Bijbel in Gewone Taal (BGT)
14

De vrouw met de olie

Het plan om Jezus te doden

141Het was vlak voor het Joodse Paasfeest. Joden eten dan brood zonder gist. De priesters en de wetsleraren wilden Jezus doden. Ze maakten een plan om hem in het geheim gevangen te nemen. 2Ze dachten: Dat moeten we niet midden op het feest doen. Anders komt het volk in opstand.

Een vrouw giet olie over Jezus heen

3Jezus was in Betanië. Hij was op bezoek bij Simon, die Simon met de Huidziekte genoemd werd. Tijdens het eten kwam er een vrouw binnen. Ze had een flesje met olie bij zich, het was heel dure olie met een lekkere geur. Ze opende het flesje en goot de olie over Jezus’ hoofd.

4Een paar mensen werden boos. Ze riepen: ‘Zonde van die dure olie! 5Die hadden we kunnen verkopen voor een enorm bedrag. En dat geld hadden we aan arme mensen kunnen geven!’ Zo gingen ze tegen de vrouw tekeer.

De vrouw heeft iets goeds gedaan

6Maar Jezus zei: ‘Laat haar met rust. Doe niet zo boos tegen haar. Ze heeft iets goeds voor mij gedaan. 7Arme mensen zullen er altijd zijn. Je kunt hen helpen wanneer je maar wilt. Maar ik zal niet altijd bij jullie zijn. 8Deze vrouw heeft gedaan wat ze kon. Zij heeft mij verzorgd met geurige olie. Daardoor is mijn lichaam klaar om begraven te worden.

9Luister goed naar mijn woorden: Als het goede nieuws verteld wordt, zal er ook over deze vrouw verteld worden. Overal in de wereld zullen de mensen horen wat zij gedaan heeft.’

Judas helpt de priesters

10-11Judas Iskariot, één van de twaalf leerlingen, ging naar de priesters. Hij zei: ‘Ik zal jullie helpen om Jezus gevangen te nemen.’ De priesters waren daar blij mee. Ze wilden Judas er zelfs voor betalen. En Judas begon na te denken over een goed moment om Jezus gevangen te nemen.

De laatste maaltijd

De paasmaaltijd wordt klaargemaakt

12Het was de eerste dag van het Joodse Paasfeest. Op die dag slachten Joden een lam voor de paasmaaltijd. De leerlingen zeiden tegen Jezus: ‘Waar zullen we de paasmaaltijd voor vanavond gaan klaarmaken?’

13-14Jezus stuurde twee leerlingen op weg. Hij zei: ‘Ga naar de stad. Daar zul je een man tegenkomen die een kruik met water draagt. Ga achter hem aan totdat hij ergens naar binnen gaat. Zeg dan tegen de eigenaar van dat huis: ‘Onze meester vraagt waar hij met zijn leerlingen de paasmaaltijd kan vieren.’ 15Dan zal die man jullie naar boven brengen. Daar is een grote kamer, waar alles al klaarstaat. Daar moeten jullie de maaltijd klaarmaken.’

16De twee leerlingen gingen op weg naar de stad. Alles ging precies zoals Jezus gezegd had. De leerlingen maakten de paasmaaltijd klaar. 17’s Avonds kwamen ook Jezus en de andere leerlingen.

Eén leerling gaat Jezus uitleveren

18Tijdens het eten zei Jezus: ‘Luister goed naar mijn woorden: Eén van jullie zal mij uitleveren. Iemand die nu met mij eet.’ 19Daar werden de leerlingen verdrietig van. Eén voor één vroegen ze aan Jezus: ‘Dat ben ik toch niet?’

20Jezus antwoordde: ‘Het is één van jullie twaalf, iemand die uit dezelfde schaal eet als ik. 21De Mensenzoon zal sterven, dat staat in de heilige boeken. Maar wat een ramp voor de man die mij uitlevert! Die man had beter niet geboren kunnen worden.’

Jezus deelt brood en wijn uit

22Tijdens het eten nam Jezus een brood. Hij dankte God. Hij brak het brood in stukken en deelde het uit. Hij zei: ‘Kijk, dit is mijn lichaam.’

