Bijbel in Gewone Taal (BGT)
38

Koning Gog

Gog moet zijn land verlaten

381De Heer sprak opnieuw tegen mij. Hij zei: 2‘Mensenkind, kijk in de richting van het land Magog, en waarschuw Gog, de koning van Mesech en Tubal. Dat zijn twee volken die bij Magog horen. 3Zeg tegen die koning: ‘Dit zegt God, de Heer: Ik ga je straffen, Gog! 4Ik kom je halen, en ik zal je dwingen om je land te verlaten.

Dan zul je weggaan met je hele leger. Met je paarden en je ruiters die er zo schitterend uitzien. En met heel veel soldaten, die schilden en zwaarden dragen. 5Er zijn ook soldaten uit Perzië, Nubië en Libië bij, gewapend met schilden en helmen. 6En ook de legers van Gomer en Bet-Togarma in het noorden gaan met je mee. Het zal een enorm leger zijn, met mensen uit allerlei volken.

7Bereid je goed voor, en maak je klaar om dat grote leger te leiden dat zich rondom jou verzameld heeft.

Gog zal Israël aanvallen

8In de toekomst krijg jij het bevel om Israël aan te vallen. Maar eerst zal Israël in een oorlog worden verwoest. De inwoners zullen het land moeten verlaten, en bij allerlei volken terechtkomen. Maar na lange tijd zullen ze weer naar hun eigen land terugkeren. En daar zullen ze zonder zorgen leven.

9Dan zul jij dat land aanvallen met je enorme leger. Jullie zullen door het land trekken en alles verwoesten. Net zoals een hevige storm door een land heen trekt en alles verwoest.

Gog zal kwade plannen bedenken

10Als het zover is, zul jij kwade plannen bedenken, koning Gog. 11Je zult tegen jezelf zeggen: Laat ik Israël eens aanvallen! De mensen in dat land maken zich geen zorgen. Hun steden hebben niet eens muren, of poorten die op slot kunnen!

12Dat land wil jij aanvallen, Gog! Dat land is dan net weer opgebouwd. Er wonen weer mensen in de steden die verwoest waren. Die mensen zijn vanuit verschillende volken bij elkaar gekomen. Ze hebben weer vee en bezit gekregen in het land, en leven daar nu op de belangrijkste plek van de wereld. En dan wil jij, Gog, daarheen gaan om dat land aan te vallen en het helemaal leeg te roven!

13De inwoners van Seba en Dedan en de handelaars uit Tarsis zullen tegen je zeggen: ‘Waarom heb jij dat leger verzameld? Alleen om te roven en te stelen? Ben je van plan om alles te grijpen wat je maar grijpen kunt? Wil je alles van de mensen afpakken: hun goud en zilver, hun vee en al hun andere bezit?’’

Gog zal Israël verwoesten

14Mensenkind, jij moet namens mij tegen Gog zeggen: ‘Dit zegt God, de Heer: Zodra mijn volk zonder zorgen in zijn eigen land leeft, zul jij dat te weten komen. 15Je zult je woonplaats in het verre noorden verlaten, samen met je grote leger. Samen met je soldaten die allemaal op paarden rijden, en die uit allerlei volken komen. 16En je zult Israël aanvallen. Jullie zullen door het land trekken en alles verwoesten. Net zoals een hevige storm door een land heen trekt en alles verwoest.

Al die dingen zullen in de toekomst gebeuren. Dan zal ik jou, koning Gog, naar mijn land Israël sturen. Zo zal ik mijn macht laten zien aan alle volken. Dan zullen ze begrijpen dat ik een heilige God ben.

17De profeten hebben lang geleden al over jou gesproken, Gog. Zij hebben toen al verteld dat jij Israël zou aanvallen. Ik had die profeten de opdracht gegeven om dat te zeggen.’

De Heer is woedend op Gog

18Luister naar wat ik, de Heer, zeg: Als Gog het land Israël aanvalt, zal ik heel kwaad op hem worden. 19Ik zal woedend zijn! Op diezelfde dag laat ik een zware aardbeving komen in Israël. 20Dan zal iedereen bang voor mij zijn. Iedereen zal trillen van angst: de vissen in de zee, de vogels in de lucht, de dieren op het land en alle mensen die op aarde leven. Bergen zullen instorten, rotsen zullen afbreken, en muren zullen omvallen.

