Bijbel in Gewone Taal (BGT)
9

De toekomst van Gods volk

De Heer zal heersen over alle volken

91-3Hier volgt een boodschap over de toekomst.

De woorden van de Heer klinken overal! Hij spreekt in het land Chadrach, en ook in de stad Damascus. Hij spreekt in Hamat, het land naast Chadrach, en hij spreekt ook in de steden Tyrus en Sidon. Alle mensen zullen hem vereren, samen met het volk van Israël.

De mensen in Tyrus zijn slim en rijk. Ze hebben sterke muren om hun stad gebouwd, en ze hebben heel veel goud en zilver. 4Maar de Heer zal Tyrus arm maken. Al het goud en zilver verdwijnt in zee, en de stad zelf zal afbranden.

5De Filistijnen zullen schrikken als ze dat horen. De mensen in de stad Askelon worden bang. De mensen in Gaza beven van angst, en de inwoners van Ekron hebben geen hoop meer. De koning van Gaza verdwijnt uit de stad. Uit Askelon vlucht iedereen weg. 6En in Asdod wonen alleen nog maar vreemdelingen.

De Heer zal de trotse Filistijnen straffen. 7Hij zal ervoor zorgen dat ze geen vlees meer kunnen eten waar nog bloed in zit. En ook geen vlees dat geofferd is aan hun goden. Want dat voedsel is onrein.

De Filistijnen die in leven blijven, zullen de God van Israël gaan dienen. Ze zullen bij zijn volk horen, en samen met hen in Juda wonen. Ook de mensen uit Ekron zullen bij Israël horen, net als vroeger de Jebusieten.

8De Heer zal zelf zijn volk beschermen. Er komen geen vreemde legers meer in het land, en het volk wordt niet meer onderdrukt. De Heer zal daar zelf voor zorgen.

Er komt een nieuwe koning

9Dit zegt de Heer: ‘Op de berg Sion moet iedereen juichen! In Jeruzalem moet iedereen vrolijk zijn! Want jullie koning komt eraan. Hij is rechtvaardig, en hij overwint zijn vijanden. Hij is vriendelijk. En hij rijdt op een ezel, op een jonge ezel.

10Dan komt er een einde aan alle oorlog. Alle wapens worden vernietigd. En er zullen geen strijdwagens en geen paarden meer zijn in Israël en Jeruzalem.

Jullie koning zal zorgen dat er vrede komt tussen de volken. Hij zal heersen over de hele aarde: van het oosten tot het westen, van het noorden tot het zuiden.’

De Heer maakt zijn volk weer gelukkig

11Dit zegt de Heer tegen de inwoners van Jeruzalem: ‘Jullie zijn mijn volk, en ik ben jullie God. Ik haal alle mensen terug die nog gevangen zitten in Babylonië. 12Ze krijgen waar ze naar verlangen: ze mogen terugkeren naar Jeruzalem. Daar zullen ze veilig zijn. Ze hebben het heel moeilijk gehad, maar nu zal ik zorgen dat ze weer gelukkig worden.

13Ik zal jullie gebruiken als wapens in het gevecht. De mensen uit Juda en Israël zijn mijn pijl en boog, de mensen uit Jeruzalem zijn mijn zwaard. Met jullie zal ik de Grieken verslaan.’

De Heer zal zijn volk beschermen

14God, de Heer, zal boven zijn volk verschijnen in de lucht. Hij zal de vijand aanvallen. Dan flitst de bliksem, dan klinkt de donder, en dan waait er een storm uit het zuiden. 15Zo zal de machtige Heer zijn volk beschermen.

De Israëlieten zullen de wapens van hun vijanden vernietigen. Ze zullen niets van hun vijanden overlaten. Ze zullen hun bloed drinken tot ze er dronken van zijn. Ze zullen drinken tot ze niet meer kunnen, tot het bloed over hen heen stroomt.

16De Heer, hun God, zal hen redden, zoals een herder zijn schapen redt. Het land zal schitterend zijn als zij er weer wonen. 17Alles is er prachtig, alles is er mooi. Er zal genoeg graan en wijn zijn. Dat maakt de jonge mensen weer sterk.

10

De Heer laat alles groeien

101Je moet de Heer om regen vragen als het lente wordt. Hij maakt de wolken en de wind. Hij alleen geeft regen aan de mensen, hij alleen laat alles groeien op het land.

2Je kunt op afgoden niet vertrouwen. Waarzeggers vertellen leugens, hun voorspellingen komen niet uit. Ze kunnen je niet helpen.

De mensen zijn ongelukkig, want er is niemand die voor hen zorgt. Ze zijn alleen, ze lijken op schapen die geen herder hebben.

De Heer zal zijn volk sterk maken

3De Heer is woedend op de onderdrukkers van zijn volk. Hij zal hen straffen.

De machtige Heer zal voor zijn volk zorgen, zoals een goede herder voor zijn schapen zorgt. Hij zal het volk van Juda weer sterk maken, zodat ze voor hem kunnen vechten. 4Ze zullen sterke leiders krijgen om hen te leiden in de strijd.

5De Heer zal hen helpen, zodat ze hun vijanden kunnen verslaan. Ze zullen hun vijanden vertrappen in de modder. Ze zullen zelfs de ruiters en hun paarden op de vlucht jagen.

De Heer zal zijn volk terugbrengen

6Dit zegt de Heer: ‘Ik zal het volk van Juda sterk maken en de Israëlieten redden. Ik zal voor hen zorgen en hen naar hun land terugbrengen. Ik had hen weggejaagd, maar het zal weer worden zoals vroeger. Ik ben de Heer, hun God, en ik zal naar hun gebeden luisteren.

