Bijbel in Gewone Taal (BGT)
20

Vragen zonder antwoord

201Jezus was elke dag in de tempel. Hij gaf uitleg aan het volk en hij vertelde hun het goede nieuws. Op een dag kwamen de priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk naar hem toe. 2Ze zeiden: ‘U doet alsof u alles mag! Maar wie heeft u dat recht gegeven?’

3Jezus antwoordde: ‘Ik heb eerst een vraag voor jullie. 4Johannes de Doper doopte mensen. Deed hij dat uit zichzelf of in opdracht van God?’

5De priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk overlegden met elkaar. Ze zeiden: ‘Stel dat we zeggen: ‘Johannes doopte in opdracht van God.’ Dan zegt Jezus natuurlijk: ‘Waarom geloofden jullie hem dan niet?’ 6Maar stel dat we zeggen: ‘Johannes doopte uit zichzelf.’ Dan zal het volk proberen om ons te doden. Want het hele volk gelooft dat Johannes een profeet van God is.’ 7Daarom antwoordden ze: ‘We weten het niet.’ 8Toen zei Jezus: ‘Dan zeg ik ook niet wie mij het recht gegeven heeft om deze dingen te doen.’

Het voorbeeld van de wijngaard

9Daarna gaf Jezus het volk een voorbeeld. Hij zei: ‘Een man heeft een wijngaard. Hij verhuurt die wijngaard aan boeren en gaat zelf voor lange tijd op reis. 10In de tijd van de oogst stuurt de man een knecht naar de wijngaard. Die moet bij de boeren een deel van de opbrengst ophalen. Maar de boeren slaan de knecht, en sturen hem weg met lege handen. 11Dan stuurt de man een andere knecht naar de wijngaard. Maar de boeren slaan ook die knecht en ze beledigen hem. Ze sturen ook hem weg met lege handen. 12Daarna stuurt de man een derde knecht. Ook die wordt hard geslagen en de wijngaard uit gejaagd.

13Ten slotte vraagt de eigenaar zich af wat hij nu moet doen. Hij denkt: Ik stuur mijn zoon, van wie ik heel veel houd. Voor hem zullen de boeren waarschijnlijk wel respect hebben.

14Maar als de boeren de zoon zien, zeggen ze tegen elkaar: ‘Kijk, daar komt de zoon. Hij zal al het bezit van zijn vader krijgen. Kom, we slaan hem dood! Dan is de wijngaard van ons.’ 15De boeren slepen de zoon de wijngaard uit en slaan hem dood.’

Het voorbeeld gaat over de leiders

Daarna zei Jezus: ‘Wat zal de eigenaar van de wijngaard nu doen? 16Hij zal zelf komen. Hij zal de boeren doden, en de wijngaard aan anderen geven.’ Toen zeiden de mensen: ‘Dat mag nooit gebeuren!’ 17Maar Jezus keek hen aan en zei: ‘Wat betekent dan deze tekst uit de heilige boeken: «De bouwers gooiden één van de stenen weg. Maar dat werd juist de belangrijkste steen van het gebouw»? 18Als je over die steen struikelt, zul je sterven. En als die steen op jou valt, blijft er niets van je over.’

19De priesters en de wetsleraren begrepen dat het voorbeeld van de boeren over hen ging. Het liefst wilden ze Jezus meteen gevangennemen. Maar ze durfden het niet, omdat ze bang waren voor het volk.

Een vraag met een slechte bedoeling

20De priesters en de wetsleraren letten goed op Jezus. Ze stuurden spionnen naar hem toe. Die moesten doen alsof ze iets van Jezus wilden leren. De priesters en de wetsleraren hoopten dat Jezus iets strafbaars zou zeggen. Dan konden ze hem oppakken en naar de Romeinse machthebbers brengen.

21Toen de spionnen bij Jezus kwamen, zeiden ze: ‘Meester, u spreekt altijd de waarheid. U zegt geen andere dingen om mensen een plezier te doen. En u vertelt altijd precies wat God van ons wil. 22Zeg eens, mogen wij belasting betalen aan de keizer of niet?’

