Bijbel in Gewone Taal (BGT)
46

De verwoesting van Babel

De goden van Babel kunnen niets meer

461-2Bel en Nebo, de goden van de stad Babel, hebben geen macht meer. Hun beelden zijn op de grond gevallen. Ze zijn kapot. Eerst liepen de inwoners van Babel plechtig met die beelden door de stad. Maar nu hebben vermoeide dieren ze op hun rug. Nu worden die kapotte beelden door ezels weggedragen.

De beelden zijn in stukken gevallen. De goden hebben geen macht meer. Ze hebben zichzelf niet kunnen redden.

God zal het volk van Israël redden

3God zegt tegen het volk van Israël: ‘Luister naar mij, iedereen die nog in leven is. Vanaf jullie geboorte heb ik als een moeder voor jullie gezorgd. 4En dat zal ik blijven doen, totdat jullie oud en grijs zijn. Ik blijf steeds dezelfde. Wat ik gedaan heb, dat zal ik blijven doen. Ik zal jullie steunen en redden.

God is met niemand te vergelijken

5Er is geen god zoals ik. Ik ben met niemand te vergelijken!

6Andere goden worden door mensen gemaakt. De mensen zoeken wat goud of zilver bij elkaar, en ze laten een smid daar een beeld van maken. Dan buigen ze en knielen ze voor dat beeld. 7Ze tillen het op, nemen het mee en zetten het ergens neer. En daar blijft het beeld staan, het komt niet meer van zijn plaats.

Zo’n god reageert niet als iemand om hulp roept. Hij redt mensen niet als ze in moeilijkheden zijn.’

God zal bevrijding brengen

8God zegt: ‘Volk van Israël, jullie zijn mij niet trouw meer. Denk goed na, kom bij mij terug. 9Denk na over alles wat er vroeger gebeurd is. Ik ben God, er is geen andere god. Er is niemand zoals ik.

10In het begin heb ik al voorspeld hoe alles zal aflopen. Lang geleden heb ik al gezegd wat er zal gebeuren. Wat ik besluit, dat gebeurt ook. Wat ik wil, dat doe ik ook.

11Uit het oosten laat ik een man komen die zo snel is als een adelaar. Hij zal mijn plannen uitvoeren. Dat zal gebeuren omdat ik het zeg. Het zal gaan zoals ik het besloten heb.

12Luister naar mij, volk van Israël. Jullie zijn eigenwijs, jullie geloven niet dat jullie bevrijd zullen worden. 13Maar ik zal jullie redden, ik zal bevrijding brengen. Dat zal niet lang meer duren. Ik zal redding brengen in Jeruzalem, en iedereen in Israël zal zien hoe machtig ik ben.’

47

Babel zal zijn macht verliezen

471De Heer zegt: ‘Babel, je bent nu nog een machtige stad. Zo machtig als een koningin. Maar ik zeg tegen jou: Koningin Babel, kom van je troon en ga op de grond zitten. Je bent je macht kwijt. Je bent niet meer die deftige dame, 2je bent nu een slavin. Je moet nu graan gaan malen. Doe je mooie sluier af, trek je jurk uit en ga maar door het water van de rivier. 3Iedereen ziet je, het is alsof je naakt bent. De mensen zullen je uitlachen. Zo zal ik je straffen, en niemand houdt mij tegen.

4-6Koningin Babel, ga op de grond zitten en wees stil. Het is nu donker om je heen. Je heerst niet langer over veel koninkrijken. Toen ik kwaad was op mijn volk, heb ik hun land aan jou gegeven. Maar jij hebt dat land verwoest. Jij had geen medelijden met mijn volk, en ook niet met hun leiders.’

Dat zegt de heilige God van Israël. Hij is onze bevrijder. Zijn naam is: Machtige Heer.

Babel lijkt op een verwende koningin

7De Heer zegt tegen de stad Babel: ‘Jij denkt dat je voor altijd machtig blijft! Maar je hebt niet goed opgelet. Daardoor zie je niet wat er gebeurt. Je weet nog niet hoe het met je zal aflopen.

8Je lijkt op een verwende koningin die alleen aan zichzelf denkt. Die koningin denkt: Met mij kan niets fout gaan. Ik zal mijn man niet verliezen. Mijn kinderen zullen niet sterven. 9Maar dat zal wel gebeuren! Onverwachts, op één dag, zullen haar man en haar kinderen sterven. Daar helpt geen toverspreuk tegen, geen toverkunst kan die koningin helpen.

10Babel, jij denkt: Ik kan doen wat ik wil, want God ziet toch niet wat ik doe. Je denkt: Met mij kan niets fout gaan! Je vertrouwt op al je kennis, maar dat helpt niets. 11Het kwaad zal je treffen. Geen enkele toverkunst kan het ongeluk tegenhouden. Heel plotseling zal het gebeuren. Voordat je het weet, is het afgelopen met jou.

Babel kan door niemand gered worden

12Babel, gebruik je toverkunsten en toverspreuken maar, zoals je altijd gedaan hebt. Misschien kun je toch iets doen. Misschien dat het kwaad toch verdwijnt. 13Je had toch altijd zo veel raadgevers? Wat heb je die vaak om raad gevraagd! Vraag hun maar om te komen. Zij kijken toch vaak naar de hemel en de sterren? Zij zeggen toch elke maand wat er in de toekomst met je zal gebeuren? Vraag die raadgevers dan of ze je komen redden!

