Bijbel in Gewone Taal (BGT)
31

311De Heer zegt: ‘In die tijd zal Israël mijn volk zijn, en ik zal de God zijn van heel Israël.’

De Heer zal zijn volk opnieuw helpen

2De Heer zegt: ‘Volk van Israël, jullie voorouders ontsnapten aan hun vijanden, en vluchtten de woestijn in. Toen ben ik gekomen om hen te helpen. Ik ging met hen mee en bracht hen naar een plaats om uit te rusten. 3Ik heb altijd van mijn volk gehouden, mijn liefde duurt eeuwig. Daarom zal ik ook aan jullie mijn liefde laten zien. Ook jullie zullen zeggen: ‘De Heer is gekomen om ons te helpen.’

4Ik zal weer een groot volk van jullie maken. Het land zal weer opgebouwd worden. Er zal weer gedanst en gezongen worden, er zal weer muziek klinken in het land. 5Jullie zullen weer wijngaarden aanleggen op de heuvels van Samaria. En jullie zullen daar zelf de druiven plukken.

6Er komt een dag dat Israël weer één volk is. Dan wordt er geroepen vanuit de Efraïm-bergen: ‘Kom allemaal mee naar Jeruzalem! We gaan naar de tempel van de Heer, onze God.’’

De Heer haalt zijn volk terug

7De Heer zegt: ‘Juich van vreugde, wees blij! Zing een vrolijk lied over Israël, het belangrijkste volk op aarde. Laat horen dat je blij bent, en roep: ‘Israël is niet verdwenen. De Heer heeft zijn volk gered!’’

8De Heer zegt: ‘Ik haal mijn volk terug uit het verre noorden en uit de verste landen op aarde. Ze komen allemaal terug, ook de mensen die blind zijn, en de mensen die niet kunnen lopen. Ook vrouwen die zwanger zijn of moeten bevallen. Een enorme groep mensen zal terugkomen!

9Huilend zullen ze op weg gaan, maar ik zal hen troosten en leiden. Ik breng hen langs plaatsen waar ze water kunnen drinken. En langs goede wegen, waar niemand zal struikelen. Want ik houd van mijn volk Israël, zoals een vader houdt van zijn oudste zoon.’

De Heer zorgt voor een goede tijd

10Luister, volken! Dit is het besluit van de Heer, maak het bekend tot in de verste landen. De Heer heeft zijn volk weggejaagd, maar hij zal het ook weer terugbrengen. Hij zal voor hen zorgen zoals een herder voor zijn schapen zorgt.

11De Heer gaat zijn volk redden. Hij gaat de Israëlieten bevrijden van hun vijanden, die sterker zijn dan zij. 12Dan zullen de Israëlieten juichend naar de berg Sion komen. Ze zullen stralen van vreugde om alles wat de Heer hun geeft: brood, wijn, olijven, geiten, schapen, koeien. Het zal zijn alsof ze in een prachtige tuin leven. Ze zullen nooit meer honger of dorst hebben.

13De Heer zegt: ‘Meisjes en jongens zullen vrolijk dansen, zelfs oude mensen dansen mee. Want ik maak een eind aan de rouw en het verdriet van mijn volk. Ik troost hen en maak hen weer blij. 14De priesters zullen weer genieten van het offervlees. En mijn volk zal genieten van al het goede dat ik hun geef.’

Er komt een eind aan het verdriet

15De Heer zegt: ‘In Rama wordt gehuild en geschreeuwd. Rachel huilt om haar kinderen, de Israëlieten. Ze wil niet dat iemand haar komt troosten, want haar kinderen zijn er niet meer. 16-17Maar ik, de Heer, zeg: Stop met huilen, droog je tranen. Er is hoop voor de toekomst, alles komt goed! De Israëlieten zullen terugkomen uit het land van de vijand. Ze zullen terugkeren naar hun eigen land.’

