Bijbel in Gewone Taal (BGT)
29

Jeruzalem zal aangevallen worden

291-3De Heer zegt: ‘Jeruzalem is de stad waar mijn altaar staat. Jeruzalem is de stad die door koning David veroverd werd. Inwoners van Jeruzalem, doe zoals altijd. Vier elk jaar jullie feesten. Maar let op, het zal slecht aflopen met jullie stad!

Want ik zal legers sturen om Jeruzalem aan te vallen. Die zullen de stad omsingelen, zodat jullie niet meer weg kunnen. De stad zal door vuur verwoest worden. En dan zullen jullie verdriet hebben en rouwen.

4En dan liggen jullie daar. Dan kunnen jullie alleen nog zachtjes piepen en fluisteren. Dan lijkt het alsof jullie stemmen van diep onder de aarde komen. Ze klinken als de stemmen van geesten in het land van de dood.’

De Heer zal Jeruzalem redden

5Maar opeens zullen de vijanden verdwijnen. Opeens zullen die machtige legers weg zijn, net als zand dat wegwaait in een storm. 6Want de machtige Heer zal komen. Hij komt met donder en bliksem. De aarde zal beven, en het lawaai zal verschrikkelijk zijn. Het zal hevig stormen, en er zal overal vuur zijn.

7De vijanden zullen verdwijnen, de vijanden die Jeruzalem aanvielen en jullie gevangen wilden nemen. Opeens zullen ze weg zijn. Het is net als met een nare droom, die weg is als je wakker wordt.

8De vijanden zullen moeten vluchten. Nu dromen ze ervan om Jeruzalem te veroveren, maar dat zal niet gebeuren. Het is net als met iemand die honger heeft. Zo iemand droomt steeds dat hij eet. Maar als hij wakker wordt, heeft hij nog steeds honger.

De leiders begrijpen niet wat er gebeurt

9Leiders van Jeruzalem, jullie staan daar maar, jullie lijken wel blind! Ga maar door alsof er niets aan de hand is. De profeten en de priesters lijken wel dronken. Ze doen vreemd, maar dat komt niet door de wijn. Ze staan niet stevig meer op hun benen, maar dat komt niet door de drank. 10Nee, dat komt door de Heer. Hij heeft ervoor gezorgd dat jullie niet zien wat er gebeurt. Het lijkt wel alsof jullie heel diep slapen. Zelfs jullie profeten begrijpen niet meer wat er gebeurt.

11Jullie begrijpen niet wat de profeten jullie vertellen. Niemand van jullie kan de boodschap van de Heer begrijpen. Zijn boodschap lijkt op een boek dat je niet kunt openen. Als je aan iemand die kan lezen, vraagt: ‘Lees dat boek eens,’ dan zal hij zeggen: ‘Dat kan ik niet, want ik kan het boek niet openen.’ 12En als je het aan iemand vraagt die niet kan lezen, dan zal hij zeggen: ‘Ik kan niet lezen.’

Israël wil de Heer niet echt vereren

13De Heer zegt: ‘Volk van Israël, jullie zeggen dat je mij wilt vereren. Maar jullie doen dat alleen met woorden, en niet met je hart. Jullie doen het alleen omdat andere mensen zeggen dat het zo hoort. Jullie hebben eerbied voor mij, maar alleen omdat het moet.

14Daarom zal ik opnieuw grote wonderen doen. Dingen waarover iedereen zich zal verbazen! Dan zullen jullie niets meer hebben aan de wijsheid van jullie profeten en jullie leiders.’

Sommige mensen verbergen alles voor de Heer

15Er zijn mensen in het land die alles in het geheim doen. Zij verbergen voor de Heer wat ze gaan doen. Ze zeggen: ‘Niemand kan ons zien, niemand weet wat wij doen!’