14Maar zij zullen je niet redden. Ze zullen allemaal verdwijnen in het vuur. Ze zullen allemaal verbranden, niemand zal uit dat vuur ontsnappen. Want het is niet zomaar een vuurtje waarop je brood bakt! Het zijn geen vlammen om lekker warm van te worden. Nee, het is een vuur dat alles verwoest!

15Je raadgevers zullen je dus niet helpen. Ook al ken je hen heel goed, ook al heb je vaak raad aan hen gevraagd. Die raadgevers zullen allemaal verdwijnen. En niemand zal je redden.’

48

God laat iets nieuws gebeuren

Het volk van Israël is onbetrouwbaar

481-2De Heer zegt: ‘Volk van Israël, luister! Jullie zijn de nakomelingen van Jakob. Jullie komen uit de stam Juda. Jullie naam is Israël. Jullie noemen jezelf inwoners van de heilige stad Jeruzalem. Jullie noemen mij God van Israël, Machtige Heer. Jullie zoeken hulp bij mij en jullie zeggen dat je mij vereert. Maar jullie zijn oneerlijk en onbetrouwbaar!

3Lang geleden heb ik al voorspeld wat er zou gaan gebeuren. Iedereen kon het horen. En nu is het opeens gebeurd. 4-5Ik heb het lang geleden voorspeld, omdat ik wist dat jullie ongehoorzaam zijn. Ik wilde niet dat jullie zouden zeggen: ‘Onze afgoden hebben het voorspeld, zij hebben het laten gebeuren.’

6Jullie hebben dus mijn woorden gehoord, en jullie hebben gezien wat er daarna gebeurd is. Waarom hebben jullie de mensen dan niet gewaarschuwd?

De Heer gaat iets nieuws doen

Nu ga ik iets nieuws vertellen. Iets wat jullie nog niet eerder gehoord hebben, iets wat jullie niet konden zien. 7Iets wat er nooit geweest is. Iets waarvan je nog nooit gehoord hebt. Het is nu pas ontstaan. Je kunt dus niet zeggen: ‘Dat wist ik allang.’ 8Nee, hier hebben jullie nog nooit van gehoord. Je wist niet dat zoiets kon gebeuren.

Volk van Israël, ik weet dat ik jullie niet kan vertrouwen. Jullie hebben mij al zo vaak in de steek gelaten! 9Ik ben woedend, maar ik zal me inhouden. Ik zal jullie niet doden. Want ik ben een goede en betrouwbare God. 10Maar ik zal jullie wel straffen. Ik heb jullie vaak gestraft, zodat jullie weer zouden luisteren. Maar die straffen hebben niets geholpen. Daarom zal ik jullie nu heel zwaar straffen. 11Ik doe dat voor mezelf, voor mij alleen. Want ik wil dat iedereen eerbied voor mij heeft. En ik wil mijn eer niet met een ander delen!’

De Heer stuurt Cyrus naar Babel

12De Heer zegt: ‘Volk van Israël, luister naar mij. Ik heb jullie uitgekozen. Ik blijf steeds dezelfde God. Ik ben de eerste en ik ben de laatste. 13Ik alleen heb de aarde gemaakt. Ik heb de hemel als een koepel boven de aarde gezet. Als ik de sterren roep, dan komen ze tevoorschijn.

14Kom allemaal hier en luister! Wie heeft gezegd: ‘Ik stuur koning Cyrus, hij is mijn vriend. Hij zal doen wat ik wil. Hij zal met zijn leger de Babyloniërs straffen’? Hebben andere goden dat gezegd? 15Nee! Ik heb dat gezegd. Ik heb Cyrus geroepen. Ik zal zorgen dat hij komt, en dat zijn plannen slagen.

16Kom hierheen en luister! Al vanaf het begin heb ik tegen jullie gesproken. Iedereen kon het horen. Vanaf het begin van alles was ik er. Ik ben God, de Heer. Ik heb mijn dienaar Cyrus gestuurd, en ik heb hem mijn geest gegeven.’

De Heer bevrijdt zijn volk

17De Heer zegt: ‘Volk van Israël, ik ben de heilige God. Ik zal jullie bevrijden. Ik ben de Heer, jullie God. Ik leer jullie wat goed voor je is. Ik vertel hoe jullie moeten leven.

18Als jullie naar mijn regels geluisterd hadden, dan was er nu vrede en dan was alles nu goed. Die vrede zou er altijd zijn, zoals een rivier die altijd stroomt. 19En als jullie naar mijn regels geluisterd hadden, zouden jullie veel meer nakomelingen hebben. Je zou ze niet kunnen tellen, zoals je het zand bij de zee niet kunt tellen. En dan zou ik jullie nooit vergeten, ik zou altijd aan jullie blijven denken.

20Volk van Israël, ga weg uit Babel. Vlucht weg voor de Babyloniërs, en roep: ‘We zijn vrij! De Heer heeft zijn dienaar Israël bevrijd!’ Laat iedereen het horen, maak het overal bekend.

21Ik leid jullie door de woestijn. Jullie zullen geen dorst hebben, want ik zal water uit de rotsen laten stromen. 22Maar dit zeg ik ook: Alleen de mensen die mij trouw zijn, zullen in vrede leven.’