Bijbel in Gewone Taal (BGT)
33

Een volk dat andere volken verraadt

331Er is een volk dat landen verwoest zonder ooit zelf verwoest te zijn. Een volk dat andere volken verraadt zonder ooit zelf verraden te zijn. Met dat volk zal het slecht aflopen! Als het alle volken verraden heeft, zal het zelf verraden worden. Als het alles verwoest heeft, zal het zelf verwoest worden!

De Israëlieten vragen God om hulp

2De Israëlieten zullen bidden: ‘Heer, wees goed voor ons. Wij vertrouwen op u. Geef ons kracht, elke dag weer. Red ons uit gevaar.

3Zodra de andere volken uw stem horen, vluchten ze weg. Zodra u komt, vluchten ze alle kanten op. 4En als ze weg zijn, komen er rovers. Die zullen al hun steden leegroven, zoals sprinkhanen een heel veld kaalvreten.

5Heer, u bent machtig, u woont hoog in de hemel. U zorgt ervoor dat er in Jeruzalem eerlijk rechtgesproken wordt. 6Door u leven we allemaal zonder angst. U geeft ons veel wijsheid en kennis. Wij willen u eren, dat is voor ons het belangrijkste.’

De inwoners van Jeruzalem huilen

7De inwoners van Jeruzalem lopen nu nog huilend door de straten. De boodschappers die over vrede spraken, huilen van verdriet. 8Niemand gaat meer op reis, alle straten zijn leeg. Want er is geen vrede meer. Er wordt niet geluisterd naar mensen die vrede willen. En er worden zomaar mensen vermoord.

9Het land is droog geworden, er groeit niets meer. Op de Libanon-bergen is alles dood en verdord. Het prachtige Saron-dal is nu een woestijn. En in het gebied Basan en op de berg Karmel zijn alle bomen kaal.

De Heer zal zijn macht laten zien

10De Heer zegt: ‘Volk van Israël, nu zal ik komen, ik zal niet langer wachten. Ik zal mijn macht laten zien. 11Jullie zijn woedend op je vijanden, maar jullie plannen zijn waardeloos. Daarmee zullen jullie alleen maar jezelf treffen.

12Ik zal de andere volken vernietigen. Ze worden verbrand, zoals hout in een oven. 13Alle volken, ver weg en dichtbij, zullen horen wat ik gedaan heb. En ze zullen weten hoe machtig ik ben.’

Eerlijke mensen zijn veilig bij God

14Mensen die slecht leven en niet op God vertrouwen, zijn bang. Ze zeggen: ‘Wij kunnen niet op de berg Sion wonen. Wij kunnen niet leven op een plaats waar het vuur van God altijd brandt.’

15-16Maar mensen die eerlijk leven en de waarheid spreken, hoeven niet bang te zijn. Zij kunnen op de berg Sion wonen. Dat zijn de mensen die niet stelen en die zich niet laten omkopen. En dat zijn ook de mensen die niet moorden, geen geweld gebruiken en geen misdaden plegen. Zij kunnen op de berg Sion wonen. Daar hebben ze genoeg te eten en te drinken. Ze wonen er veilig, niemand kan hun daar kwaad doen.

De Heer zal koning zijn

17Israëlieten, op een dag zullen jullie God, de machtige koning, zien. Hij zal heersen over de hele aarde.

18Dan zullen jullie terugdenken aan de verschrikkelijke dingen die gebeurd zijn. Jullie zullen terugdenken aan de mannen die jullie geld telden en die veel belasting vroegen. En jullie zullen terugdenken aan de vijanden die over de stad heersten. Maar die zijn dan allemaal weg! 19Jullie zullen die brutale gezichten niet meer terugzien. Dat volk met die onbegrijpelijke taal komt niet meer terug.

Jeruzalem zal een veilige stad zijn

20Inwoners van Jeruzalem, kijk naar de stad. Kijk naar de stad waar wij onze feesten weer vieren en waar we veilig kunnen wonen. Die stad wordt nooit meer afgebroken. 21-24Daar in Jeruzalem zal de Heer ons zijn macht laten zien. De Heer is onze rechter, hij geeft ons zijn wetten. De Heer is onze koning, hij zal ons redden. Niemand in Jeruzalem zal nog ziek zijn. Alle mensen die er wonen, zullen bevrijd zijn van hun schuld.

Maar in Egypte, dat land met zijn brede rivieren, zullen geen schepen meer varen. Op de boten hangen de touwen slap, en de vlag gaat niet omhoog. De schepen zullen helemaal leeggeroofd worden. Iedereen doet mee, zelfs de mensen die niet kunnen lopen.