16Maar met die mensen zal het slecht aflopen! Want zij doen alsof ze belangrijker zijn dan de Heer, die hen gemaakt heeft. Dat is hetzelfde als klei belangrijker maken dan de pottenbakker. Maar kan klei tegen de pottenbakker zeggen: ‘Jij hebt me niet gemaakt’? Kan een vaas tegen de pottenbakker zeggen: ‘Dat had beter gekund’? Nee!

Alles zal anders worden

17Nog even, en dan wordt alles anders. Dan zullen er weer bomen groeien op de Libanon-bergen. En ook de berg Karmel zal weer prachtige bossen hebben.

18Op die dag kunnen dove mensen horen. Ze zullen horen hoe iemand voorleest uit een boek. En voor blinde mensen is het dan niet meer donker. Zij zullen dan kunnen zien. 19Mensen die het moeilijk hebben, zullen weer blij zijn met de Heer. Zij zullen juichen voor de heilige God van Israël.

20-21Op die dag hebben de onderdrukkers geen macht meer. Dan is het afgelopen met die brutale heersers, en met alle mensen die kwaad willen doen. Dan is het afgelopen met iedereen die eerlijke mensen beschuldigt. Dan is het afgelopen met iedereen die goede rechters wegstuurt!

Israël krijgt weer eerbied voor God

22De Heer zegt tegen de Israëlieten: ‘Ik ben de God die Abraham bevrijd heeft. Jullie zullen niet langer vernederd worden. Jullie hoeven je niet meer te schamen. 23Als jullie zien wat ik voor jullie doe, dan zullen jullie weer eerbied hebben voor mij, de God van Jakob. Dan zullen jullie zeggen dat ik de heilige God ben.

24Iedereen zal dan begrijpen wat ik doe. Zelfs de mensen die nu in de war zijn of over alles klagen.’

30

Vertrouw alleen op de Heer

Zoek geen hulp bij Egypte

301De Heer zegt: ‘Volk van Israël, het zal slecht met jullie aflopen! Want jullie zijn eigenwijs. Jullie bedenken plannen zonder mij om hulp te vragen. Jullie maken afspraken met andere volken, terwijl ik dat niet wil. En zo wordt jullie schuld steeds groter.

2Jullie gaan naar Egypte zonder mij om raad te vragen. Jullie denken dat je veilig bent in Egypte, jullie denken dat de farao jullie zal beschermen. 3Maar dat zal niet gebeuren. Want de farao kan jullie niet beschermen, en Egypte is niet veilig voor jullie. Dan zullen andere volken jullie uitlachen.

4-5Jullie leiders zullen geen hulp krijgen van Egypte. Ook al gaan ze zelf naar Egypte toe, naar de steden Soan of Chanes. De Egyptenaren zullen jullie niet helpen. Ze kunnen niets voor jullie doen. Jullie zullen teleurgesteld zijn en vernederd worden.

Egypte is een monster zonder tanden

6-7Jullie gaan op weg naar het zuiden, naar Egypte. Jullie reizen door een land vol gevaren, een land vol wilde dieren. Jullie ezels en kamelen dragen tassen met geschenken voor Egypte. Maar Egypte kan jullie niet helpen, ook al lijkt dat land heel sterk. Daarom noem ik Egypte een monster zonder tanden.’

Jesaja moet iets opschrijven

8-11De Heer zei tegen mij: ‘Jesaja, pak een bord en schrijf het volgende op: ‘Het volk van Israël is ongehoorzaam en niet te vertrouwen. Want ze willen niet luisteren naar de wetten van de Heer.’

Tegen hun profeten zeggen ze: ‘We hebben jullie dromen niet nodig. Vertel ons niet de waarheid, vertel ons alleen wat we graag willen horen. We willen dat jullie tegen ons liegen. Zeg toch niet steeds hetzelfde, praat niet steeds over die heilige God. Vertel ons eens wat nieuws!’

Schrijf die woorden duidelijk op, zodat ze voor altijd bewaard blijven.’

