Bijbel in Gewone Taal (BGT)
3

31God zei tegen mij: ‘Mensenkind, eet dit boek op. En ga dan naar de Israëlieten en spreek tegen hen.’

2Ik deed mijn mond open, en God legde het boek in mijn mond. 3Toen zei God: ‘Mensenkind, eet dit boek op, vul je buik ermee.’ Ik at het boek op. Het smaakte zo zoet als honing.

Ezechiël moet naar zijn volk gaan

4Daarna zei God tegen mij: ‘Mensenkind, ga naar de Israëlieten, en zeg tegen hen wat ik aan jou verteld heb.

5-7De Israëlieten kunnen je goed begrijpen, want ze spreken dezelfde taal als jij. Maar toch zullen ze niet naar je luisteren. Ze willen niet horen wat ik hun te zeggen heb. Ik zou je beter naar mensen kunnen sturen die een vreemde taal spreken. Die zouden wel naar je luisteren, ook al kunnen ze je niet verstaan. Maar de Israëlieten luisteren niet. Ze zijn allemaal ongehoorzaam en eigenwijs.

8-9Toch hoef je niet bang te zijn. Wees niet bang voor hen, zelfs als ze zich blijven verzetten. Ik zal ervoor zorgen dat je ongevoelig bent voor hun dreigende woorden. Net zoals zij ongevoelig zijn voor jouw woorden.

10Mensenkind, luister goed naar wat ik tegen je zeg, en vergeet het niet. 11Ga naar de mensen van je volk die hier in Babylonië wonen. En spreek tegen hen namens mij. Misschien luisteren ze, misschien niet.’

Ezechiël hoort de vier dieren weggaan

12Toen tilde de geest van God mij op. Ik hoorde achter mij een groot lawaai. Er klonk een stem die riep: ‘Iedereen in de hemel moet de machtige Heer prijzen!’

13Ik hoorde ook het klappen van de vleugels van de dieren, en het rollen van de wielen die met hen meegingen. Het klonk als het geluid van de donder.

14Daarna tilde de geest van God mij opnieuw op, en nam mij mee. Ik was bedroefd en in de war. En ik was diep onder de indruk van de macht van de Heer.

15Toen ging ik weer terug naar het Kebar-kanaal in de plaats Tel-Abib, waar de mensen van mijn volk wonen. Daar bleef ik zeven dagen lang. Ik voelde me ellendig.

Ezechiël moet het volk waarschuwen

16Na die zeven dagen sprak de Heer opnieuw tegen mij. Hij zei: 17‘Mensenkind, ik wil dat jij het volk van Israël waarschuwt. Steeds als ik kwaad op hen ben, moet jij hen waarschuwen.

18Stel dat ik tegen een misdadiger zeg dat hij zal sterven. Dan wil ik toch dat jij hem waarschuwt. Zeg tegen hem dat hij moet ophouden met zijn slechte gedrag. Als je hem niet waarschuwt, dan zal niet alleen de misdadiger sterven, maar jijzelf ook. Die ander zal sterven omdat hij verkeerde dingen gedaan heeft. En jij zult sterven omdat je hem niet gewaarschuwd hebt. 19Maar als je hem wel waarschuwt, dan zul jij zelf in leven blijven. Ook als die ander niet naar jou luistert en daarom sterft.

20Ook als een goed mens ophoudt met goed te leven, moet jij hem waarschuwen. Stel dat hij verschrikkelijke dingen gaat doen, en je waarschuwt hem niet. Dan zal ik ervoor zorgen dat hij sterft. De goede dingen die hij vroeger gedaan heeft, kunnen hem niet redden van de straf. Maar ook jij zult dan sterven, omdat je hem niet gewaarschuwd hebt.

21Maar stel dat je hem wel waarschuwt, en stel dat hij daardoor ophoudt met zijn verkeerde gedrag. Dan zal hij in leven blijven. Want hij heeft naar jouw waarschuwing geluisterd. En jouw eigen leven zal dan ook gered worden.’

Ezechiël krijgt een opdracht van God

De Heer spreekt tegen Ezechiël

22Opnieuw voelde ik de macht van de Heer. De Heer zei tegen mij: ‘Ezechiël, ga naar het dal, want daar wil ik met je spreken.’