De Heer houdt van zijn volk

18De Heer zegt: ‘Ik heb gehoord dat het volk van Israël spijt heeft. Ze zeggen: ‘Heer, u hebt ons gestraft. U hebt ons geslagen, omdat wij ongehoorzaam waren. Maar breng ons bij u terug. Laat ons bij u terugkomen. Want u, Heer, bent onze God. 19Wij zijn bij u weggegaan. Maar toen we begrepen wat we gedaan hadden, kregen we spijt. We schamen ons voor wat we gedaan hebben. Ja, we schamen ons diep. We hebben spijt van alles wat we vroeger verkeerd gedaan hebben.’’

20De Heer zegt: ‘Ik houd van mijn volk. Ik houd van Israël, zoals een vader houdt van zijn enige kind. Daar denk ik aan, telkens als ik over Israël spreek. En dan voel ik de pijn over hoe het nu is. Ik heb medelijden met mijn volk. Ik ga hen helpen.’

Het volk moet terugkeren naar huis

21Volk van Israël, maak je klaar voor de reis. Denk terug aan de weg die je ooit moest gaan. Ga nu langs dezelfde weg terug. Volk van Israël, ga terug! Keer terug naar je steden! 22Ontrouw volk, hoe lang blijf je nog weglopen van de Heer? Kom naar huis!

De Heer zorgt voor een nieuwe tijd. Alles wordt anders. Dan zal het volk van Israël lijken op een vrouw die haar man omhelst.

Het zal weer goed gaan met het volk

23De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Ik zal zorgen dat het weer goed gaat met mijn volk. Iedereen in Juda zal weer zeggen: ‘Heer, zegen uw heilige stad Jeruzalem, stad van recht en vrede!’

24Dan zullen de steden van Juda weer bewoond worden. Er wonen weer boeren op het land, en herders trekken weer rond met hun schapen. 25Iedereen die dorst heeft, zal ik te drinken geven. Iedereen die geen kracht meer heeft, maak ik weer sterk. 26En iedereen die wakker wordt en zijn ogen opent, zal zeggen: ‘Ik voel me weer goed.’’

Na de straf komt de tijd van redding

27De Heer zegt: ‘Er komt een tijd dat ik mijn volk weer groot en vruchtbaar zal maken. Dan zal ik in Israël en Juda weer veel mensen en dieren laten leven.

28Ik heb niet geaarzeld om mijn volk te straffen. Ik heb hen weggehaald uit hun land, ik heb alles afgebroken. Ik heb hen vernietigd, ik heb hen kapotgemaakt. Ik heb rampen op hen afgestuurd. Maar nu zal ik ook niet aarzelen om hen te redden. Ik zal hen terug laten gaan naar hun land, en alles weer opbouwen.

29In die tijd zal niemand meer zeggen: ‘De ouders hebben zure druiven gegeten, en de kinderen kregen daar slechte tanden van.’ 30Want nooit meer zal iemand gestraft worden voor de slechtheid van zijn ouders. Nee, als iemand gestraft wordt, is het vanwege zijn eigen slechtheid.’

Er komt een nieuwe afspraak

31De Heer zegt: ‘Er komt een tijd dat ik een nieuwe afspraak maak met de inwoners van Israël en Juda. 32Dat zal een andere afspraak zijn dan die ik gemaakt heb met hun voorouders, toen ik hen uit Egypte leidde. Zij waren mijn dienaren, zij moesten zich aan die afspraak houden. Maar dat deden ze niet.

33Dit zal mijn nieuwe afspraak met de Israëlieten zijn: Ik zal ervoor zorgen dat ze mijn regels kennen. Ik zal ze in hun hart schrijven, zodat ze die nooit vergeten. Dan zal ik hun God zijn, en zij zullen mijn volk zijn. 34Ze hoeven dan niet meer tegen elkaar te zeggen: ‘Zorg dat je God, de Heer, kent!’ Want in die tijd zal iedereen mij kennen, van klein tot groot! Dan vergeef ik hun fouten, en vergeet ik hun zonden.’

Israël blijft voor altijd Gods volk

35De Heer zegt: ‘Ik heb de zon gemaakt om overdag licht te geven. Ik heb de maan en de sterren gemaakt om ’s nachts licht te geven. Ik laat het stormen op zee, ik zorg voor hoge golven. Mijn naam is: Machtige Heer.

