Bijbel in Gewone Taal (BGT)
1

Regels voor het offeren van dieren

Het offeren van een stier

11De Heer riep Mozes en zei tegen hem vanuit de heilige tent: 2‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Als iemand een dier wil offeren aan de Heer, moet dat een rund, een schaap of een geit zijn. Het dier moet helemaal verbrand worden.

3-4Als iemand een rund wil offeren, moet het een stier zijn. De stier moet gezond zijn en mag geen gebreken hebben.

Degene die het offer brengt, moet de stier naar de ingang van de heilige tent brengen. En hij moet daar zijn hand op de kop van de stier leggen. Dan zal de Heer het offer aannemen. Zo kan iemand goedmaken wat hij verkeerd gedaan heeft.

5Daarna moet de stier geslacht worden voor de Heer. Dat moet gebeuren bij het grote altaar bij de ingang van de heilige tent. De priesters uit de familie van Aäron moeten het bloed naar het altaar brengen. Ze moeten het langs de zijkanten van het altaar gieten.

6Daarna moet de huid van de stier eraf getrokken worden. En de stier moet in stukken gesneden worden. 7De priesters moeten een vuur maken op het altaar en daar hout op leggen. 8Dan moeten ze de stukken vlees, de kop, en het vet van de nieren op het altaar leggen.

9Daarna moeten de priesters de ingewanden en de poten wassen, en die op het vuur leggen. Ten slotte moeten de priesters alles helemaal verbranden op het altaar.

Zo’n offer heeft een heerlijke geur. Het is een geschenk voor de Heer, dat hij graag aanneemt.

Het offeren van een bok of een ram

10Iemand kan ook een schaap of een geit offeren aan de Heer. Het moet een mannelijk dier zijn dat gezond is en geen gebreken heeft.

11Het dier moet aan de noordkant van het altaar geslacht worden voor de Heer. De priesters moeten het bloed langs de zijkanten van het altaar gieten.

12Daarna moet het dier in stukken gesneden worden. De priesters moeten de stukken vlees, de kop, en het vet van de nieren op het altaar leggen.

13Dan moeten ze de ingewanden en de poten wassen, en die ook naar het altaar brengen. Ten slotte moeten de priesters alles helemaal verbranden op het altaar.

Zo’n offer heeft een heerlijke geur. Het is een geschenk voor de Heer, dat hij graag aanneemt.

Het offeren van een duif

14Iemand kan ook een vogel offeren aan de Heer. Het moet een tortelduif of een jonge gewone duif zijn. 15De priesters moeten de duif naar het altaar brengen. Daar moeten ze de kop eraf trekken en die op het altaar verbranden. Het bloed moeten ze langs de zijkanten van het altaar gieten. 16Dan moeten de priesters de maag van de duif met de inhoud weggooien. Ze moeten die op de ashoop gooien, aan de oostkant van het altaar.

17Daarna moeten de priesters de vleugels van de duif een stukje lostrekken. Maar ze mogen de vleugels er niet helemaal af trekken. Ten slotte moeten ze de duif helemaal verbranden op het altaar.

Zo’n offer heeft een heerlijke geur. Het is een geschenk voor de Heer, dat hij graag aanneemt.’’

2

Regels over graanoffers

Het offeren van meel

21De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Als iemand een graanoffer wil brengen aan de Heer, moet hij fijn meel gebruiken. Hij moet er olijfolie overheen gieten en er wierook bij leggen.

2Dat offer moet naar de priesters uit de familie van Aäron gebracht worden. Zij moeten een handvol meel met olie pakken, en dat met alle wierook verbranden op het altaar. Zo’n offer heeft een heerlijke geur. Het is een geschenk voor de Heer, dat hij graag aanneemt.

Er hoeft maar een handvol meel verbrand te worden. Dat is een teken voor het hele offer. 3De rest van het meel is voor de priesters. Het meel is heel heilig, omdat het bij een offer voor de Heer hoort.

Regels voor het offeren van brood

4Voor een graanoffer kunnen verschillende soorten brood gebruikt worden. Iemand kan een brood offeren dat in een oven gebakken is. Dat brood moet gemaakt zijn van fijn meel zonder gist. Het kan een dik brood zijn, dat met olijfolie gemaakt is. Maar het kan ook een dun brood zijn, waar alleen olie op gesmeerd is.

5Iemand kan ook een brood offeren dat op een vuur gebakken is. Dat brood moet ook gemaakt zijn van fijn meel, gemengd met olijfolie. En er mag geen gist in zitten. 6Het brood moet in stukken gebroken worden, en er moet olijfolie overheen gegoten worden. Dan is het geschikt als offer.

