Bijbel in Gewone Taal (BGT)
6

Jezus bepaalt wat er mag op sabbat

61Op een keer liepen Jezus en zijn leerlingen door de korenvelden. Het was die dag sabbat. De leerlingen van Jezus plukten wat van het koren. Ze maakten de korrels fijn met hun handen en aten ze op.

2Een paar farizeeën zagen dat en zeiden: ‘Waarom doen jullie iets dat op sabbat verboden is?’ 3-4Jezus antwoordde: ‘Jullie weten toch wat David ooit gedaan heeft? Toen hij en zijn mannen honger hadden, ging David naar de tempel. Daar pakte hij het offerbrood en hij at het op. Hij gaf het brood ook aan zijn mannen, terwijl alleen priesters dat brood mogen eten.’ 5Daarna zei Jezus: ‘Ik ben de Mensenzoon. Ik bepaal wat je op sabbat mag doen.’

Jezus maakt iemand beter op sabbat

6Op een andere sabbat ging Jezus naar de synagoge om uitleg te geven over God. In de synagoge was een man met een vergroeide rechterhand.

7De wetsleraren en de farizeeën letten goed op Jezus. Ze dachten: Als hij die man beter maakt op sabbat, kunnen we een klacht tegen hem indienen. 8Maar Jezus wist wat ze dachten. Hij zei tegen de man met de vergroeide hand: ‘Sta op en kom bij mij staan.’ Dat deed de man. 9Toen vroeg Jezus aan de wetsleraren en de farizeeën: ‘Mag je op sabbat iets goeds doen? Of is het beter om iets slechts te doen? Mag je op sabbat iemands leven redden? Of is het beter om iemand dood te laten gaan?’

10Jezus keek iedereen aan. Toen zei hij tegen de man met de vergroeide hand: ‘Steek je hand uit.’ De man stak zijn hand uit en meteen was de hand beter.

11De wetsleraren en de farizeeën waren woedend. Ze bespraken met elkaar wat ze met Jezus zouden doen.

Uitleg over Gods nieuwe wereld

Jezus stelt twaalf apostelen aan

12Kort daarna ging Jezus naar een berg om tot God te bidden. Hij bleef er de hele nacht.

13De volgende dag riep Jezus zijn leerlingen bij zich. Hij koos er twaalf uit, en noemde hen ‘apostelen’. 14De twaalf apostelen waren: Simon, die hij ook Petrus noemde, en zijn broer Andreas. Verder Jakobus, Johannes, Filippus, Bartolomeüs, 15Matteüs, Tomas. En ook Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon de Zeloot. 16Ten slotte nog Judas, de zoon van Jakobus, en Judas Iskariot. Deze Judas Iskariot heeft later Jezus verraden.

Jezus maakt veel mensen beter

17Samen met zijn twaalf apostelen ging Jezus de berg weer af. Hij bleef staan op een veld. Daar waren veel van zijn leerlingen bij elkaar gekomen. Er was ook een grote groep andere mensen. Die kwamen uit alle delen van Judea, uit Jeruzalem en ook uit het gebied bij Tyrus en Sidon. 18-19Ze waren gekomen om naar Jezus te luisteren en om door hem te worden genezen. Iedereen probeerde Jezus aan te raken. Want ze wisten dat hij de macht had om hen beter te maken. Jezus maakte alle zieken beter, ook de mensen die last hadden van kwade geesten.

Jezus vertelt over Gods nieuwe wereld

20-26Jezus keek zijn leerlingen aan en zei: ‘Het echte geluk is voor mensen die arm zijn. Want voor hen is Gods nieuwe wereld. Het echte geluk is voor mensen die nu honger hebben. Want zij zullen veel te eten krijgen. Het echte geluk is voor mensen die nu huilen. Want zij zullen lachen.

Het echte geluk is voor jullie. Jullie zullen het moeilijk hebben, omdat je bij mij hoort. Misschien word je gehaat of weggestuurd. Misschien schelden de mensen je uit of bespotten ze je. Dat is vroeger ook gebeurd met de profeten. Als dat met jullie gebeurt, moet je blij zijn en vrolijk. Want jullie krijgen een grote beloning in de hemel.