21Ik zal ervoor zorgen dat de soldaten van Gog overal in Israël gedood worden. Ze zullen tegen elkaar gaan vechten en elkaar doden.

22Ik zal Gog en zijn leger straffen. Ik laat hagelstenen, enorme regenbuien en vuur op hen neerkomen. Ik laat hen ziek worden en sterven. 23Zo zal ik aan de volken laten zien dat ik een machtige en heilige God ben. Ze zullen begrijpen dat ik de Heer ben.’

39

Gog en zijn soldaten worden gedood

391De Heer zei tegen mij: ‘Luister, mensenkind. Jij moet Gog waarschuwen en tegen hem zeggen: ‘Dit zegt God, de Heer: Ik ga je straffen, Gog! 2Ik dwing je om je land in het verre noorden te verlaten. Ik haal je daar weg en breng je naar het land Israël.

3Maar als je daar bent, zal ik je wapens afpakken en je machteloos maken. 4Je zult sterven in de bergen van Israël, samen met je soldaten uit al die verschillende volken. Jullie lichamen zullen worden opgegeten door roofvogels en wilde dieren. 5Ook op de vlakte zullen alle soldaten gedood worden. Dat heb ik, de Heer, besloten.’

De Heer zal Magog in brand zetten

6Ik, de Heer, zal heel het land Magog in brand zetten. Ook de landen langs de kust, waar de mensen altijd in vrede geleefd hebben, zal ik door vuur vernietigen. Dan zal iedereen begrijpen dat ik de Heer ben.

7Ik zal aan mijn volk Israël laten zien dat ik een heilige God ben. En ik zal ervoor zorgen dat de andere volken mijn heilige naam niet meer beledigen. Ze zullen begrijpen dat ik de Heer ben, de heilige God van Israël.

De wapens van Gog worden verbrand

8Alles wat ik, de Heer, gezegd heb, zal zeker uitkomen. Het zal gebeuren op de dag waarover ik gesproken heb. 9-10Dan zullen de Israëlieten uit hun steden komen om de wapens van hun vijanden te verzamelen: schilden, pijlen en bogen, stokken en speren. Ze zullen met het hout van die wapens een vuur maken om warm te blijven. Dan hoeven ze zeven jaar lang geen takken te verzamelen en geen bomen om te hakken. Want ze kunnen de wapens van hun vijanden gebruiken om vuur mee te maken.

De Israëlieten zullen alles van hun vijanden afpakken. Ze zullen met hun vijanden doen wat die met de Israëlieten wilden doen. Dat heb ik, de Heer, besloten!

Het leger van Gog zal begraven worden

11In die tijd zal ik een plek aanwijzen waar Gog en zijn leger begraven moeten worden. Dat zal het Dal van de Reizigers zijn, ten oosten van de Dode Zee. Er worden daar zo veel soldaten begraven, dat niemand meer door dat dal heen kan reizen. Daarom krijgt die plek een andere naam. Het zal het Dal van het Leger van Gog genoemd worden.

12Door de dode lichamen van Gog en zijn leger is het land onrein geworden. Daarom moeten de Israëlieten die lichamen begraven. Ze zullen daar zeven maanden mee bezig zijn. 13Alle inwoners van Israël zullen meehelpen. Ze zullen daarvoor beloond worden op de dag dat ik mijn macht laat zien. Dat heb ik, de Heer, besloten.

Het land moet weer rein worden

14De Israëlieten zullen een groep mannen uitkiezen die door het hele land moet reizen. Die mannen moeten de lichamen begraven die nog zijn blijven liggen. Zo zullen ze het land rein maken, en ervoor zorgen dat ik weer vereerd kan worden. Dat zal zeven maanden duren.

Na die zeven maanden moeten de mannen nog een keer in het hele land gaan zoeken. 15Als ze dan ergens botten van een mens vinden, moeten ze daar een steen neerzetten. Dan kan die plek later teruggevonden worden. En dan kunnen de botten begraven worden in het Dal van het Leger van Gog. 16Vlak bij dat dal zal later een stad liggen die Hamona heet. (Hamona betekent: leger.)

Als de botten begraven zijn, is het land weer rein.’