Israël vertrouwde op geweld en bedrog

12De heilige God van Israël zegt: ‘Volk van Israël, jullie hebben niet naar mij geluisterd. Jullie dachten dat je alles kon oplossen met geweld en bedrog. 13Daarom zijn jullie schuldig. En jullie schuld zal steeds groter worden. Het is net als met een scheur in een muur. Die wordt ook steeds groter, totdat de muur instort!

14Jullie schuld zal zo groot worden, dat er niets van jullie overblijft. Zoals er niets overblijft van een kruik die met veel kracht kapotgeslagen wordt. Van zo’n kruik blijven alleen kleine scherven over. Daar heb je helemaal niets meer aan.’

Israël wilde niet op God vertrouwen

15De Heer, de heilige God van Israël, zegt: ‘Stel dat jullie rustig gebleven waren. Stel dat jullie alleen op mij vertrouwd hadden. Stel dat jullie bij mij teruggekomen waren. Dan had ik jullie gered! Maar jullie wilden niet op mij vertrouwen. Jullie waren ongeduldig. 16Jullie zeiden: ‘Nee! We vluchten weg voor onze vijanden. Op onze paarden gaan we er zo snel mogelijk vandoor.’

Straks zullen jullie echt moeten vluchten! Maar dan zullen de vijanden jullie inhalen. 17En dan blijft er niets van jullie leger over. Als maar één vijand jullie bedreigt, zullen duizend van jullie soldaten vluchten. En als vijf vijanden jullie bedreigen, zal jullie hele leger vluchten!

Wat blijft er dan van jullie leger over? Alleen maar een vlag op de top van een berg.’

God zal weer goed zijn voor Israël

18Toch zal de Heer op jullie wachten. Hij wacht totdat hij weer goed voor jullie kan zijn. Hij wacht totdat hij weer van jullie kan houden. Want de Heer is een rechtvaardige God. En iedereen die op hem vertrouwt, zal gelukkig zijn.

19Jullie hoeven niet meer te huilen, inwoners van Jeruzalem! Want God zal weer goed voor jullie zijn. Als hij jullie hoort roepen om hulp, zal hij antwoord geven. 20Als jullie in gevaar zijn, zal hij jullie te eten en te drinken geven.

God vertelt hoe zijn volk moet leven

God zelf leert jullie hoe je moet leven. Hij zal zich niet langer verbergen. Nee, hij zal zich laten zien. Jullie zullen God met eigen ogen zien. 21Jullie zullen een stem horen die zegt: ‘Zo moet je leven. Nu moet je dit doen, en nu moet je dat doen.’

22Dan zullen jullie je leven veranderen. En jullie zullen zeggen: ‘Weg met die beelden van zilver en goud!’ Jullie zullen die godenbeelden weggooien als afval.

Het land zal weer vruchtbaar zijn

23Volk van Israël, als jullie je leven veranderd hebben, zal de Heer jullie regen geven. Dan zal hij regen geven voor het zaad dat jullie gezaaid hebben. Van jullie akkers zal heerlijk voedsel komen! Jullie schapen zullen overal gras kunnen vinden. 24En de koeien waarmee de boer op het land werkt, zullen het beste voer krijgen. Dat voer wordt speciaal voor ze uitgezocht.

25-28Op die dag zal er overal in het land weer water zijn. Het water zal van de bergen en heuvels door grote en kleine rivieren naar beneden stromen. De zon en de maan zullen sterker gaan schijnen. Het licht van de maan zal even sterk zijn als het licht van de zon. En het licht van de zon zal zeven keer zo sterk zijn als normaal. Dan is één dag net zo licht als zeven dagen bij elkaar.

Op die dag zal de Heer voor jullie zorgen. Dan zullen jullie geen pijn meer lijden.

De vijanden zullen gedood worden

Als de Heer komt, zullen jullie vijanden gedood worden. Hun hoge torens zullen omvallen. Let op, want de Heer zal zelf komen om de vijanden te straffen. Hij komt van ver, en hij is woedend! Als hij komt, is er overal rook. Als hij spreekt, is er overal vuur. Zijn stem maakt net zo veel lawaai als een wild stromende rivier.