23Ik ging dus naar het dal. En daar zag ik de Heer staan, stralend en machtig. Zo had ik hem ook gezien bij het Kebar-kanaal. Ik schrok zo erg, dat ik neerviel op de grond.

Ezechiël moet zich opsluiten

24Toen gaf de Heer mij de kracht om weer op te staan. Hij zei tegen mij: ‘Ga je huis in, mensenkind, en sluit je daar op. 25Je zult vastgebonden worden met touwen. Dan kun je niet meer naar buiten gaan, en niet meer bij de andere mensen zijn. 26Ook zal ik ervoor zorgen dat je niet meer kunt praten, zodat je die ongehoorzame Israëlieten niet langer kunt waarschuwen.

27Pas als ik je de opdracht geef om te spreken, zul je weer iets kunnen zeggen. Dan moet je namens mij de Israëlieten waarschuwen. Sommigen van hen zullen luisteren, maar anderen niet. Want het is nu eenmaal een ongehoorzaam volk.’

4

Ezechiël moet een aanval uitbeelden

41De Heer zei verder tegen mij: ‘Mensenkind, pak een tegel van klei, en leg die voor je neer. Op die tegel moet je een stad tekenen. Dat is Jeruzalem.

2Je moet laten zien dat de stad aangevallen wordt door vijanden. Teken de plek waar ze een kamp maken en waar ze hun leger opstellen. 3Pak dan een ijzeren plaat, en zet die naast de stad die je getekend hebt. Die plaat stelt een sterke muur voor. Jij moet daarachter gaan zitten en steeds goed naar de stad kijken. Jij stelt dan de vijand voor die de stad aanvalt.

Zo laat je de mensen van je volk zien dat Jeruzalem door vijanden aangevallen zal worden.

4-5Ga daarna op je linkerzij liggen. Dat moet je 390 dagen volhouden. Zo laat ik je lijden voor de schuld van Israël. Iedere dag stelt één jaar voor. Want de inwoners van Israël zijn al 390 jaar schuldig.

6Als die dagen voorbij zijn, moet je op je rechterzij gaan liggen. Zo laat ik je lijden voor de schuld van Juda. Dat moet je veertig dagen volhouden. Want de inwoners van Juda zijn al veertig jaar schuldig.

7Zolang je op je zij ligt, moet je goed blijven kijken naar de stad die je getekend hebt. Doe alsof jij de vijand bent die de stad aanvalt, en spreek dreigende woorden tegen de stad. 8Al die tijd blijf je vastgebonden met touwen, zodat je je niet kunt omdraaien.’

Ezechiël moet onrein voedsel eten

9De Heer zei ook tegen mij: ‘Pak een grote kom, en doe daar verschillende soorten graan in. Bak daarvan een brood. Van dat brood mag je eten zolang je op je linkerzij ligt. Dat is 390 dagen lang. 10-11Iedere dag mag je maar een klein beetje brood eten. En verder mag je iedere dag ook maar een klein beetje water drinken.

12-13Je moet ook een koek van gerst bakken. Zorg ervoor dat iedereen ziet wat je doet. Maak eerst een vuurtje met de gedroogde poep van mensen, en bak de koek op dat vuur. De koek zal dan onrein zijn, en jij zult dus onrein voedsel eten. Zo laat je zien dat de Israëlieten binnenkort ook onrein voedsel zullen eten. Dat zal gebeuren als ik hen bij andere volken laat wonen.’

14Ik riep: ‘Dat kunt u mij niet aandoen, Heer, mijn God! Ik heb mijn hele leven nog nooit iets onreins gegeten! Ik heb nog nooit vlees gegeten van een dier dat door een ander dier gedood is, of van een dier dat ergens dood gevonden is. En ik heb nog nooit onrein offervlees gegeten!’

15‘Goed,’ antwoordde de Heer. ‘Je hoeft de koek niet te bakken op de gedroogde poep van mensen. Je mag de mest van koeien gebruiken.’