7De Israëlieten zullen hun vijanden verslaan. Ze zullen blij zijn en feestvieren. En als hun kinderen dat zien, zullen ze voor mij juichen van blijdschap.

De Heer zal de Israëlieten redden

8Ik zal de Israëlieten redden. Ik zal hen roepen en hen bij elkaar brengen. Ze zullen weer een groot volk worden, net zo groot als vroeger. 9Ze zullen kinderen krijgen in de verre landen waar ze nu zijn. Daar zullen ze aan mij blijven denken. En als hun kinderen groot zijn, zullen ze samen met hen terugkomen naar hun land.

10Ik zal de Israëlieten terughalen uit Egypte en Assyrië. Ik breng hen naar hun eigen land. Ik breng hen ook naar het gebied Gilead en naar de Libanon-bergen. En zelfs dan zal er niet genoeg plaats voor hen zijn.

11De Israëlieten zullen door een gevaarlijke zee trekken, maar ze zullen sterker zijn dan de golven. Ook het diepe water van de Nijl zal voor hen opzij gaan.

Assyrië wordt verslagen, en er komt een einde aan de macht van Egypte. 12Ik, de Heer, zal de Israëlieten sterk maken. Zij zullen mij eren, en leven zoals ik het wil.’

Dat heeft de Heer gezegd.

11

Een lied over verwoesting

111‘Libanon-bergen, het vuur komt eraan!

Houd de vlammen niet tegen,

laat je cederbomen verbranden.

2Huil maar, hoge cipressen,

want de ceders zijn gevallen,

die geweldige bomen zijn verwoest.

Huil maar, eiken in Basan,

want de bossen op de Libanon-bergen zijn verdwenen.

3De herders huilen en klagen,

want er is geen gras meer voor hun schapen.

De sterke leeuwen brullen,

want ze kunnen nergens meer schuilen,

de bomen en struiken bij de Jordaan zijn verwoest.’

Zacharia moet gaan werken als herder

4De Heer, mijn God, zei tegen me: ‘Je moet gaan werken als herder, bij schapen die geslacht zullen worden. 5Als die schapen verkocht zijn, worden ze geslacht. Niemand voelt zich daar schuldig over. De eigenaars van de schapen danken mij voor het geld dat ze zo verdienen. En de herders hebben geen medelijden met de schapen.

6Ik, de Heer, ben net als die herders: ik heb geen medelijden meer met de mensen in dit land. Ik laat ze met elkaar vechten, ik laat ze alleen met hun koningen. Laten ze het land maar verwoesten, ik zal hen niet redden.’

Zacharia werkt bij de schapenhandelaars

7Ik deed wat de Heer tegen mij zei. Ik ging werken voor de schapenhandelaars. Ik zorgde voor de schapen die geslacht zouden worden. Daarbij gebruikte ik twee stokken. Ik noemde de ene stok Goedheid en de andere Eenheid.

8Ik stuurde in één maand drie andere herders weg. Want zij hadden geen respect voor mij en ik had geen geduld met hen. 9Daarna zei ik: ‘Ik wil niet meer voor de schapen zorgen. Als ze doodgaan, gaan ze maar dood. Als ze verdwalen, verdwalen ze maar. En laat de rest elkaar maar opeten.’

10Ik pakte de stok die Goedheid heette. Die brak ik in stukken, want ik wilde niet meer voor de schapen zorgen. Zo liet ik zien dat de Heer niets meer te maken wilde hebben met zijn volk. 11En zo ging het ook vanaf die dag.

Zacharia wordt voor zijn werk betaald

De schapenhandelaars letten goed op mij. Ze begrepen dat ik al die dingen namens de Heer deed. 12Ik zei tegen hen: ‘Als jullie nu tevreden zijn, geef me dan mijn loon. Maar als jullie niet tevreden zijn, hoef ik het niet te hebben.’ Toen gaven ze me 30 zilverstukken.

13De Heer zei tegen mij: ‘Is dat alles wat ze je willen betalen? Breng dat geld maar naar de tempel. Dan kan het daar bewaard worden.’ Ik pakte de 30 zilverstukken, en ik bracht ze naar de tempel.

14Daarna brak ik ook de andere stok in stukken, de stok die Eenheid heette. Zo liet ik zien dat er geen eenheid meer was tussen de mensen in Juda en de mensen in Israël.

Zacharia moet doen alsof hij een slechte herder is

15Toen zei de Heer tegen mij: ‘Je moet nog een keer doen alsof je een herder bent, een slechte herder. 16Want ik zal zorgen dat er in het land een slechte leider komt. Een leider die niet zorgt voor het volk. Een leider die lijkt op een slechte herder, die niet goed voor zijn schapen zorgt. Hij kijkt niet hoeveel schapen er ontbreken. Hij gaat niet op zoek naar de schapen die verdwaald zijn. Hij zorgt niet voor de zieke schapen, en hij geeft de gezonde schapen niet goed te eten. Maar hij eet wel het vlees van de vette schapen, hij laat geen stukje vlees aan de botten zitten.

17Het zal slecht aflopen met die slechte herder, die zijn schapen in de steek laat! Zijn arm zal worden afgehakt, en zijn rechteroog zal worden uitgestoken. Dan raakt hij al zijn kracht kwijt, en dan kan hij niet meer zien.’