Een offerfeest voor de dieren

17God, de Heer, zei tegen mij: ‘Mensenkind, roep alle vogels en wilde dieren bij elkaar. Laat ze overal vandaan komen. En zeg namens mij: ‘Kom allemaal naar de bergen van Israël! Daar geef ik, de Heer, een groot offerfeest voor jullie. Kom vlees eten en bloed drinken. 18Eet het vlees van dappere helden, en drink het bloed van machtige koningen. Want die worden geslacht, net zoals vette schapen, geiten en stieren uit Basan geslacht worden. 19Eet hun vet tot jullie helemaal vol zitten, en drink hun bloed tot jullie helemaal dronken zijn.

Ikzelf zal dat offerfeest voor jullie geven. 20Bij mijn maaltijd kunnen jullie je vol eten met het vlees van paarden en ruiters, dappere helden en soldaten. Dat heb ik, de Heer, besloten.’

De Heer laat zijn macht zien

21Door al die dingen laat ik aan alle volken zien dat ik een machtige God ben. Ze zullen begrijpen dat ik hen veroordeel en straf.

22Dan zal het volk van Israël weten dat ik de Heer ben, hun God. 23En de andere volken zullen weten dat de Israëlieten hun land moesten verlaten door hun eigen schuld. Want de Israëlieten zijn mij ontrouw geweest. Daarom ben ik bij hen weggegaan. Ik leverde hen uit aan hun vijanden, zodat ze stierven in de strijd. 24Zo strafte ik de Israëlieten voor hun misdaden.

De Heer zal zijn volk terugbrengen

25Maar vanaf nu zal ik ervoor zorgen dat het weer goed gaat met Israël. Ik zal medelijden krijgen met mijn volk, en hen helpen. Zo zal ik aan iedereen laten zien dat ik een heilige God ben.

26De Israëlieten mogen weer terugkeren naar hun eigen land. Daar zullen ze in vrede kunnen leven. Maar ze zullen zich wel blijven schamen voor hun ontrouw.

27Ik zal de Israëlieten weghalen bij de volken waarbij ze terechtgekomen zijn. Ik zal hen bevrijden uit de landen van hun vijanden, en hen weer bij elkaar brengen. Zo zal ik aan de volken laten zien dat ik een heilige God ben.

28Ik had de Israëlieten zelf weggestuurd naar die andere volken. Maar ik zal hen ook weer terugbrengen naar hun eigen land. Niemand van hen zal achterblijven. Dan zullen ze begrijpen dat ik de Heer ben, hun God. 29Ik zal mijn geest aan hen geven, en ik zal nooit meer bij hen weggaan. Dat heb ik, de Heer, besloten.’

40

De nieuwe tempel

Ezechiël wordt naar Israël gebracht

401Op een dag voelde ik opeens de macht van de Heer. Dat gebeurde aan het begin van het jaar, op de tiende dag van de eerste maand. Mijn volk en ik woonden toen 25 jaar in Babylonië. Op die dag was het precies veertien jaar geleden dat Jeruzalem verwoest werd.

2In een droom werd ik door de Heer meegenomen. Hij bracht me naar het land Israël, en daar zette hij me neer op een heel hoge berg. Aan de zuidkant van die berg zag ik allerlei gebouwen. Het leek wel een stad.

Een man die alles opmeet

3Ik werd naar die plek toe gebracht. En daar zag ik in een poort een man staan. Hij zag eruit alsof hij van brons was. De man hield een touw en een stok vast, waarmee hij alles kon opmeten.

4De man zei tegen mij: ‘Mensenkind, let goed op! Kijk goed naar alles wat ik je laat zien. En luister naar alles wat ik tegen je zeg. Want daarvoor ben je hierheen gebracht. Later moet je alles wat je gezien hebt, aan de Israëlieten vertellen.’

De muur rondom de tempel

5De gebouwen die ik gezien had, hoorden bij de tempel. Ik zag dat er rondom de hele tempel een muur stond. De man pakte zijn meetstok, die 3 meter lang was. En hij ging daarmee de muur opmeten. De muur was 3 meter hoog en 3 meter dik.

De oostelijke poort

6Toen ging de man naar de oostelijke poort van de muur. Om daar te komen moest hij een trap opklimmen. Bovenaan mat hij de drempel van de poort. Die was 3 meter breed.