Er komt honger in Jeruzalem

16‘Mensenkind,’ zei de Heer tegen mij, ‘ik zal ervoor zorgen dat er in Jeruzalem nog maar heel weinig voedsel is. De mensen kunnen iedere dag maar een klein beetje brood eten en een klein beetje water drinken. Iedereen zal wanhopig zijn 17omdat er bijna geen brood en geen water meer is. De mensen zullen in paniek raken. En ze zullen sterven van honger en dorst, door hun eigen schuld.’

5

Ezechiël moet zijn haar afscheren

51Toen zei de Heer: ‘Mensenkind, pak nu een scherp zwaard en scheer daarmee je haar en je baard af. Leg het haar op een weegschaal, en verdeel het in drie delen.

2Het eerste deel van het haar moet je verbranden. Doe dat in de stad, als de vijanden de stad verlaten hebben.

Het tweede deel van het haar moet je met je zwaard in kleine stukjes hakken. Doe dat buiten de stad.

Het derde deel van het haar moet je weg laten waaien met de wind. Dan zal ik het met mijn zwaard achtervolgen.

3Een aantal haren moet je apart houden en in je jas bewaren. 4Gooi een paar van die haren in het vuur, en laat ze verbranden. Door dat vuur zal heel Israël in brand komen te staan.

5Daarmee laat je zien wat er met Jeruzalem zal gebeuren. Mijn besluit hierover staat vast.

De inwoners van Jeruzalem zijn slecht

Eerst waren de inwoners van Jeruzalem net zo slecht als de volken om hen heen. 6Maar toen kwamen ze in opstand tegen mijn wetten, en werden ze nog slechter dan de andere volken. Ze gingen zich verzetten tegen mijn regels, nog meer dan de volken om hen heen. De inwoners van Jeruzalem wilden zich niet aan mijn regels houden. En van mijn wetten wilden ze niets weten.

7Daarom zeg ik tegen hen: ‘Inwoners van Jeruzalem, jullie zijn nog erger dan de andere volken! Jullie houden je niet aan mijn regels, en leven niet volgens mijn wetten. Jullie houden je zelfs niet aan de wetten van andere volken.

8Daarom zal ik jullie straffen, en alle volken zullen dat zien. 9Ik zal jullie zwaarder straffen dan ik ooit gedaan heb, en dan ik ooit nog doen zal. Want jullie hebben vreselijke dingen gedaan. 10Dit zal er met jullie gebeuren: de honger in de stad zal zo erg worden dat ouders hun kinderen zullen opeten, en kinderen hun ouders. De mensen die dan nog overblijven, zal ik alle kanten op jagen.

Er blijft niemand over in Jeruzalem

11Inwoners van Jeruzalem, luister goed naar wat ik zeg. Jullie hebben mijn tempel onrein gemaakt met jullie afschuwelijke goden. Omdat jullie dat gedaan hebben, zal ik jullie wegjagen. Er zal niemand van jullie overblijven. Net zoals iemand al zijn haar wegscheert, zodat er niets van overblijft. Ik zal met niemand van jullie medelijden hebben.

12Dit is wat er met jullie zal gebeuren: Een deel van jullie zal sterven door ziekte of door honger. Dat zal gebeuren midden in de stad. Een tweede deel zal gedood worden in de strijd. Dat zal gebeuren buiten de stad. Een derde deel zal ik achtervolgen en alle kanten op jagen.

13Zo zal ik jullie straffen. Dan zullen jullie weten hoe kwaad ik ben. En jullie zullen begrijpen dat dat door jullie ontrouw komt.

Jeruzalem zal verwoest worden

14-15Ik zal Jeruzalem totaal verwoesten. Dan zullen alle andere volken de stad bespotten. Maar ze zullen ook schrikken als ze zien hoe woedend ik op de stad ben. En ze zullen bang worden als ze merken hoe zwaar ik de inwoners straf. 16Want ik zal ervoor zorgen dat er in Jeruzalem nog maar heel weinig te eten is. Er zal grote hongersnood komen in de stad. Veel inwoners zullen sterven.

17Ik zorg niet alleen voor honger, maar ik stuur ook wilde dieren naar de stad. Door die twee rampen zullen de mensen in Jeruzalem hun kinderen verliezen. En zelf zullen ze gedood worden door ziekte, geweld en oorlog. Dat alles heb ik, de Heer, besloten.’’