23Maar Jezus wist dat ze met die vraag een slechte bedoeling hadden. Dus zei hij: 24‘Laat mij eens een geldstuk zien. Wie staat er op deze munt?’ De spionnen antwoordden: ‘De keizer.’ 25Toen zei Jezus: ‘Geef aan de keizer wat voor de keizer is. En geef aan God wat voor God is.’

26Iedereen hoorde dat Jezus niets verkeerds zei. En dus konden zijn tegenstanders hem niet oppakken. Ze waren zo verbaasd over zijn wijze antwoord, dat ze niets meer wisten te zeggen.

De sadduceeën stellen een vraag

27Toen kwamen er sadduceeën naar Jezus toe. Sadduceeën geloven niet dat de mensen zullen opstaan uit de dood. 28Ze zeiden tegen Jezus: ‘Meester, in de wet van Mozes staat deze regel: «Het kan gebeuren dat een man sterft zonder kinderen. Dan moet zijn broer trouwen met de weduwe. De broer moet zorgen dat zij een kind krijgt. Dat kind geldt dan als het kind van de gestorven man.»

29Maar stel: Er zijn zeven broers. De oudste trouwt. Maar hij sterft zonder kinderen, en zijn vrouw blijft alleen achter. 30Dan trouwt de tweede broer met de vrouw. Maar ook hij sterft zonder kinderen. 31Met de derde broer gaat het net zo. En met de anderen ook. Alle zeven broers sterven zonder kinderen. 32Als laatste sterft de vrouw. 33Nu is onze vraag: Wat gebeurt er als de mensen zullen opstaan uit de dood? Met wie zal die vrouw dan getrouwd zijn? Want alle zeven broers zijn met haar getrouwd geweest!’

Jezus geeft antwoord op de vraag

34Jezus antwoordde de sadduceeën: ‘De mensen van deze wereld trouwen met elkaar. 35Maar de mensen die opstaan uit de dood, die leven niet meer als getrouwde mensen. Zij mogen leven in Gods nieuwe wereld. 36Dan zijn ze net als engelen en kunnen ze niet meer sterven. Ze zijn kinderen van God, omdat ze zijn opgestaan uit de dood.

37Jullie geloven niet dat de mensen zullen opstaan uit de dood. Maar denk eens aan het verhaal van Mozes en de brandende doornstruik. Daar noemt God zich de God van Abraham, Isaak en Jakob. 38God is geen God van dode mensen, maar van levende mensen. Want hij geeft het leven aan alle mensen.’

39-40Toen durfde niemand meer een vraag aan Jezus te stellen. En sommige van de wetsleraren zeiden: ‘Meester, dat hebt u goed gezegd.’

Jezus vertelt over de messias

41Jezus zei: ‘De mensen zeggen dat de messias een zoon van David is. 42Maar luister eens wat David zelf gezegd heeft over de messias: «God zei tegen mijn Heer: Kom naast mij zitten, aan de rechterkant. 43Ik zal je vijanden diep voor jou laten buigen.»

Dat is wat David in het boek Psalmen gezegd heeft. 44David zelf noemde de messias dus zijn Heer. Hoe kan de messias dan tegelijk Davids zoon zijn?’

Jezus waarschuwt voor de wetsleraren

45Terwijl het hele volk het kon horen, zei Jezus tegen zijn leerlingen: 46‘Pas op voor de wetsleraren! Zij lopen graag rond in deftige kleren. Ze willen beleefd gegroet worden op straat. Ze willen de beste plaatsen hebben in de synagoge. En ze willen de mooiste plaatsen krijgen bij een feestelijke maaltijd. 47Ze doen alsof ze uren aan het bidden zijn. Maar intussen pakken ze het bezit van weduwen af. God zal de wetsleraren extra streng straffen.’

21

Het einde van deze wereld

Een arme weduwe geeft geld

211In de tempel keek Jezus naar de rijke mensen die geld in de geldkist deden. 2Hij zag ook een arme weduwe. Zij deed twee muntjes in de geldkist. Die waren bijna niets waard.

3Toen zei Jezus: ‘Luister goed naar mijn woorden: Die arme vrouw heeft het meest gegeven van allemaal. 4Want de anderen gaven een deel van het geld dat ze overhadden. Maar die vrouw gaf geld dat ze niet kon missen. Al het geld dat ze had, geld waar ze van moest leven.’