23Daarna nam hij een beker wijn. Hij dankte God en liet de beker rondgaan. Iedereen dronk eruit. 24En Jezus zei: ‘Dit is mijn bloed. Als ik gedood word, zal mijn bloed vloeien. Maar daardoor zullen veel mensen gered worden. Dat heeft God beloofd.’

25Jezus zei ook: ‘Luister goed naar mijn woorden: Vanaf nu zal ik geen wijn meer drinken. Ik zal pas weer wijn drinken in Gods nieuwe wereld.’

26Toen zongen Jezus en zijn leerlingen een lied om God te danken. Daarna gingen ze op weg naar de Olijfberg.

Jezus wordt gevangengenomen

De leerlingen zullen Jezus in de steek laten

27Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Jullie zullen mij allemaal in de steek laten. Want God zegt in de heilige boeken: «Ik zal de herder doden, en de schapen zullen alle kanten op rennen.» 28Maar luister goed: Ik zal opstaan uit de dood. En dan ga ik naar Galilea, en daar zullen jullie mij zien.’

29Maar Petrus zei: ‘Misschien zullen alle anderen u in de steek laten, maar ik niet!’ 30Jezus antwoordde: ‘Luister goed, Petrus. Jij zult drie keer zeggen dat je mij niet kent. Dat zal vannacht gebeuren, nog voordat de haan twee keer gekraaid heeft.’

31Maar Petrus zei heel beslist: ‘Nee, ik laat u niet in de steek! Als het moet, wil ik zelfs samen met u sterven!’ En alle andere leerlingen zeiden hetzelfde als Petrus.

Jezus bidt in Getsemane

32Ze kwamen bij een plek die Getsemane heette. Jezus zei tegen de leerlingen: ‘Ik ga bidden. Blijf hier wachten tot ik terugkom.’ 33Hij nam alleen Petrus, Jakobus en Johannes mee.

Toen werd Jezus onrustig en bang. 34Hij zei: ‘Ik houd het niet meer uit, zo verdrietig ben ik. Blijven jullie maar hier, en zorg dat je wakker blijft.’

35-36Jezus liep een klein stukje verder. Hij knielde op de grond en begon te bidden: ‘Vader, alstublieft! Geef dat ik niet hoef te lijden. Abba, Vader, voor u is alles mogelijk. Houd toch dit zware lijden bij mij weg! Maar doe alleen wat u wilt, niet wat ik wil.’

37Jezus ging terug naar de drie leerlingen. Ze lagen te slapen. Hij zei tegen Simon Petrus: ‘Simon, je slaapt! Kun je niet eens één uur wakker blijven? 38Blijf toch wakker! Bid God om kracht, zodat je geen verkeerde keuze maakt. Want jullie willen wel het goede kiezen, maar jullie zijn zwak.’

Jezus bidt opnieuw

39Jezus ging opnieuw bidden. Hij sprak hetzelfde gebed uit als daarvoor. 40Toen hij terugkwam, lagen de leerlingen alweer te slapen. Ze konden hun ogen gewoon niet openhouden. Ze wisten niet wat ze tegen Jezus moesten zeggen.

41Toen Jezus voor de derde keer terugkwam, zei hij: ‘Nu moeten jullie niet langer slapen en uitrusten. Het is zover. Het moment is gekomen dat de Mensenzoon uitgeleverd wordt aan slechte mensen.’

Judas komt eraan

42Jezus zei: ‘Kom, we moeten gaan. De man die mij gaat uitleveren, is dichtbij.’ 43Terwijl Jezus dat zei, kwam Judas eraan. Hij was één van de leerlingen. Hij had een groep mannen bij zich met zwaarden en stokken. Ze waren gestuurd door de priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk.

44Judas had van tevoren met die mannen een teken afgesproken. Hij had gezegd: ‘Ik zal één man groeten met een kus. Dat is de man die jullie moeten hebben. Die moeten jullie gevangennemen. Neem hem mee en bewaak hem goed.’

Jezus wordt gevangengenomen

45Judas liep recht op Jezus af. Hij zei: ‘Meester!’ En hij groette hem met een kus. 46Toen grepen de mannen Jezus vast en ze namen hem gevangen.

