Bijbel in Gewone Taal (BGT)
4

Jezus begint met zijn werk

De duivel wil Jezus laten zondigen

41De heilige Geest was in Jezus gekomen. Hij liet Jezus naar de woestijn gaan, weg van de Jordaan. 2In de woestijn probeerde de duivel om Jezus te laten zondigen.

Veertig dagen lang at Jezus niets. Toen de veertig dagen voorbij waren, had hij erge honger. 3Toen zei de duivel: ‘Jij bent toch de Zoon van God? Zeg dan tegen deze steen dat hij in een brood moet veranderen!’ 4Maar Jezus antwoordde: ‘In de heilige boeken staat: «Alleen van brood kan een mens niet leven.»’

5Toen bracht de duivel Jezus naar een berg. En in één tel liet hij hem alle koninkrijken van de wereld zien. 6De duivel zei: ‘Ik geef deze landen en al hun rijkdom aan jou. Want ik ben er de baas over, en ik kan ze geven aan wie ik wil. 7Je hoeft alleen maar te knielen en mij te eren, dan is alles van jou.’ 8Maar Jezus antwoordde: ‘In de heilige boeken staat: «Kniel alleen voor de Heer, je God, en vereer alleen hem.»’

9Daarna nam de duivel Jezus mee naar Jeruzalem. Hij bracht hem naar het dak van de tempel, en zei: ‘Jij bent toch de Zoon van God? Spring dan naar beneden! 10Want in de heilige boeken staat: «God geeft zijn engelen de opdracht om je te beschermen.» 11En er staat: «De engelen zullen je opvangen. Je zult je voet niet stoten tegen een steen.»’ 12Maar Jezus antwoordde: ‘In de heilige boeken staat ook: «Je mag de Heer, je God, niet uitdagen om zijn macht te bewijzen.»’

13Op al die manieren probeerde de duivel om Jezus te laten zondigen. Maar het lukte hem niet. Daarna liet hij Jezus een tijd met rust.

Jezus vertelt het goede nieuws in Nazaret

14-15De kracht van de heilige Geest was nu in Jezus, en hij ging terug naar Galilea. Daar gaf hij uitleg over God in de synagogen. Het nieuws over Jezus werd overal in de omgeving bekend, en iedereen bewonderde hem.

16-17Jezus ging ook naar Nazaret, de stad waar hij opgegroeid was. Op sabbat ging hij zoals altijd naar de synagoge. Toen hij opstond om voor te lezen, gaf een dienaar hem het boek van de profeet Jesaja. Jezus opende het boek en zocht naar het stuk dat hij wilde voorlezen. Hij las: 18«God heeft mij uitgekozen. Daarom is zijn Geest bij mij. God heeft mij gestuurd om aan arme mensen het goede nieuws te vertellen. En om tegen gevangenen te zeggen dat ze weer vrij zijn. Om blinden te vertellen dat ze weer zullen zien. En om mensen die het moeilijk hebben, te helpen. 19Ik maak bekend: Er begint een nieuwe tijd.»

Jezus legt de woorden van Jesaja uit

20Toen deed Jezus het boek dicht. Hij gaf het aan de dienaar terug en ging zitten. Iedereen in de synagoge keek naar hem. 21En Jezus zei: ‘Wat ik jullie net voorgelezen heb, is vandaag werkelijkheid geworden.’

22Alle mensen waren verrast over de bijzondere dingen die Jezus zei. Ze waren onder de indruk en zeiden: ‘Dat is toch de zoon van Jozef?’

Jezus doet geen wonderen in Nazaret

23Jezus zei: ‘Ik weet zeker dat jullie tegen mij zullen zeggen: ‘Nu moet u ook iets voor ons doen. We hebben gehoord wat u allemaal in Kafarnaüm gedaan hebt. Doe dan ook een wonder in uw eigen stad.’ 24Maar luister goed naar mijn woorden: Een profeet is nooit welkom in zijn eigen stad.’

25Jezus legde dat uit met twee voorbeelden. Hij zei: ‘Luister goed! In de tijd van de profeet Elia waren er veel weduwen in Israël. Het had drieënhalf jaar niet geregend en er was hongersnood in het hele land. 26Toch ging Elia niet naar een weduwe in Israël. In plaats daarvan stuurde God hem naar een weduwe buiten Israël. Ze woonde in Sarepta, een dorp bij de stad Sidon.

27En toen Elisa profeet was, waren er in Israël veel mensen met een huidziekte. Toch maakte Elisa hen niet beter. Maar Naäman uit Syrië maakte hij wel beter.’

De mensen in Nazaret jagen Jezus weg

28Toen de mensen in de synagoge de woorden van Jezus hoorden, werden ze kwaad. 29Ze jaagden Jezus de stad uit. En ze brachten hem naar de rand van de berg waarop hun stad gebouwd was. Ze wilden hem naar beneden gooien. 30Maar Jezus liep tussen alle mensen door en ging weg.

Jezus maakt mensen beter

Jezus jaagt een kwade geest weg

31Jezus ging naar Kafarnaüm, een stad in Galilea. Op sabbat gaf hij daar de mensen uitleg over God. 32Dat maakte diepe indruk op hen. Want zijn woorden hadden macht.

33In de synagoge was een man die een kwade geest in zich had. Hij schreeuwde heel hard: 34‘Hé, jij daar, Jezus uit Nazaret! Laat me met rust! Je bent zeker gekomen om mij te vernietigen? Ik weet precies wie je bent. Jij bent door God gestuurd.’

35Maar Jezus zei streng tegen de kwade geest: ‘Stil! Ga weg uit die man.’ De geest gooide de man op de grond, midden tussen de mensen. Daarna ging de geest uit hem weg, zonder hem pijn te doen.

36De mensen waren erg geschrokken en zeiden tegen elkaar: ‘Wat is hier aan de hand? Als Jezus spreekt, dan heeft hij macht over kwade geesten. Als hij ze wegstuurt, dan gehoorzamen ze hem.’

37Het nieuws over Jezus werd in de hele omgeving bekend.

Jezus maakt zieke mensen beter

38Toen Jezus uit de synagoge kwam, ging hij naar het huis van Simon. Daar hoorde hij dat de schoonmoeder van Simon ziek was. Ze had hoge koorts. 39Jezus ging bij haar bed staan en sprak streng tegen de koorts. Toen ging de koorts weg. De vrouw stond meteen op en ging eten klaarmaken.

40’s Avonds werden er mensen met allerlei ziektes bij Jezus gebracht. Jezus legde zijn handen op hen en maakte hen beter. 41Hij stuurde ook veel kwade geesten weg. Die riepen dan: ‘Jij bent de Zoon van God!’ Want zij wisten dat hij de messias was. Maar Jezus zei streng tegen de geesten dat ze niets mochten zeggen.

Jezus reist verder

42Toen het ochtend werd, ging Jezus naar een stille plek buiten de stad. Maar de mensen zochten hem op en kwamen naar hem toe. Ze wilden niet dat hij weg zou gaan en hielden hem tegen.

43Maar Jezus zei tegen hen: ‘Het is belangrijk dat ik ook naar andere steden ga. Ook daar moet ik het goede nieuws over Gods nieuwe wereld vertellen. Want daarom heeft God mij gestuurd.’

44Jezus vertelde het goede nieuws in alle synagogen in Judea.