7-10Binnen in het poortgebouw waren kamers gemaakt voor de bewakers van de tempel. Aan de linkerkant waren drie kamers, en aan de rechterkant ook. Ze waren alle zes even groot: elke kamer was 3 meter breed en 3 meter diep. Ze lagen 2,5 meter bij elkaar vandaan.

Verderop in het poortgebouw was nog een drempel. Ook die was 3 meter breed. Aan de andere kant van die drempel was de hal van het poortgebouw. De hal lag helemaal aan het einde van het poortgebouw, aan de kant van het buitenste plein. De man mat ook de hal. Die was 4 meter diep. De hal werd gesteund door twee zuilen van elk 1 meter dik.

11Daarna mat de man hoe breed de poort aan de voorkant was. De ingang was 5 meter breed. Maar met de deurposten erbij was de poort aan de voorkant 6,5 meter breed.

12Voor de kamers van de bewakers was een muurtje. Dat muurtje was ongeveer 50 centimeter hoog. De kamers zelf waren 3 meter breed en 3 meter diep.

13De man mat ook de totale breedte van het poortgebouw. Hij mat vanaf het uiteinde van één van de kamers tot aan het uiteinde van de kamer ertegenover. De totale breedte was 12,5 meter.

14Hij mat ook de muren van het poortgebouw. Die waren 30 meter hoog. De poort leidde naar het buitenste plein van de tempel.

15De lengte van het poortgebouw, vanaf de ingang tot aan de uitgang, was 25 meter.

16In de muren van het poortgebouw zaten overal ramen: in de kamers voor de bewakers en ook in de hal. Die ramen hadden tralies.

De muren waren versierd met figuren van palmbomen.

Het buitenste plein van de tempel

17Toen bracht de man me naar het buitenste plein van de tempel. Om dat plein heen waren vertrekken gebouwd. Er waren in totaal dertig vertrekken. Voor die vertrekken lag een straat, rondom het hele plein. 18Dat was de Lage Straat. Die straat liep van poort tot poort. Bij elke poort hield de straat even op.

19Op het buitenste plein waren drie poorten die naar het binnenplein van de tempel leidden. De man mat de afstand vanaf de buitenste oostelijke poort tot aan de poort naar het binnenplein daartegenover. Die afstand was 50 meter.

De noordelijke poort

20Er was ook een poort aan de noordkant van het buitenste plein. Ook die werd door de man opgemeten. 21Die poort leek erg op de oostelijke poort. Want ook de noordelijke poort had aan allebei de kanten drie kamers voor de bewakers. En hij had ook zuilen en een hal. En net als de oostelijke poort was hij 25 meter lang en 12,5 meter breed. 22Ook de ramen, de hal en de versieringen op de muren waren even groot als in de oostelijke poort. En ook de noordelijke poort kon je bereiken via een trap met zeven treden. Helemaal aan de andere kant van het poortgebouw lag de hal.

23Ook tegenover de noordelijke poort lag een poort naar het binnenplein van de tempel. Net zoals bij de oostelijke poort. De man mat de afstand vanaf de buitenste noordelijke poort tot aan de poort naar het binnenplein daartegenover. Die afstand was 50 meter.

De zuidelijke poort

24Toen nam de man mij mee naar de zuidkant van het buitenste plein. Ook daar was een poort. De man mat de zuilen en de hal. Die waren even groot als bij de andere poorten. 25In de muren van het poortgebouw zaten overal ramen, ook in de hal. Net als bij de andere poorten. En ook de zuidelijke poort was 25 meter lang en 12,5 meter breed. 26Je kon de poort bereiken via een trap met zeven treden. Helemaal aan de andere kant van het poortgebouw lag de hal. De muren van het poortgebouw waren aan allebei de kanten versierd met figuren van palmbomen.

27Ook tegenover de zuidelijke poort lag een poort naar het binnenplein van de tempel. De man mat de afstand vanaf de buitenste zuidelijke poort tot aan de poort naar het binnenplein daartegenover. Die afstand was 50 meter.