36Ik heb de tijden van dag en nacht bepaald, en de plaats van het land en de zee. Het zal altijd zo blijven. Net zo zal Israël voor altijd mijn volk blijven. 37Nooit zal iemand de hemel kunnen meten, of kunnen onderzoeken hoe ik de aarde gemaakt heb. En nooit zal ik mijn volk Israël wegdoen, ook al hebben ze veel slechte dingen gedaan!’

Jeruzalem zal Gods heilige stad zijn

38De Heer zegt: ‘Er komt een tijd dat Jeruzalem weer opgebouwd wordt. Dan zal het mijn eigen stad zijn. Dan loopt de stadsmuur van de Chananel-toren tot de Hoekpoort. 39En vanaf de Hoekpoort zal de muur helemaal doorlopen tot de Gareb-heuvel, en vanaf daar naar Goa.

40Binnen de stad ligt dan het Hinnom-dal, waar de doden begraven worden en waar de as van het altaar ligt. Ook alle velden tot aan het Kidron-dal liggen dan in de stad. De stadsmuur loopt langs het Kidron-dal tot aan de Paardenpoort aan de oostkant. Dat hele gebied is dan mijn heilige stad. Jeruzalem zal nooit, nooit meer worden afgebroken en verwoest!’

32

Jeremia koopt een stuk land

Jeremia zit gevangen

321Toen Sedekia tien jaar koning van Juda was, kreeg Jeremia opnieuw een boodschap van de Heer. Nebukadnessar was toen achttien jaar koning van Babylonië. 2En het leger van Nebukadnessar was naar Jeruzalem gekomen om de stad aan te vallen.

Jeremia zat op dat moment gevangen in de kazerne bij het paleis. 3Koning Sedekia had hem daar laten opsluiten, omdat Jeremia het volgende gezegd had: ‘Dit zegt de Heer: ‘Ik geef Jeruzalem aan de koning van Babylonië. Hij gaat deze stad veroveren! 4En Sedekia zal niet ontsnappen, maar de Babyloniërs zullen hem grijpen. Dan wordt Sedekia naar koning Nebukadnessar gebracht. Hij zal tegenover Nebukadnessar staan, en die zal persoonlijk over hem oordelen.

5Daarna wordt Sedekia meegenomen naar Babel. Daar zal hij blijven totdat ik het zeg. Inwoners van Jeruzalem, al jullie verzet tegen de Babyloniërs is zinloos!’’

Jeremia’s neef komt naar hem toe

6Dit was de boodschap die de Heer mij gaf: 7‘Jeremia, luister. Chanamel, de zoon van je oom Sallum, is naar jou op weg. Hij zal tegen je zeggen: ‘Ik moet mijn stuk land in Anatot verkopen. Jij hebt als eerste het recht om het te kopen, want je bent mijn neef. Koop het alsjeblieft. Dan blijft het in de familie.’’

8Daarna kwam mijn neef Chanamel bij me in de kazerne waar ik gevangen zat. Hij zei: ‘Koop toch mijn stuk land in Anatot, in het gebied Benjamin. Jij hebt als eerste het recht om het te kopen, want je bent mijn neef. Koop het alsjeblieft. Dan blijft het in de familie.’

Alles ging precies zoals de Heer gezegd had. Toen begreep ik dat dit een opdracht van de Heer was.

Jeremia koopt het land van zijn neef

9-12Ik kocht dat stuk land van mijn neef uit Anatot. Ik regelde het officieel: Eerst riep ik er een paar mensen bij als getuigen. Toen woog ik zilver op een weegschaal. Ik betaalde mijn neef 170 gram zilver.

De afspraken die we over het land gemaakt hadden, werden op papier gezet. Bovenaan stonden de officiële afspraken. Dat gedeelte werd opgerold en dichtgemaakt. Onderaan stond een kopie van de afspraken. En de getuigen schreven daar hun naam bij. Dat gedeelte bleef zichtbaar.