7Ten slotte kan iemand ook een brood offeren dat in een pan gebakken is. Ook dat brood moet van fijn meel en olijfolie gemaakt zijn.

8Het offer moet aangeboden worden aan de Heer. Het moet aan de priester gegeven worden, en die moet het naar het altaar brengen. 9-10De priester moet een deel van het offer verbranden op het altaar. Dat deel is een teken voor het hele offer. De rest is voor de priesters. Het brood is heel heilig, omdat het bij een offer voor de Heer hoort.

Zo’n offer heeft een heerlijke geur. Het is een geschenk voor de Heer, dat hij graag aanneemt.

Nog meer regels over graanoffers

11Voor een graanoffer mag geen brood met gist gebruikt worden. Want gist en honing mogen nooit als offer verbrand worden. 12Jullie mogen gist en honing wel aan de Heer aanbieden om hem te danken voor de oogst. Maar je mag ze nooit verbranden op het altaar.

13Bij al jullie graanoffers moeten jullie zout toevoegen aan het meel. Dat zout is een teken van de afspraken die God met jullie gemaakt heeft. Want die afspraken blijven altijd bestaan, net zoals voedsel langer blijft bestaan door zout. Ook bij al je andere offers moet je zout toevoegen.

14Als jullie met een graanoffer de Heer willen danken voor de oogst, moet je geroosterd graan of platgeslagen graan gebruiken. 15Daar moet olijfolie overheen gegoten worden, en er moet wierook bij gelegd worden. Dan is het geschikt als graanoffer.

16De priester moet een deel van het offer verbranden. Dat is een teken voor het hele offer.’’

3

Regels over offers bij een feestmaal

Het offeren van een koe of een stier

31De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Als iemand een feestmaal wil houden, moet hij een koe of een stier offeren. Het dier moet gezond zijn en mag geen gebreken hebben.

2Degene die het offer brengt, moet zijn hand op de kop van het dier leggen. Daarna moet hij het slachten bij de ingang van de heilige tent. De priesters uit de familie van Aäron moeten het bloed langs de zijkanten van het altaar gieten.

3Een deel van het offer moet aangeboden worden aan de Heer. De rest is voor het feestmaal. Voor de Heer zijn de vette delen: het vet dat aan de ingewanden zit, 4de twee nieren en het vet van de nieren. En ook het vette stukje van de lever is voor de Heer. Dat stukje moet tegelijk met de nieren verwijderd worden.

5De priesters moeten dat allemaal op het vuur op het altaar leggen. Dan moeten ze alles verbranden, tegelijk met de andere offers.

Zo’n offer heeft een heerlijke geur. Het is een geschenk voor de Heer, dat hij graag aanneemt.

Het offeren van een schaap of een geit

6Als iemand een feestmaal voor de Heer wil houden, kan hij ook een schaap of een geit offeren. Het mag een mannelijk of een vrouwelijk dier zijn. Het dier moet gezond zijn en mag geen gebreken hebben.

7Als iemand een schaap wil offeren aan de Heer, 8moet hij zijn hand op de kop van het dier leggen. Daarna moet hij het slachten bij de heilige tent. De priesters moeten het bloed langs de zijkanten van het altaar gieten.

9Een deel van het offer is voor de Heer, de rest is voor het feestmaal. Voor de Heer zijn de vette delen: de hele staart, het vet dat aan de ingewanden zit, 10de twee nieren en het vet van de nieren. En ook het vette stukje van de lever is voor de Heer. Dat stukje moet tegelijk met de nieren verwijderd worden.

11De priesters moeten dat allemaal verbranden op het altaar. Het is een offer voor de Heer.

12Als iemand een geit wil offeren aan de Heer, 13moet hij zijn hand op de kop van het dier leggen. Daarna moet hij het slachten bij de heilige tent. De priesters moeten het bloed langs de zijkanten van het altaar gieten.

14Een deel van het offer is voor de Heer, de rest is voor het feestmaal. Voor de Heer zijn de vette delen: het vet dat aan de ingewanden zit, 15de twee nieren en het vet van de nieren. En ook het vette stukje van de lever is voor de Heer. Dat stukje moet tegelijk met de nieren verwijderd worden.

16De priesters moeten dat allemaal verbranden op het altaar. Al het vet is voor de Heer.

Zo’n offer heeft een heerlijke geur. Het is een geschenk voor de Heer, dat hij graag aanneemt.

Het eten van vet en bloed is verboden

17Vet en bloed mogen jullie niet eten. Dat is een regel die voor altijd geldt, ook voor jullie nakomelingen, waar ze ook wonen.’’