Bijbel in Gewone Taal (BGT)
3

Het wonder bij de Jordaan

De heilige kist wijst de weg

31De volgende ochtend ging Jozua al heel vroeg met alle Israëlieten weg uit Sittim. Ze kwamen bij de plek waar ze de Jordaan wilden oversteken. Daar rustten ze eerst drie dagen uit.

2-3Op de derde dag kregen de Israëlieten in het kamp een opdracht van hun leiders. De leiders zeiden: ‘Straks zullen de priesters de heilige kist van de Heer wegdragen. Als dat gebeurt, moeten jullie meegaan en achter de kist aan lopen. 4Maar zorg wel dat jullie niet te dicht bij de heilige kist komen. Jullie moeten een kilometer afstand houden. De kist zal jullie de weg wijzen, want jullie zijn nog nooit in dit gebied geweest.’

5Daarna zei Jozua tegen het volk: ‘Bereid je voor op een ontmoeting met de Heer, want morgen zal hij wonderen voor jullie doen.’ 6En tegen de priesters zei Jozua: ‘Til de heilige kist op en ga op weg. Het volk zal jullie volgen.’ Zo gebeurde het.

De Heer maakt een pad door de Jordaan

7Toen zei de Heer tegen Jozua: ‘Vanaf vandaag zal ik alle Israëlieten laten zien dat jij hun leider bent. Ze zullen merken dat ik jou help, net zoals ik Mozes geholpen heb. 8Geef aan de priesters de volgende opdracht: ‘Ga een paar stappen de rivier in, en blijf daar dan staan.’’

9Toen zei Jozua tegen de Israëlieten: ‘Kom hier en luister naar de woorden van de Heer, jullie God. 10-13Kies twaalf mannen uit, van elke stam één. De heilige kist van de Heer zal de Jordaan in gaan. Zodra de priesters hun voeten in het water zetten, zal het water stoppen met stromen. Zo zal de Heer van de hele aarde een pad door de rivier maken.

Op dat moment zullen jullie merken dat de levende God bij jullie is. En dan weten jullie dat hij het land aan jullie zal geven. Hij zal alle volken wegjagen: de Kanaänieten, de Hethieten, de Chiwwieten, de Perizzieten, de Girgasieten, de Amorieten en de Jebusieten.’

Het water stopt met stromen

14Toen ging het volk op weg naar de Jordaan. De priesters liepen voorop met de heilige kist. 15Ze kwamen bij de rivier. Het water stond heel hoog, zoals altijd in het voorjaar. Toen de priesters hun voeten in de rivier zetten, 16stopte het water met stromen. Dat gebeurde daar ver vandaan, bij de steden Adam en Saretan. Daar werd het water tegengehouden, zodat het niet meer naar de Dode Zee kon stromen. En zo kon het hele volk de rivier oversteken, vlak bij Jericho.

17Het hele volk liep over het droge stuk naar de overkant. Intussen bleven de priesters in het midden van de droge rivier staan. Ze hadden de heilige kist van de Heer vast, en wachtten totdat iedereen aan de overkant was.

4

Twaalf mannen maken een monument

41Toen alle Israëlieten aan de overkant van de Jordaan waren, zei de Heer tegen Jozua: 2‘Kies uit het volk twaalf mannen, uit elke stam één. 3Zeg tegen die mannen dat ze naar het midden van de Jordaan moeten gaan. Op de plek waar de priesters staan, moeten ze twaalf grote stenen pakken. Die moeten ze neerleggen in het kamp waar ze vannacht gaan slapen.’

4Dus Jozua koos twaalf mannen uit, één uit elke stam. Hij riep hen bij zich 5en zei: ‘Ga naar het midden van de Jordaan, naar de heilige kist van de Heer, jullie God. Daar moet ieder van jullie één steen pakken, voor elke stam één. Die moet je op je schouder hierheen dragen. 6De stenen zullen later voor jullie een teken zijn. Als jullie kinderen dan vragen wat die stenen betekenen, 7dan moet je zeggen: ‘Het water van de Jordaan werd tegengehouden door de heilige kist van de Heer. Want zodra de kist de Jordaan in ging, stopte het water met stromen. Deze stenen zullen ons daar voor altijd aan herinneren.’’

8De twaalf mannen deden wat Jozua gezegd had. Ze haalden twaalf stenen uit de Jordaan, één voor elke stam. Ze brachten de stenen naar hun kamp en legden ze daar neer. Zo deden ze precies wat de Heer tegen Jozua gezegd had.

Jozua maakt ook een monument

9Jozua maakte een monument midden in de rivier, op de plek waar de priesters stonden. Dat monument bestond ook uit twaalf stenen, en het staat daar nog steeds.

10De priesters moesten midden in de Jordaan blijven staan totdat de opdracht van de Heer helemaal uitgevoerd was. Mozes had vroeger al tegen Jozua gezegd dat het zo moest gebeuren.

De priesters lopen voorop

De Israëlieten waren zo snel mogelijk naar de overkant van de rivier gegaan. 11-13Daarna gingen ook de priesters naar de overkant, met de heilige kist van de Heer.