Toen gaf ik het papier met de afspraken aan Baruch. Hij was een zoon van Neria en een kleinzoon van Machseja. Mijn neef Chanamel stond erbij, samen met de getuigen en de andere mensen die daar waren. 13En iedereen hoorde dat ik aan Baruch deze opdracht gaf: 14‘De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Doe dit papier in een kruik, zodat het jarenlang goed bewaard blijft. 15Want ooit zullen er in het land weer akkers, huizen en wijngaarden gekocht worden.’ Dat zegt de machtige Heer, de God van Israël.’

Gebed van Jeremia

De Heer is groot en machtig

16Toen ik het papier met de afspraken aan Baruch gegeven had, bad ik tot de Heer: 17‘Heer, mijn God, u hebt met uw grote kracht de hemel en de aarde gemaakt. Voor u is alles mogelijk! 18Uw liefde duurt duizenden generaties. Maar u straft mensen die u ontrouw zijn, en ook hun kinderen. U bent de grote en machtige God. Uw naam is: Machtige Heer. 19Uw besluiten zijn wijs, uw daden zijn machtig. U ziet alles wat de mensen doen, en u geeft ieder mens wat hij verdient. U beloont het goede en u straft het kwade.

Het ontrouwe Israël is gestraft

20U hebt vroeger in Egypte machtige wonderen gedaan. U hebt telkens opnieuw wonderen gedaan, in Israël en in heel de wereld. En u doet dat nu nog steeds. Uw macht is overal bekend. 21U hebt uw volk Israël met machtige wonderen bevrijd uit Egypte. De vijanden beefden van angst door uw daden. 22U gaf uw volk het land dat u plechtig beloofd had aan hun voorouders, een land waar iedereen meer dan genoeg te eten en te drinken heeft.

23De Israëlieten gingen het land in en namen het in bezit. Maar ze waren niet gehoorzaam aan u. Ze hielden zich niet aan uw wet. Ze luisterden niet naar de regels die u hun gegeven had. Daarom worden ze nu door een grote ramp getroffen.

Jeremia heeft een vraag

24Heer, de Babyloniërs zijn begonnen met hun aanval op Jeruzalem. Ze zullen de stad veroveren. De inwoners van Jeruzalem zullen sterven door oorlog, hongersnood en vreselijke ziektes. U hebt gezegd dat dat zou gaan gebeuren. Nu gebeurt het, en u ziet het. 25En toch zei u tegen mij: ‘Koop dat stuk land, regel het officieel, en betaal ervoor.’ Terwijl de Babyloniërs klaarstaan om Jeruzalem te veroveren! Ach, Heer, mijn God, waarom moest ik dat doen?’

Antwoord van de Heer

Jeruzalem zal veroverd worden

26De Heer zei tegen Jeremia: 27‘Ik ben de Heer, de God van de hele aarde. Voor mij is alles mogelijk. 28En ik zeg: Ik geef Jeruzalem aan Nebukadnessar, de koning van Babylonië. Zijn leger zal de stad veroveren. 29Zijn soldaten hebben de stad al omsingeld, en straks zullen ze de stad binnenkomen. Ze zullen de stad in brand steken, en alle huizen laten afbranden.

Want op de daken hebben de inwoners van Jeruzalem afgoden vereerd. Ze hebben wierook gebrand voor de god Baäl, en wijn geofferd aan andere goden. Zo hebben ze mij kwaad gemaakt!

De Heer is kwaad op zijn volk

30Al eeuwenlang doen de inwoners van Israël en Juda dingen die ik niet goed vind. De inwoners van Israël hebben mij woedend gemaakt met hun afgodsbeelden. 31Ook in Jeruzalem gebeuren dingen die mij woedend maken. Al vanaf de dag dat die stad gebouwd werd, maken de inwoners mij kwaad. Daarom laat ik die stad verdwijnen!

32Met al hun slechtheid hebben ze mij kwaad gemaakt: de koningen en de leiders, de priesters en de profeten, de inwoners van Jeruzalem, ja, alle inwoners van Israël en Juda! 33Ze willen niets met mij te maken hebben. Ik heb hun telkens weer geleerd hoe ze moeten leven. Maar ze willen steeds maar niet luisteren! 34Ze hebben beelden van afgoden in mijn tempel gezet. Zo hebben ze mijn tempel onrein gemaakt. 35In het Hinnom-dal hebben ze altaren voor de god Baäl gebouwd. Op die altaren offeren ze hun eigen zonen en dochters aan de god Moloch. Maar dat heb ik toch nooit van hen gevraagd? Zoiets wil ik niet! Hoe konden ze zoiets verschrikkelijks doen? Hoe kon het volk van Juda zo zondigen?