De tempel zal worden afgebroken

5Een paar mensen stonden te praten over de tempel. Ze zeiden: ‘Wat een prachtig gebouw. En wat is het mooi versierd met prachtige stenen en geschenken voor God.’

Toen zei Jezus: 6‘Bekijk de tempel maar goed. Want hij zal helemaal worden afgebroken, steen voor steen.’ 7De leerlingen vroegen: ‘Meester, wanneer gaat dat allemaal gebeuren? Aan welk teken zullen we zien dat het zover is?’

Er zullen vreselijke dingen gebeuren

8Jezus zei: ‘Pas op! Laat je niet bedriegen. Want er zullen veel mensen komen die mijn naam gebruiken. Ze zullen zeggen dat ze de messias zijn en dat het einde gekomen is. Maar jullie moeten die mensen niet geloven.

9Als jullie horen dat er oorlog is of een opstand, moet je niet bang zijn. Want dat moet allemaal gebeuren, maar het is nog niet het einde. 10Eerst zullen alle volken en landen oorlog tegen elkaar voeren. 11Overal zullen rampen gebeuren. Er zullen grote aardbevingen komen, en ziektes en hongersnood. En aan de hemel zullen verschrikkelijke dingen te zien zijn.

De leerlingen krijgen het moeilijk

12Maar voordat al die dingen gebeuren, zullen jullie het moeilijk krijgen. De mensen zullen jullie oppakken en naar de synagoge of naar de gevangenis brengen. En jullie moeten bij bestuurders en koningen komen. Dat zal allemaal gebeuren omdat jullie bij mij horen.

13Maar dat geeft jullie de kans om het goede nieuws te vertellen. 14Ga niet van tevoren bedenken wat je dan moet zeggen! Doe dat niet! 15Want ik zal jullie wijze woorden geven, waarmee je al je tegenstanders kunt overtuigen. Ze zullen niets meer weten te zeggen.

16-17Iedereen zal jullie behandelen als vijanden, omdat je bij mij hoort. Zelfs je ouders kun je niet meer vertrouwen. En andere familieleden of vrienden ook niet. Sommigen van jullie worden door hen aangegeven om gedood te worden. 18Maar je hoeft niet bang te zijn. 19Want als je volhoudt tot het einde, zul je gered worden.

Er zal iets verschrikkelijks gebeuren

20Op een dag zullen jullie soldaten van de vijand zien rondom Jeruzalem. Dan weet je dat de stad binnenkort verwoest wordt. 21Dan moet iedereen in Judea de bergen in vluchten. De mensen in Jeruzalem moeten weggaan uit de stad. En de mensen die buiten de stad wonen, moeten vooral niet naar de stad toe gaan. 22Want in die tijd komt God de mensen straffen. Alles wat in de heilige boeken staat, zal dan gebeuren.

23Het zal een ramp zijn voor vrouwen die zwanger zijn of een baby hebben. Want er zal grote ellende komen over het land. De mensen die er wonen, zullen zwaar gestraft worden. 24Ze zullen door soldaten gedood worden, of als gevangenen naar andere landen gebracht worden. De ongelovigen zullen Jeruzalem binnengaan en de stad verwoesten. Maar uiteindelijk zal God een eind maken aan hun macht.

Jezus vertelt dat hij terug zal komen

25-26Er zullen vreemde dingen gebeuren met de zon, de maan en de sterren. Alle planeten zullen heen en weer schudden. Overal op aarde zullen mensen in paniek raken door de zee, die buldert met zijn hoge golven. Mensen zullen sterven van angst. Zo bang zijn ze voor wat er met de wereld gaat gebeuren.

27Dan komt de Mensenzoon. Iedereen zal hem zien komen op de wolken. Hij komt als een machtige en schitterende koning.

28Wees vol goede moed en vertrouwen als die dingen gebeuren. Want dan is het moment van jullie bevrijding dichtbij.’