De zuidelijke poort naar het binnenplein

28De man bracht me naar het binnenplein van de tempel via de zuidelijke poort. Hij mat de poort op, en die was even groot als de andere poorten. 29-30Ook de kamers voor de bewakers, de zuilen en de hal waren even groot als die van de andere poorten. In de muren van het poortgebouw zaten overal ramen, ook in de hal. De poort was 25 meter lang en 12,5 meter breed.

31De hal van de zuidelijke poort lag aan de kant van het buitenste plein. De muren waren versierd met figuren van palmbomen. Je kon de poort bereiken via een trap met acht treden.

De oostelijke poort naar het binnenplein

32Daarna bracht de man me naar de oostelijke poort die naar het binnenplein leidde. Hij mat die poort op, en die was even groot als de andere poorten. 33Ook de kamers voor de bewakers, de zuilen en de hal waren even groot als die van de andere poorten. In de muren van het poortgebouw zaten overal ramen, ook in de hal. De poort was 25 meter lang en 12,5 meter breed.

34Ook bij die hal lag de poort aan de kant van het buitenste plein. De muren waren aan allebei de kanten versierd met figuren van palmbomen. Je kon de poort bereiken via een trap met acht treden.

De noordelijke poort naar het binnenplein

35Daarna bracht de man me naar de noordelijke poort die naar het binnenplein leidde. Hij mat de poort op, en die was even groot als de andere poorten. 36Ook in die poort waren kamers voor de bewakers, zuilen en een hal. En ook hier zaten er overal ramen in de muren. De poort was 25 meter lang en 12,5 meter breed.

37De hal van die poort lag aan de kant van het buitenste plein. De muren waren aan allebei de kanten versierd met figuren van palmbomen. Ook die poort kon je bereiken via een trap met acht treden.

De plaatsen om offers klaar te maken

38Naast de noordelijke poort die naar het binnenplein leidde, stond een ander gebouw. Je kon daar komen via de hal van de poort. In dat gebouw konden de priesters het vlees voor de offers klaarmaken.

39In de hal van de poort stonden aan allebei de kanten twee tafels. Daarop werden de offerdieren geslacht. 40Ook buiten, bij de ingang van de poort, stonden tafels. Aan allebei de kanten van de ingang stonden er twee. 41In totaal waren er dus acht tafels: vier in het poortgebouw en vier daarbuiten. Al die tafels waren bestemd voor het slachten van offerdieren. 42-43Ook werd het vlees voor de offers erop neergelegd. Vier tafels waren bestemd voor offers die helemaal verbrand moesten worden. Die tafels waren gemaakt van steen. Ze waren elk 50 centimeter hoog, 75 centimeter lang en 75 centimeter breed.

Overal in de poort en in het gebouw waar de offers klaargemaakt werden, waren haken aan de muur gemaakt. Daaraan werd het gereedschap opgehangen waarmee de offerdieren geslacht werden. Die haken waren 7,5 centimeter lang.

De gebouwen voor de priesters

44Op het binnenplein van de tempel stonden nog twee gebouwen. Het ene gebouw stond naast de noordelijke poort. De ingang ervan keek uit op het zuiden. Het andere gebouw stond naast de zuidelijke poort. De ingang ervan keek uit op het noorden.

45De man zei tegen mij: ‘Het gebouw dat uitkijkt op het zuiden, is bestemd voor de priesters die in de tempel werken. 46Het gebouw dat uitkijkt op het noorden, is bestemd voor de priesters die bij het altaar werken. Dat zijn de priesters die afstammen van Sadok. Zij zijn de enige Levieten die in de tempel dicht bij de Heer mogen komen om hem te dienen.’

Het binnenplein van de tempel

47De man mat het binnenplein van de tempel. Dat was vierkant: 50 meter lang en 50 meter breed.

Voor de tempel zag ik een altaar staan.

De hal van de tempel

48Toen bracht de man me naar de hal van de tempel. Hij mat hoe dik de muren aan allebei de kanten van de ingang waren. Die waren 2,5 meter dik.

De ingang zelf was 7 meter breed. De muur aan allebei de kanten van de ingang was 1,5 meter breed. 49De totale breedte van de hal was dus 10 meter. De lengte van de hal was 6 meter. Je kon de hal bereiken via een trap met tien treden.

Bij de ingang van de hal stonden twee zuilen: aan allebei de kanten van de ingang één zuil.