Na de straf komt er weer vrede

36-37Dit zeggen de mensen over Jeruzalem: ‘De stad werd getroffen door oorlog, hongersnood en vreselijke ziektes, en veroverd door de koning van Babylonië.’ Maar dit zeg ik, de Heer, de God van Israël: Dat heb ik gedaan. Ik heb de inwoners van Jeruzalem verjaagd naar alle landen van de wereld. Want ik was ontzettend kwaad op hen. Maar ik ga hen ook terughalen! Ik breng ze terug naar Jeruzalem en ik laat ze daar in vrede wonen. 38Zij zullen mijn volk zijn, en ik zal hun God zijn.

39Dan willen zij niets anders dan mij dienen. Dan doen ze altijd wat ik wil. Dan zal het goed gaan met hen en met hun kinderen. 40-41Ik beloof dat ik hen nooit meer in de steek laat. Ik zal ervoor zorgen dat het goed met hen gaat. En dat ze mij met heel hun hart dienen, zodat ze nooit meer bij me weggaan. Ik zorg er weer met vreugde voor dat ze gelukkig zijn. Ik zal hen voor altijd in hun land laten wonen. Dat is mijn belofte aan hen, voor eeuwig.

Het zal weer goed gaan in het land

42Mijn volk, luister. Ik, de Heer, heb jullie gestraft met verschrikkelijke rampen. Maar nu zal het goede komen dat ik beloofd heb. 43Jullie zeggen over dit land: ‘Het is een woestijn, waar geen mens of dier woont. De Babyloniërs hebben er de macht.’

Maar ik zeg: Er zullen in dit land weer akkers gekocht worden. 44Mensen zullen weer akkers kopen en ervoor betalen. Alles zal weer normaal geregeld worden. Afspraken zullen weer opgeschreven worden en geldig zijn.

Zo zal het gaan in het hele land: in het gebied Benjamin, in het gebied rond Jeruzalem, in alle steden van Juda, in het bergland en het heuvelland, en in de Negev-woestijn. Want ik, de Heer, zeg: Ik zorg ervoor dat het weer goed met jullie gaat.’

33

Er komt een nieuwe tijd

De Heer zegt wat er gaat gebeuren

331Jeremia zat nog steeds gevangen in de kazerne bij het paleis. Voor de tweede keer kreeg hij daar een boodschap van de Heer.

2De Heer zei tegen hem: ‘Ik ben de Heer, de God van Israël. Lang geleden heb ik alles bepaald. Toen heb ik besloten wat er nu zal gebeuren, en mijn besluit staat vast. 3Jeremia, vraag me wat er gaat gebeuren, dan zal ik je antwoord geven. Ik ga je belangrijke dingen vertellen. Dingen die voor mensen verborgen zijn, en die ook jij niet weet.

4Dit zeg ik, de Heer, de God van Israël, over Jeruzalem: De inwoners hebben huizen en paleizen afgebroken om de stadsmuur te versterken. Ze vochten tegen de Babyloniërs, die de stad aanvielen. 5Maar omdat ik zo boos was op Jeruzalem, heb ik de inwoners gedood. Nu ligt de stad vol met doden. Ik heb Jeruzalem in de steek gelaten, omdat de mensen daar zo slecht zijn.

Een nieuwe tijd voor Jeruzalem

6Maar luister nu: Ik zorg ervoor dat Jeruzalem weer opgebouwd wordt. Er zullen weer mensen in de stad kunnen wonen. Dan zal ik laten zien dat ze voor altijd veilig zijn en in vrede kunnen leven.

7Ik zal ervoor zorgen dat het weer goed gaat met Juda en met Israël. Alles wordt weer net als vroeger. 8Mijn volk heeft zich slecht gedragen en zich tegen mij verzet. Maar ik zal al hun fouten vergeven. Ik zal hun schuld wegnemen.