47Iemand die erbij was, pakte zijn zwaard. Hij raakte daarmee de knecht van de hogepriester, en sloeg zijn oor eraf.

48Jezus zei tegen de mannen die hem vastgrepen: ‘Jullie zijn hier gekomen met zwaarden en stokken om mij gevangen te nemen. Alsof ik een gevaarlijke misdadiger ben! 49Elke dag was ik in de tempel om de mensen uitleg te geven over God. Jullie zagen mij daar, maar jullie hebben mij niet gevangengenomen. Want het moet gaan zoals het verteld wordt in de heilige boeken.’

De leerlingen laten Jezus in de steek

50Toen lieten alle leerlingen Jezus in de steek. Ze vluchtten weg. 51-52Alleen een jonge man bleef dicht bij Jezus. Hij had een doek om zich heen geslagen. Verder had hij niets aan. De mannen grepen hem ook, maar hij kon ontsnappen. De doek bleef achter in de handen van de mannen. De jonge man vluchtte naakt weg.

Jezus komt bij de hogepriester

53Jezus werd naar het huis van de hogepriester gebracht. Daar kwamen alle priesters, wetsleraren en leiders van het volk bij elkaar.

54Petrus liep op een afstand achter Jezus aan. Hij kwam op de binnenplaats van het huis van de hogepriester. Daar ging hij bij de knechten zitten. Hij hield zich warm bij het vuur.

Jezus wordt vals beschuldigd

55De priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk zochten naar mensen die Jezus wilden beschuldigen. Want dan konden ze besluiten om hem te doden. Maar het lukte niet. 56Er werden wel veel valse beschuldigingen tegen Jezus uitgesproken. Maar die waren niet geldig, omdat de getuigen allemaal iets anders zeiden.

57Een paar mensen gingen staan om ook iets slechts over Jezus te vertellen. Het was weer een valse beschuldiging. 58Ze zeiden: ‘Wij hebben Jezus iets horen zeggen over de tempel. Hij heeft gezegd: ‘Ik ga de tempel afbreken! Deze tempel, die door mensen gemaakt is. En binnen drie dagen bouw ik een nieuwe. Dat zal een tempel zijn die niet door mensen gemaakt is.’’ 59Maar ook die getuigen zeiden niet precies hetzelfde, en dus was hun beschuldiging niet geldig.

60Toen ging de hogepriester staan. Hij zei tegen Jezus: ‘Waarom reageert u niet op deze beschuldigingen? U hoort toch wat die mensen over u zeggen?’ 61Maar Jezus bleef zwijgen. Hij zei niets.

Jezus is de Mensenzoon

Toen stelde de hogepriester Jezus een vraag. Hij zei: ‘Bent u de messias, de Zoon van God?’ 62Jezus zei: ‘Ja, dat ben ik. Ik ben de Mensenzoon. Jullie zullen mij naast God zien zitten, aan de rechterkant. En jullie zullen mij uit de hemel zien terugkomen op de wolken.’

63Toen de hogepriester dat hoorde, scheurde hij zijn priestermantel doormidden. Hij zei: ‘We hebben geen beschuldigingen meer nodig. 64Jullie hebben allemaal gehoord dat deze man God beledigde. Wat is jullie oordeel?’ Iedereen vond dat Jezus gedood moest worden.

65Toen begonnen sommige mensen Jezus in zijn gezicht te spugen. Ze deden hem een blinddoek om, en ze begonnen hem hard te slaan. Ze riepen: ‘Hé profeet, zeg eens wie dat deed!’ Ook de knechten sloegen hem.

Petrus zegt dat hij Jezus niet kent

66Petrus zat nog steeds op de binnenplaats. Er kwam een meisje langs dat in dienst was van de hogepriester. 67Ze zag Petrus zitten bij het vuur. Ze keek hem aan en zei: ‘Jij hoort ook bij die Jezus uit Nazaret!’ 68Maar Petrus zei: ‘Welnee! Ik heb geen idee waar je het over hebt.’ Hij liep weg van de binnenplaats en ging terug naar de poort. Er kraaide een haan.