Toen gingen de Israëlieten verder. De priesters liepen voorop, en het volk liep achter hen aan. Maar helemaal vooraan liep een groep van 40.000 soldaten. Dat waren de soldaten van de stammen Ruben en Gad, en van de helft van de stam Manasse. Want zo had Mozes het gezegd. De soldaten liepen voorop om te gaan vechten in de buurt van Jericho.

14Op die dag kregen alle Israëlieten veel respect voor Jozua. Net zo veel respect als ze vroeger voor Mozes hadden. Daar zorgde de Heer voor.

De rivier stroomt weer vol

15De Heer had tegen Jozua gezegd: 16‘Zeg tegen de priesters dat ze met de heilige kist uit de Jordaan moeten komen.’ 17Dat had Jozua gedaan, 18en de priesters waren de Jordaan uit gekomen. Meteen ging de rivier weer stromen, en het water stond weer net zo hoog als eerst.

19De Israëlieten bereikten de overkant van de Jordaan op de tiende dag van de eerste maand. Ze maakten een kamp bij de stad Gilgal, ten oosten van Jericho. 20En de twaalf stenen die de mannen uit de Jordaan gehaald hadden, werden daar rechtop gezet.

21Toen zei Jozua tegen de Israëlieten: ‘Als jullie kinderen later vragen wat die stenen betekenen, 22zeg dan het volgende: ‘Wij zijn dwars door de Jordaan naar de overkant gelopen, over droge grond. 23Want de Heer hield het water tegen. Op dezelfde manier heeft hij ons volk vroeger naar de overkant van de Rietzee gebracht. 24Door die wonderen zullen alle volken op aarde weten hoe machtig de Heer, onze God, is. En door die wonderen zullen jullie hem altijd dienen.’’

5

Veel koningen zijn bang voor Israël

51In het gebied tussen de Jordaan en de Middellandse Zee woonden de Amorieten en de Kanaänieten. De koningen van die volken hoorden dat de God van Israël het water van de Jordaan tegengehouden had. En dat de Israëlieten de Jordaan overgestoken waren. Toen werden die koningen bang. Ze durfden geen oorlog meer te voeren tegen de Israëlieten.

Alle mannen worden besneden

Jozua laat alle mannen besnijden

2Toen zei de Heer tegen Jozua: ‘Pak stenen en maak daar messen van. Ik wil dat je alle mannen en jongens gaat besnijden.’ 3Jozua ging naar de Voorhuidenheuvel, en hij deed wat de Heer gezegd had.

4-7Alle mannen moesten besneden worden. Want de mannen die in Egypte besneden waren, leefden niet meer. En tijdens de reis door de woestijn was niemand besneden.

Die reis had veertig jaar geduurd. Dat kwam zo: In het begin van de reis hadden de Israëlieten niet naar de Heer geluisterd. Daarom had de Heer tegen hen gezegd: ‘Jullie zullen het land Kanaän nooit te zien krijgen. Jullie kinderen zullen er gaan wonen. Maar dat gebeurt pas als jullie allemaal gestorven zijn. Dan zullen jullie kinderen het vruchtbare land krijgen dat ik aan jullie voorouders beloofd heb.’

Nu, na veertig jaar, waren alle mannen uit het begin van de reis gestorven. En nu werden hun zonen door Jozua besneden. 8Toen alle mannen besneden waren, bleven ze in hun tenten totdat hun wonden genezen waren.

9De Heer zei tegen Jozua: ‘Het was verschrikkelijk voor jullie om slaaf te zijn van de Egyptenaren. Vanaf vandaag zorg ik ervoor dat jullie zoiets nooit meer hoeven mee te maken.’ Jozua noemde de plaats waar ze toen waren, Gilgal. Die plaats heet nog steeds zo.

De Israëlieten vieren het Paasfeest

10Toen de Israëlieten in het kamp bij Gilgal waren, vlak bij Jericho, vierden ze het Paasfeest. Dat was op de avond van de veertiende dag van de eerste maand. 11-12Na het Paasfeest viel er geen manna meer uit de hemel. Vanaf toen bakten de Israëlieten brood van het graan dat in het land groeide. Het hele jaar door aten ze voedsel dat van de akkers in Kanaän kwam.

Jericho wordt veroverd

Jozua ontmoet Gods legerleider

13Toen Jozua eens in de buurt van Jericho liep, stond er plotseling een man voor hem. De man had een zwaard in zijn hand. Jozua liep naar hem toe en vroeg: ‘Hoor je bij ons of ben je een vijand?’ 14De man antwoordde: ‘Geen van beide. Ik ben de leider van Gods leger. Daarom ben ik hier.’

Toen knielde Jozua en maakte een diepe buiging. Jozua zei: ‘Ik ben uw dienaar, heer. Zeg me wat ik moet doen.’ 15De legerleider zei: ‘Trek je schoenen uit, want je staat op een heilige plek.’ En Jozua trok zijn schoenen uit.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]