hebben veel verdriet. Want zij leven ver weg, en ze kunnen niet naar de tempel komen om feest te vieren. Dat is verschrikkelijk voor Jeruzalem.

Maar ik zal die mensen terugbrengen! En ik zal de volken straffen die hen gevangen houden. Ik zal iedereen terughalen, ook de allerzwaksten van hen. Nu heeft niemand respect voor hen. Maar dan zal de hele wereld weten wie ze zijn. 20In die tijd breng ik hen allemaal hierheen terug. Alle volken op aarde zullen dat weten. En jullie zullen zien dat het weer goed met jullie gaat. Daar zal ik voor zorgen.’ Dat is wat de Heer gezegd heeft.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]