Het voorbeeld van de vijgenboom

29Jezus gaf een voorbeeld. Hij zei: ‘Kijk eens naar een vijgenboom of naar een andere boom. 30Als je ziet dat er bladeren aan de takken komen, dan weet je dat het snel zomer wordt. 31Dat geldt ook voor de dingen waarover ik verteld heb. Als je die dingen ziet gebeuren, dan weet je dat Gods nieuwe wereld snel zal komen.

32Luister goed naar mijn woorden: Sommige mensen die nu leven, zullen dat nog meemaken. 33De hemel zal verdwijnen, en de aarde zal verdwijnen. Maar mijn woorden zullen niet verdwijnen.’

De Mensenzoon komt onverwacht

34-35Daarna zei Jezus: ‘Let heel goed op! Op een dag komt de Mensenzoon, plotseling zal hij op aarde zijn. Overal zullen de mensen verrast worden.

Zorg dat je daarop voorbereid bent. Laat je niet afleiden door feesten of drank, en ook niet door dagelijkse problemen. Laat je niet verrassen als de Mensenzoon plotseling komt.

36Let heel goed op en blijf steeds bidden. Vraag God om kracht, zodat jullie kunnen ontsnappen aan alle vreselijke dingen die gaan gebeuren. Vraag om kracht, zodat jullie vol vertrouwen voor de Mensenzoon kunnen staan.’

Iedereen wil de uitleg van Jezus horen

37Overdag gaf Jezus uitleg over God in de tempel. En ’s nachts sliep hij buiten de stad, op de Olijfberg.

38De mensen kwamen elke dag al vroeg naar de tempel. Want ze wilden allemaal horen wat Jezus te vertellen had.

22

Jezus wordt gevangengenomen

Judas helpt de tegenstanders van Jezus

221Het was vlak voor het Joodse Paasfeest. Joden eten dan brood zonder gist. 2De priesters en de wetsleraren wilden Jezus doden, maar ze waren bang voor het volk.

3Toen kwam de duivel in Judas Iskariot, één van de twaalf leerlingen. 4Judas ging naar de priesters en de officieren van de tempel. Hij besprak met hen hoe ze Jezus gevangen konden nemen, en hoe hij daarbij kon helpen. 5De priesters en de officieren waren daar blij mee, en ze beloofden om hem daarvoor te betalen. 6Dat vond Judas goed. Hij begon na te denken over een goed moment om Jezus gevangen te nemen. Want dat moest gebeuren zonder dat het volk het zou merken.

De paasmaaltijd wordt klaargemaakt

7Het was de eerste dag van het Paasfeest. Op die dag moeten Joden een lam slachten voor de paasmaaltijd. 8Jezus stuurde Petrus en Johannes op weg. Hij zei: ‘Ga de paasmaaltijd klaarmaken, zodat we vanavond kunnen eten.’ 9Petrus en Johannes vroegen: ‘Waar zullen we dat doen?’

10Jezus antwoordde: ‘Ga naar de stad. Daar zul je een man tegenkomen die een kruik met water draagt. Loop achter hem aan totdat hij ergens naar binnen gaat. 11Zeg dan tegen de eigenaar van dat huis: ‘Onze meester vraagt waar hij met zijn leerlingen de paasmaaltijd kan vieren.’ 12Dan zal die man jullie naar boven brengen. Daar is een grote eetkamer. En daar moeten jullie de maaltijd klaarmaken.’

13De leerlingen gingen naar de stad. Alles ging precies zoals Jezus gezegd had. En ze maakten de paasmaaltijd klaar.

Jezus deelt brood en wijn uit

14’s Avonds ging Jezus samen met de leerlingen aan tafel. 15Hij zei: ‘Hier heb ik naar verlangd! Ik wilde samen met jullie de paasmaaltijd vieren, voordat mijn lijden begint. 16Luister naar mijn woorden: Ik vier dit feest pas weer als Gods nieuwe wereld gekomen is.’

17Toen nam Jezus een beker wijn. Hij dankte God en zei: ‘Drink allemaal uit deze beker. 18Luister naar mijn woorden: Ik zal vanaf nu geen wijn meer drinken. Dat doe ik pas weer als Gods nieuwe wereld gekomen is.’