Maar het loopt slecht met je af als je rijk bent. Want dan heb je het nu goed, maar straks niet meer. Het loopt slecht met je af als je nu heel veel te eten hebt. Want dan zul je straks honger hebben. Het loopt slecht met je af als je nu lacht. Want dan zul je straks verdriet hebben en huilen. Het loopt slecht met je af als iedereen goede dingen over je zegt. Dan ben je net als de valse profeten, daar zeiden ze vroeger ook altijd goede dingen over.’

Wees goed voor iedereen

27Jezus zei tegen de mensen die naar hem luisterden: ‘Je moet van je vijanden houden. Wees goed voor de mensen die je haten. 28Spreek met respect over de mensen die je uitschelden. Bid voor de mensen die je slecht behandelen.

29Als iemand je een klap in je gezicht geeft, draai dan je hoofd naar de andere kant. Dan kan hij je nog een keer slaan. En als iemand je jas afpakt, geef hem dan ook je hemd. 30Als iemand iets van je wil hebben, geef het hem dan. En als iemand iets van je pakt, vraag het dan niet terug. 31Behandel andere mensen net zoals je zelf behandeld wilt worden.

32Stel dat je alleen van je vrienden houdt. Verdien je dan een beloning van God? Nee, want ook slechte mensen houden van hun vrienden.

33En stel dat je alleen goed bent voor de mensen die goed zijn voor jou. Verdien je dan een beloning? Nee, want slechte mensen doen hetzelfde.

34En stel dat je geld leent aan iemand die het je later zal terugbetalen. Verdien je dan een beloning? Nee, want ook slechte mensen lenen geld aan mensen die het later terugbetalen.

35Daarom zeg ik tegen jullie: Houd van je vijanden. Wees goed voor iedereen. En leen geld uit zonder het terug te verwachten. Dan zullen jullie een grote beloning krijgen, en jullie zullen kinderen van God zijn. Want ook God zelf is goed voor mensen die ondankbaar en slecht zijn.’

Veroordeel andere mensen niet

36Jezus zei ook: ‘Wees net als jullie Vader goed voor andere mensen. 37Veroordeel andere mensen niet, dan zal God jou ook niet veroordelen. Zeg niet dat andere mensen slecht zijn, dan zegt God dat ook niet over jou. Vergeef mensen als ze fouten maken, dan doet God dat ook. 38Geef, en je zult krijgen, meer dan je vast kunt houden! Want zo veel als jij aan anderen geeft, zo veel geeft God aan jou.’

39Daarna gaf Jezus een voorbeeld. Hij zei: ‘Kan een blinde een andere blinde de weg wijzen? Nee, want dan vallen ze samen in een kuil. 40En een leerling weet niet zo veel als zijn leraar. Pas als een leerling alles geleerd heeft, weet hij net zo veel.’

Kijk eerst naar je eigen fouten

41-42Daarna zei Jezus: ‘Jullie letten goed op de fouten van anderen. Maar je eigen fouten zie je niet. Het is alsof je een splinter ziet in het oog van een ander, maar niet ziet dat er in je eigen oog een balk zit. Je zegt tegen die ander: ‘Kom, ik haal die splinter wel even uit je oog.’

Doe niet zo schijnheilig! Haal eerst die balk uit je eigen oog! Dan kun je zelf weer goed zien. En pas dan kun je de splinter uit het oog van de ander halen.

Je herkent mensen aan hun woorden

43-44Een goede boom herken je aan zijn vruchten. Een goede boom geeft geen slechte vruchten, en een slechte boom geeft geen goede vruchten. Van een doornstruik kun je geen vijgen of druiven plukken.

45Zo zegt een goed mens goede dingen omdat hij van binnen goed is. En een slecht mens zegt slechte dingen omdat hij van binnen slecht is. Je woorden laten zien hoe je van binnen bent!’

Je moet doen wat Jezus vraagt

46Daarna zei Jezus: ‘Jullie noemen mij Heer. Maar jullie doen niet wat ik zeg.

47Stel dat iemand bij me komt, naar me luistert en doet wat ik zeg. 48Zo iemand lijkt op een man die een stevig huis bouwt. Eerst graaft hij in de grond en maakt daar een fundament. Als er dan een overstroming komt, zal het huis stevig blijven staan. Het zal niet verwoest worden door het water, want het is goed gebouwd.

49Maar stel dat iemand naar me luistert, maar niet doet wat ik zeg. Zo iemand lijkt op een man die een huis bouwt zonder fundament. Als er dan een overstroming komt, zakt het huis meteen in elkaar. Er blijft niets van over.’