69Maar bij de poort zag het meisje Petrus weer. Ze begon tegen de mensen om zich heen te vertellen dat hij bij Jezus hoorde. 70Maar Petrus zei opnieuw: ‘Dat is niet waar!’

Even later zeiden ook een paar anderen tegen hem: ‘We weten zeker dat jij bij Jezus hoort. Want je komt duidelijk uit Galilea, net als hij!’ 71Toen begon Petrus te vloeken en hij riep: ‘God weet dat ik die man niet ken!’ 72Meteen daarna begon de haan voor de tweede keer die nacht te kraaien.

Toen dacht Petrus terug aan wat Jezus gezegd had: ‘Jij zult drie keer zeggen dat je mij niet kent. Dat zal vannacht gebeuren, nog voordat de haan twee keer gekraaid heeft.’ En Petrus begon te huilen.

15

Jezus wordt gedood

Jezus komt bij Pilatus

151’s Ochtends vroeg kwamen alle priesters, wetsleraren en leiders van het volk bij elkaar. Ze overlegden wat ze met Jezus zouden doen. Ze lieten hem vastbinden, namen hem mee en brachten hem bij Pilatus, de Romeinse bestuurder. 2Pilatus vroeg aan Jezus: ‘Bent u de koning van de Joden?’ Jezus antwoordde: ‘U zegt het zelf.’

3De priesters begonnen veel slechte dingen over Jezus te vertellen. 4Daarom vroeg Pilatus weer aan Jezus: ‘Waarom zegt u niets terug? Zij vertellen allerlei slechte dingen over u. En u zegt niets!’ 5Maar Jezus bleef zwijgen. Pilatus was daar erg verbaasd over.

De mensen kiezen Barabbas

6Op het Joodse Paasfeest liet Pilatus altijd één gevangene vrij. Het volk mocht iemand kiezen. 7Op dat moment zaten er mensen in de gevangenis die samen een opstand begonnen waren. Ze hadden geweld gebruikt en mensen vermoord. Eén van die gevangenen heette Barabbas. 8Een grote groep mensen kwam bij Pilatus. Ze vroegen of hij ook dit jaar weer een gevangene wilde vrijlaten.

9-10Pilatus wist precies waarom de priesters Jezus bij hem gebracht hadden. Dat was omdat ze jaloers waren op Jezus. Daarom vroeg Pilatus aan de mensen: ‘Zal ik Jezus vrijlaten, de koning van de Joden?’ 11Maar de priesters bemoeiden zich ermee. Ze riepen tegen de mensen: ‘Nee, je moet Barabbas kiezen!’

Pilatus doet wat de mensen willen

12Toen zei Pilatus: ‘Maar wat moet ik dan doen met Jezus, die jullie de koning van de Joden noemen?’ 13De mensen riepen: ‘Hij moet dood! Hij moet aan het kruis!’ 14Pilatus zei: ‘Hij heeft toch niets verkeerds gedaan?’ Maar de mensen begonnen nog harder te roepen: ‘Hij moet aan het kruis!’

15Toen deed Pilatus wat de mensen wilden. Dat leek hem het beste. Daarom liet hij Barabbas vrij. En hij gaf Jezus aan zijn soldaten, om hem aan het kruis te hangen.

De soldaten bespotten Jezus

De soldaten sloegen Jezus met de zweep. 16Daarna brachten ze hem naar de binnenplaats van het paleis van Pilatus. Ze riepen alle soldaten erbij. 17Toen trokken ze Jezus een rode mantel aan. En ze maakten een kroon van doorntakken, en zetten die op zijn hoofd.

18De soldaten deden alsof ze Jezus met eerbied wilden groeten. Ze zeiden: ‘Wij groeten u, koning van de Joden!’ 19Ze sloegen met een stok op zijn hoofd. Ze spuugden hem in zijn gezicht. En ze knielden voor hem, alsof hij een koning was. 20Zo bespotten ze Jezus.

Daarna trokken ze hem de mantel weer uit, en ze deden hem zijn eigen kleren weer aan.