19Toen nam Jezus een brood. Hij dankte God. Hij brak het brood in stukken, deelde het uit en zei: ‘Kijk, dit is mijn lichaam. Ik zal sterven voor jullie. Houd deze maaltijd steeds opnieuw om aan mij te blijven denken.’

20Na het eten nam Jezus een beker wijn. Hij zei: ‘Als ik gedood word, zal mijn bloed vloeien. Maar daardoor zullen jullie gered worden. Dat heeft God beloofd. Deze beker is daarvan het teken.’

Eén leerling gaat Jezus uitleveren

21Jezus zei: ‘De man die mij zal uitleveren, zit hier met mij aan tafel. 22De Mensenzoon zal sterven. Dat is van tevoren zo bepaald. Maar wat een ramp voor de man die mij uitlevert!’

23Toen begonnen de leerlingen aan elkaar te vragen wie dat zou kunnen zijn.

Niet heersen, maar dienen

24Daarna kregen de leerlingen ruzie over de vraag wie van hen de belangrijkste was. 25Jezus zei: ‘Koningen heersen over hun volk. En machthebbers willen dat iedereen hen dankt voor hun goedheid. 26Maar zo mag het bij jullie niet gaan. Want de belangrijkste moet zich gedragen alsof hij de minst belangrijke is. Als iemand een leider wil zijn, moet hij alle anderen dienen. 27Want wie is belangrijker: de man die aan tafel zit of de man die hem eten brengt? De man die aan tafel zit natuurlijk. Maar ik ben juist bij jullie gekomen als een dienaar.

28Jullie zijn steeds bij mij gebleven als ik het moeilijk had. 29-30Daarom zal ik koningen van jullie maken, zoals mijn Vader dat ook met mij gedaan heeft. In de nieuwe wereld mogen jullie eten en drinken bij mij aan tafel. Jullie zullen op twaalf tronen zitten en rechtspreken over heel Israël.’

Petrus zal Jezus in de steek laten

31Jezus zei tegen Simon Petrus: ‘Pas op, Simon! Satan staat klaar om het jullie moeilijk te maken. Dan zal duidelijk worden wie van jullie trouw aan mij is en wie niet. 32Maar ik heb gebeden dat jouw geloof sterk genoeg zal zijn, Simon. Eerst zul je mij in de steek laten, maar daarna zul je mij weer dienen. Dan moet jij de andere leerlingen gaan helpen.’

33Toen zei Simon Petrus: ‘Heer, ik ben bereid om samen met u naar de gevangenis te gaan! En ik wil zelfs samen met u sterven.’ 34Maar Jezus zei: ‘Luister, Petrus. Jij zult drie keer zeggen dat je mij niet kent. Dat zal vannacht gebeuren, nog voordat de haan kraait.’

De leerlingen hebben twee zwaarden bij zich

35Jezus vroeg aan zijn leerlingen: ‘Een tijd geleden stuurde ik jullie op reis zonder geld, tas of schoenen. Misten jullie toen iets?’ De leerlingen antwoordden: ‘Nee, helemaal niets.’ 36Toen zei Jezus: ‘Maar nu is het anders. Neem je geld mee, en neem een tas mee met je spullen. En als je geen geld hebt om een zwaard te kopen, verkoop dan je jas.

37Luister! In de heilige boeken staan deze woorden: «De mensen behandelden hem als een misdadiger.» Die woorden gaan over mij. Dat moet gebeuren, de tijd daarvoor is nu gekomen.’

38Toen zeiden de leerlingen: ‘Kijk, Heer, hier hebben we twee zwaarden!’ Maar Jezus zei: ‘Genoeg hierover.’

Jezus bidt op de Olijfberg

39Jezus ging de stad uit. Hij ging naar de Olijfberg, zoals altijd. De leerlingen gingen met hem mee. 40Toen ze op de berg waren, zei Jezus: ‘Bid God om kracht, zodat je geen verkeerde keuze maakt.’

41Daarna liep hij zelf een stukje verder. Hij knielde en begon te bidden: 42‘Vader, als u het wilt, houd dan dit zware lijden bij mij weg! Maar doe wat u zelf wilt, niet wat ik wil.’ 43Toen kwam er een engel uit de hemel om Jezus kracht te geven. 44Jezus was bang en ging steeds harder bidden. Zijn zweet viel in grote druppels op de grond. Het leken wel druppels bloed.