9Ik zal weer blij zijn met Jeruzalem. Alle volken op aarde zullen horen hoe goed ik ben voor mijn stad. En ze zullen eerbied en respect voor mij hebben. Ze zullen zien dat ik zorg voor vrede en geluk in de stad. Ze zullen zien hoe machtig ik ben. En ze zullen beven van schrik.’

Het zal weer goed gaan in het land

10De Heer zegt: ‘Luister, inwoners van Juda. Jullie zeggen: ‘Ons land is verwoest. De steden van Juda zijn vernietigd. De straten van Jeruzalem zijn leeg, er leeft geen mens of dier meer.’

11Maar dit zeg ik over jullie land: Er zullen weer vrolijke stemmen klinken. Er zal weer feestgevierd worden, er zullen weer liederen gehoord worden. De mensen zullen zingen: ‘Dank de machtige Heer, want hij is goed! Zijn liefde blijft altijd bestaan.’ Dan worden er weer offers naar de tempel gebracht. Want dit zeg ik, de Heer: Ik zorg ervoor dat het weer goed gaat met het land, net als vroeger.’

12De machtige Heer zegt: ‘Nu is het land verwoest, en ook alle steden. Er leeft geen mens of dier meer. Maar er zullen in het land weer groene velden zijn. Daar zullen herders hun schapen laten uitrusten. 13Ze zullen hun schapen weer tellen, overal in het land. In het bergland en heuvelland, in de Negev-woestijn, in het gebied Benjamin, rond Jeruzalem, en rond alle steden van Juda.’

Een nieuwe koning en nieuwe priesters

14De Heer zegt: ‘Er komt een nieuwe tijd. Dan zal gebeuren wat ik aan Israël en Juda beloofd heb. 15Dan zorg ik ervoor dat er een nieuwe koning komt uit de familie van David. Ik zal hem zelf uitkiezen. Hij zal eerlijk rechtspreken. Hij zal iedereen goed en rechtvaardig behandelen.

16Dan wordt Jeruzalem genoemd ‘De Heer is onze redder’. Want in die tijd zal ik mijn volk redden. Dan zullen de inwoners van Jeruzalem in vrede leven.

17Dit zeg ik, de Heer: Er zal altijd een nakomeling van David koning van Israël zijn. 18En de Levieten zullen mij altijd als priester dienen. Zij zullen de offers brengen: offers om op het altaar te verbranden, graanoffers en offers voor een feestmaal.’

De beloftes van de Heer staan vast

19De Heer zei tegen Jeremia: 20‘Ik, de Heer, zeg: Ik heb de tijden van de dag en de nacht bepaald. Niemand kan die veranderen. 21En net zo kan niemand iets veranderen aan mijn beloftes. Ik heb David beloofd dat er altijd één van zijn nakomelingen koning van Israël zal zijn. En ik heb de Levieten beloofd dat ze altijd mijn priesters zullen zijn.

22Ik zorg ervoor dat de nakomelingen van David niet te tellen zullen zijn, net als de sterren aan de hemel. Ook de Levieten, die mij dienen, zullen niet te tellen zijn, net als het zand bij de zee.’

Israël en Juda blijven Gods volk

23De Heer zei tegen Jeremia: 24‘Je hebt toch wel gehoord wat de mensen zeggen? Ze zeggen: ‘De Heer wil niet meer de God van Israël en Juda zijn. Hij had die volken zelf uitgekozen. Maar nu zijn ze niet meer het volk van God, ze tellen niet meer mee!’

25Maar dit zeg ik, de Heer: Ik heb de tijden van de dag en de nacht bepaald, en de plaats van de hemel en de aarde. Dat zal altijd zo blijven. 26Net zo zullen Israël en Juda altijd mijn volk blijven. Want ik heb beloofd dat het volk van Abraham, Isaak en Jakob altijd blijft bestaan. En ik heb beloofd dat ik steeds een nakomeling van David zal aanwijzen als koning van mijn volk.

Ik zal ervoor zorgen dat het weer goed gaat met mijn volk. Ik zal weer medelijden met hen hebben.’