Jezus wordt aan het kruis gehangen

Toen brachten de soldaten Jezus weg om hem aan het kruis te hangen. 21Er kwam net een man de stad in. Het was Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus. Hij moest van de soldaten meekomen, om het kruis te dragen.

22Ze brachten Jezus naar de plaats Golgota. Die naam betekent: schedelplaats. 23Daar gaven ze Jezus wijn met daarin een middel tegen de pijn. Maar Jezus wilde de wijn niet opdrinken.

24Toen hingen de soldaten Jezus aan het kruis. Daarna verdeelden ze de kleren van Jezus onder elkaar door erom te loten. 25Het was negen uur in de ochtend toen Jezus aan het kruis werd gehangen. 26Op een bordje aan het kruis stond waarom Jezus gedood werd. Er stond op: ‘Dit is de koning van de Joden.’

27-28Er werden ook twee andere mannen aan een kruis gehangen, twee misdadigers. Het kruis van Jezus stond tussen de twee andere kruisen in.

De mensen bespotten Jezus

29De mensen die voorbijkwamen, lachten Jezus uit. Ze schudden spottend hun hoofd en riepen: ‘Kijk eens! Daar hangt de man die de tempel wilde afbreken en binnen drie dagen een nieuwe wilde bouwen. 30Red jezelf! Kom van dat kruis af!’

31-32Ook de priesters en de wetsleraren zeiden zulke dingen. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Andere mensen heeft hij gered. Maar zichzelf redden, dat kan hij niet. Hij is toch de messias, de koning van Israël? Dan moet hij maar eens van dat kruis af komen! Als we dat zien, zullen we in hem geloven.’

Zo bespotten ze Jezus. Zelfs de twee mannen die naast Jezus aan een kruis hingen, begonnen hem uit te schelden.

Jezus roept om God en sterft

33Om twaalf uur ’s middags werd het opeens donker in het hele land. Drie uur lang bleef het donker. 34Toen, om drie uur ’s middags, riep Jezus luid: ‘Eloï, Eloï, lema sabachtani?’ Dat betekent: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij alleen gelaten?’ 35De mensen die daar stonden, hoorden het. Sommigen zeiden: ‘Hoor je dat? Hij roept Elia!’

36Snel pakte iemand een spons en deed die in zure wijn. Toen deed hij de spons op een stok en stak hem omhoog. Zo kon Jezus wat drinken. De man zei tegen de anderen: ‘Nu zullen we eens zien of Elia echt komt. Of hij Jezus van het kruis af komt halen.’ 37Maar Jezus gaf een luide schreeuw. Toen stierf hij.

38Op hetzelfde moment gebeurde er iets in de tempel. Het gordijn voor de heilige zaal scheurde doormidden, van boven naar beneden.

39De Romeinse officier die bij het kruis stond, zag hoe Jezus stierf. En hij zei: ‘Geen twijfel mogelijk! Hij was de Zoon van God!’

Een groep vrouwen staat bij het kruis

40-41Een grote groep vrouwen stond op een afstand te kijken. Ze kwamen uit Galilea. Ze waren met Jezus meegegaan naar Jeruzalem. Bij die groep hoorden ook Maria uit Magdala, en Maria, de moeder van de jonge Jakobus en van Joses, en Salome. Zij waren in Galilea steeds bij Jezus geweest, en hadden daar voor hem gezorgd.

Josef vraagt om het lichaam van Jezus

42Het werd avond. Het was vrijdag, de dag waarop Joden zich voorbereiden op de sabbat. 43Josef van Arimatea ging naar Pilatus toe. Josef was één van de Joodse leiders. Hij geloofde dat Gods nieuwe wereld snel zou komen. Hij had de moed om zomaar naar Pilatus te gaan en te vragen: ‘Mag ik het lichaam van Jezus meenemen?’

44Pilatus was verbaasd. Hij had niet verwacht dat Jezus al dood was. Daarom riep hij de Romeinse officier erbij. Pilatus vroeg: ‘Is Jezus al dood?’ 45De officier zei dat Jezus inderdaad dood was. Toen gaf Pilatus toestemming aan Josef om het lichaam van Jezus mee te nemen.