45Toen Jezus klaar was met bidden, stond hij op en ging naar zijn leerlingen. Die waren van verdriet in slaap gevallen. 46Jezus zei: ‘Waarom slapen jullie? Bid God om kracht, zodat je geen verkeerde keuze maakt.’

Judas verraadt Jezus

47Terwijl Jezus dat zei, kwam er een groep mannen aan. Judas, één van de twaalf leerlingen, liep voorop. Hij ging naar Jezus toe en groette hem met een kus. 48Maar Jezus zei: ‘Judas, verraad je de Mensenzoon met een kus?’

49Toen de leerlingen begrepen wat er ging gebeuren, vroegen ze: ‘Heer, zullen we onze zwaarden pakken?’ 50En één van de leerlingen pakte zijn zwaard en sloeg de knecht van de hogepriester. Hij sloeg zijn rechteroor eraf. 51Maar Jezus zei: ‘Stop, genoeg!’ En hij pakte het oor en maakte de man weer beter.

52Er waren priesters, officieren van de tempel en leiders van het volk meegekomen om Jezus gevangen te nemen. Jezus zei tegen hen: ‘Jullie zijn hier gekomen met zwaarden en stokken. Alsof ik een gevaarlijke misdadiger ben! 53Elke dag was ik bij jullie in de tempel, maar toen namen jullie mij niet gevangen. Nu is het moment gekomen waarop jullie gewacht hebben. Nu laat de duisternis haar macht zien.’

Petrus zegt dat hij Jezus niet kent

54De mannen grepen Jezus vast en brachten hem naar het huis van de hogepriester. Petrus liep op een afstand achter hen aan. 55Toen maakten de mannen een vuur op de binnenplaats van het huis en gingen eromheen zitten. Petrus ging bij hen zitten.

56Een meisje dat daar werkte, zag Petrus bij het vuur zitten. Ze keek naar hem en zei: ‘Die man was ook bij Jezus.’ 57Maar Petrus zei: ‘Mens, ik ken hem niet eens!’ 58Even later zei iemand anders tegen Petrus: ‘Jij hoort ook bij Jezus.’ Maar Petrus antwoordde: ‘Dat is niet waar!’ 59Een uur later zei weer iemand anders: ‘Ik weet heel zeker dat jij bij Jezus hoort. Want je komt duidelijk uit Galilea, net als hij!’ 60Maar Petrus zei: ‘Man, ik heb geen idee waar je het over hebt!’

Terwijl Petrus nog aan het praten was, kraaide er een haan. 61De Heer draaide zich om en keek Petrus aan. En Petrus dacht terug aan wat de Heer tegen hem gezegd had: ‘Jij zult drie keer zeggen dat je mij niet kent. Dat zal vannacht gebeuren, nog voordat de haan kraait.’

62Toen liep Petrus weg, en hij huilde.

Jezus wordt beledigd

63-64De mannen die Jezus gevangengenomen hadden, bespotten hem. Ze deden hem een blinddoek om en sloegen hem. Toen zeiden ze: ‘Hé profeet, zeg eens wie dat deed!’ 65En ze beledigden hem op nog veel meer manieren.

Jezus is de Mensenzoon

66De volgende ochtend kwamen de leiders van het volk, de priesters en de wetsleraren bij elkaar. Jezus werd bij hen gebracht, 67en ze vroegen hem: ‘Zeg eens, bent u de messias?’ Jezus zei: ‘Jullie geloven toch niet dat ik het ben. 68En als ik jullie iets vraag, dan geven jullie geen antwoord. 69Maar ik ben de Mensenzoon. En vanaf nu zal ik naast God zitten, aan de rechterkant.’ 70Toen zeiden ze allemaal: ‘U bent dus de Zoon van God?’ Jezus zei: ‘Jullie zeggen zelf dat ik het ben.’

71Maar zij zeiden: ‘We hebben geen verklaringen over Jezus meer nodig. Want we hebben allemaal gehoord wat Jezus net zelf gezegd heeft.’