Hij zal de andere volken bang maken met grote rampen. Door zijn woede zullen ze in paniek raken. De Heer zal die volken helemaal in de war brengen.

De Israëlieten zullen feestvieren

29Maar jullie, volk van Israël, zullen feestvieren. Jullie zullen liederen zingen, net als op de avond voordat er een groot feest is. Jullie zullen heel vrolijk zijn. Net zo vrolijk als wanneer jullie naar de berg van de Heer gaan. Daar maken jullie muziek voor de Heer, op wie jullie vertrouwen.

De Heer zal de vijanden doden

30-31De machtige Heer zal komen om de vijanden te straffen. Hij is woedend! Hij zal hen straffen met vuur, overstromingen en hagel. Alles zal verwoest worden. De Heer zal zijn stem laten horen.

De Assyriërs zullen schrikken als de Heer zijn stem laat horen. De Heer zal hen straffen. Hij zal ze slaan met een stok, 32hij zal ze steeds blijven slaan. En dan zullen de Israëlieten muziek maken, overal zul je trommels horen.

33De lichamen van de Assyriërs zullen verbrand worden, samen met het lichaam van hun koning. De plek waar ze verbrand zullen worden, is al klaar. Het is een grote, diepe kuil, met in het midden vuur en veel hout. En de Heer zelf zorgt voor het vuur, hij zorgt ervoor dat het hout blijft branden.

31

Israël mag Egypte niet om hulp vragen

311Het zal slecht aflopen met de Israëlieten die naar Egypte gaan. Want ze vertrouwen niet op de Heer. Ze zoeken geen hulp bij de heilige God van Israël. In plaats daarvan vragen ze de Egyptenaren om hulp. Ze denken dat die hun veel soldaten, paarden en wagens zullen geven.

2Maar de Heer weet wat hij doet, hij verandert zijn besluiten niet. Hij zal rampen brengen. Hij zal hen allemaal straffen: de Israëlieten die slechte plannen bedenken, en de mensen die hen daarbij helpen.

3De Israëlieten zoeken hulp bij de Egyptenaren. Maar de Egyptenaren zijn geen goden, het zijn maar mensen. Hun paarden zijn zwak, ze hebben geen kracht. Zodra de Heer zijn macht laat zien, zullen de Egyptenaren verslagen worden. Ook de Israëlieten die hun om hulp vroegen, zullen gedood worden. Ze zullen allemaal sterven, de helpers en de mensen die geholpen worden.

De Heer zal Jeruzalem beschermen

4-5De machtige Heer zegt tegen mij: ‘Jesaja, ik zal komen, en ik zal naar de berg Sion gaan. Daar zal ik strijden voor Jeruzalem. Ik zal de stad verdedigen, ik zal voor Jeruzalem vechten. Net zoals een leeuw vecht voor zijn prooi, om hem niet kwijt te raken. Een leeuw vlucht niet voor een groep schreeuwende herders, een leeuw wordt niet bang. Een leeuw vecht. Net zo zal ik vechten voor Jeruzalem. En ik zal de stad beschermen, zoals een vogel zijn nest beschermt. Ik zal zorgen dat Jeruzalem veilig is, en ik zal de inwoners redden.’

Assyrië zal verslagen worden

6Israëlieten, jullie moeten teruggaan naar de Heer. Jullie kennen hem niet meer. 7Maar eens zullen jullie hem weer dienen. En dan gooien jullie je zelfgemaakte goden weg, die beelden van zilver en goud.

8-9Straks zal Assyrië verslagen worden. Niet door mensen, maar door de Heer. De Assyriërs zullen vluchten. Hun legers zullen geen kracht meer hebben, hun legerleiders zullen wegvluchten. En dan moeten de soldaten als slaven werken in een ander land.

Dat heeft de Heer zelf gezegd. Hij is de God die Jeruzalem beschermt. Voor hem brandt er een heilig vuur op de berg Sion.