Jezus wordt begraven

46Josef haalde het lichaam van Jezus van het kruis af. Hij wikkelde het lichaam in een doek, die hij gekocht had. Daarna legde hij het in een graf. Het was een graf dat was uitgehakt in een rots. Josef rolde een steen voor de ingang. 47Maria uit Magdala en Maria, de moeder van Joses, zagen waar Jezus begraven werd.

16

Jezus is opgestaan uit de dood

De vrouwen gaan naar het graf

161Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria uit Magdala en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome olie met een lekkere geur. Daarmee wilden ze het lichaam van Jezus gaan verzorgen. 2Op zondag gingen ze naar het graf. Het was heel vroeg in de ochtend, de zon kwam net op.

3-4Onderweg zeiden ze tegen elkaar: ‘Wie zal voor ons de steen wegrollen die voor de ingang van het graf ligt?’ Het was namelijk een erg grote steen.

Maar toen ze bij het graf kwamen, zagen ze dat de steen al weggerold was.

De vrouwen horen dat Jezus is opgestaan

5De vrouwen gingen het graf binnen. Daar zagen ze een jonge man zitten. Hij zat aan de rechterkant en hij droeg witte kleren. De vrouwen schrokken vreselijk.

6Maar de jonge man zei: ‘Jullie hoeven niet bang te zijn. Ik weet dat jullie op zoek zijn naar Jezus uit Nazaret. Hij is gestorven aan het kruis. Maar hij is opgestaan uit de dood. Hij is niet hier. Kijk, hier heeft hij gelegen.’

7De jonge man zei verder: ‘Jullie moeten naar Petrus en de andere leerlingen gaan. En jullie moeten tegen hen zeggen dat Jezus naar Galilea gaat. En dat ze hem daar zullen zien. Precies zoals Jezus ook al gezegd heeft.’

8De vrouwen gingen het graf uit. Ze vluchtten weg, want ze waren vreselijk geschrokken. Ze vertelden niemand iets, omdat ze zo bang waren.

Slot van het boek

Maria uit Magdala ziet Jezus

[9Jezus was opgestaan uit de dood op zondag, vroeg in de ochtend. De eerste die hem zag, was Maria uit Magdala. Jezus had vroeger zeven kwade geesten uit haar weggejaagd.

10-11Maria ging naar de volgelingen van Jezus. Die waren verdrietig en huilden. Maria zei tegen hen: ‘Jezus leeft! Ik heb hem gezien!’ Maar zij geloofden haar niet.

Twee volgelingen zien Jezus

12Daarna werd Jezus gezien door twee volgelingen. Ze waren onderweg, buiten de stad. Nu zag Jezus er anders uit. 13De twee gingen het aan de anderen vertellen. Maar die geloofden het nog steeds niet.

De elf leerlingen zien Jezus

14Ten slotte werd Jezus gezien door de elf leerlingen, terwijl ze zaten te eten. Jezus zei streng tegen hen: ‘Jullie zijn ongelovig en ongehoorzaam! Want jullie hoorden dat ik uit de dood was opgestaan. Dat vertelden de mensen die mij gezien hadden. Maar jullie geloofden het niet.’

15Jezus zei verder tegen de leerlingen: ‘Ga de hele wereld door, en vertel het goede nieuws aan iedereen. 16Iedereen die gelooft en gedoopt wordt, zal gered worden. Maar iedereen die niet gelooft, zal door God gestraft worden.

17Mensen die geloven, zullen wonderen doen. Ze zullen kwade geesten wegjagen door mijn naam te noemen. Ze zullen in onbekende talen spreken. 18Ze zullen slangen vastpakken. Ze zullen dodelijk vergif drinken en toch niet sterven. En ze zullen zieken beter maken door hun handen op hen te leggen.’

Jezus gaat naar de hemel

19Toen de Heer Jezus dat gezegd had, liet God hem naar de hemel gaan. Daar ging Jezus naast God zitten, aan de rechterkant.

20De leerlingen gingen op weg. Overal vertelden ze het goede nieuws. De Heer hielp hen, en hij gaf hun de kracht om wonderen te doen. Zo liet hij zien dat het goede nieuws waar is.]