34

De Heer straft Edom

De Heer is kwaad op de volken

341Volken van de aarde, kom allemaal hierheen en luister goed! Alle bewoners van de aarde moeten luisteren! 2Want de Heer is woedend op jullie, hij is kwaad op al jullie legers. Hij zal die legers allemaal vernietigen. 3En de doden zullen op het veld blijven liggen, ze worden niet begraven. Hun lichamen zullen wegrotten, de stank is vreselijk. Het bloed zal van de bergen stromen.

4De hemel zal verdwijnen. De hemel wordt opgerold als een vel papier. Dan zullen ook de sterren aan de hemel verdwijnen. Ze vallen naar beneden, als blaadjes die uit een struik vallen. Of als vruchten die uit een boom vallen.

De Heer straft het volk van Edom

5Aan de hemel zal het zwaard van de Heer te zien zijn. Dat zwaard zal Edom raken, want de Heer wil de mensen in dat land doden. 6Het zwaard van de Heer is rood van het bloed. Het zit vol vet, omdat er dieren mee geslacht zijn. Met dat zwaard zal de Heer veel mensen doden. Niet alleen in de stad Bosra, maar ook in de rest van het land Edom.

7Wilde stieren zullen dood neervallen, en ook koeien en kalveren. Het land zal rood zijn van het bloed, de grond zal bedekt zijn met vet. 8Want de Heer is woedend. Hij zal zijn vijanden straffen, hij zal ze verslaan. Zo verdedigt hij Jeruzalem.

In Edom zal niemand meer wonen

9-10Het land Edom zal lijken op een grote oven. Zelfs aarde en water zullen in brand staan. Het land zal dag en nacht branden, en voortdurend komt er rook omhoog.

Dan kan er niemand meer in Edom wonen. Niemand zal er ooit nog doorheen reizen. 11Er zullen alleen nog wilde dieren en vogels leven. De Heer zal zorgen dat Edom leeg en verlaten is. 12Het land zal geen koning meer hebben. En ook alle leiders zullen verdwenen zijn.

13-14In Edom zal zo veel onkruid groeien dat je de paleizen niet meer ziet. Het land zal een plaats worden waar de dieren van de woestijn bij elkaar komen. Er leven dan wilde honden en struisvogels. En ook geesten en duivels, 15en slangen. Die slangen leggen hun eieren in hun nesten, en broeden die uit in de schaduw. Ook roofvogels zullen daar bij elkaar komen.

16-17Zoek het maar op in het boek van de Heer. Niet één van die dieren ontbreekt. Ze zijn allemaal in Edom te vinden. Want de Heer heeft ze daar zelf bij elkaar gebracht. Hij heeft Edom aan de dieren gegeven, en die zullen daar voor altijd wonen.

35

In de woestijn zal water zijn

De woestijn zal bloeien

351-2De woestijn zal vrolijk zijn, juichen en bloeien. De woestijn zal bloeien als een lelie. Er zullen prachtige bomen groeien, die net zo mooi zijn als de bomen op de Libanon-bergen en op de berg Karmel. De woestijn zal zo schitterend zijn als de akkers van het Saron-dal.

De bewoners van de woestijn zullen zien hoe machtig de Heer is. Ze zullen de machtige daden van onze God zien.

God zal komen om zijn volk te redden

3Volk van Israël, houd moed, geef niet op! 4En zeg tegen de mensen die de moed verloren hebben: ‘Jullie moeten sterk zijn. Jullie hoeven niet bang te zijn. Want God zal komen om jullie vijanden te straffen. Hij komt jullie bevrijden.’

5Als God jullie bevrijd heeft, zullen blinde mensen kunnen zien. En dove mensen kunnen dan horen. 6Mensen die niet konden lopen, zullen springen als herten. En mensen die niet konden spreken, zullen roepen en zingen.

De woestijn zal vol water zijn, door het droge land zullen rivieren stromen. 7De droge gebieden zullen veranderen in meren. Er zullen rivieren stromen op plekken waar nooit water was. En er zullen waterplanten groeien op plekken waar eerst woestijndieren leefden.

Er komt een weg naar Jeruzalem

8-9Dan zal er een weg lopen naar Jeruzalem, de Heilige Weg. Mensen die niet doen wat God wil, kunnen die weg niet gebruiken. Want die weg is alleen voor de mensen die bevrijd zijn door de Heer. Er zullen geen leeuwen of andere wilde dieren zijn.

10De mensen die door de Heer bevrijd zijn, zullen terugkomen in Jeruzalem. Ze zullen stralen van blijdschap, ze zullen juichend de stad binnengaan. Niemand zal nog jammeren of huilen.