Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

21Hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, sta op! Dan zal ik tegen je spreken.’ 2En terwijl God dat zei, kwam zijn geest in mij. Ik kreeg de kracht om op te staan. En ik hoorde God spreken.

God stuurt Ezechiël naar de Israëlieten

3God, de Heer, zei tegen mij: ‘Mensenkind, ik wil jou naar de Israëlieten sturen. Naar dat ongehoorzame volk dat tegen mij in opstand gekomen is. De Israëlieten hebben zich tegen mij verzet, net zoals hun voorouders. 4Ook hun kinderen zijn ongehoorzaam en eigenwijs. Daarom stuur ik jou naar hen toe. Jij moet namens mij tegen hen spreken.

5Misschien willen de Israëlieten niet naar je luisteren. Want ze blijven zich maar tegen mij verzetten. Toch moeten ze weten dat er een profeet bij hen geweest is.

6En jij, mensenkind, je hoeft niet bang voor hen te zijn. Zelfs als ze dreigende woorden spreken, en zelfs als ze je kwaad willen doen, hoef je geen angst te hebben. Wees niet bang voor hen, ook al verzetten ze zich.

7Zeg tegen hen wat ik aan jou verteld heb. Misschien luisteren ze wel, maar misschien ook niet. Want ze zijn erg ongehoorzaam.

Ezechiël moet van God een boek opeten

8Mensenkind, luister goed naar mij. Wees niet zo ongehoorzaam als de Israëlieten. Doe wat ik je zeg: doe je mond wijd open, en eet wat ik aan je geef.’

9Toen zag ik dat er een hand naar mij uitgestoken werd. In die hand lag een boek. 10Het boek ging open. Ik zag dat het helemaal volgeschreven was. Het stond vol met droevige liederen.

3

31God zei tegen mij: ‘Mensenkind, eet dit boek op. En ga dan naar de Israëlieten en spreek tegen hen.’

2Ik deed mijn mond open, en God legde het boek in mijn mond. 3Toen zei God: ‘Mensenkind, eet dit boek op, vul je buik ermee.’ Ik at het boek op. Het smaakte zo zoet als honing.

Ezechiël moet naar zijn volk gaan

4Daarna zei God tegen mij: ‘Mensenkind, ga naar de Israëlieten, en zeg tegen hen wat ik aan jou verteld heb.

5-7De Israëlieten kunnen je goed begrijpen, want ze spreken dezelfde taal als jij. Maar toch zullen ze niet naar je luisteren. Ze willen niet horen wat ik hun te zeggen heb. Ik zou je beter naar mensen kunnen sturen die een vreemde taal spreken. Die zouden wel naar je luisteren, ook al kunnen ze je niet verstaan. Maar de Israëlieten luisteren niet. Ze zijn allemaal ongehoorzaam en eigenwijs.

8-9Toch hoef je niet bang te zijn. Wees niet bang voor hen, zelfs als ze zich blijven verzetten. Ik zal ervoor zorgen dat je ongevoelig bent voor hun dreigende woorden. Net zoals zij ongevoelig zijn voor jouw woorden.

10Mensenkind, luister goed naar wat ik tegen je zeg, en vergeet het niet. 11Ga naar de mensen van je volk die hier in Babylonië wonen. En spreek tegen hen namens mij. Misschien luisteren ze, misschien niet.’

Ezechiël hoort de vier dieren weggaan

12Toen tilde de geest van God mij op. Ik hoorde achter mij een groot lawaai. Er klonk een stem die riep: ‘Iedereen in de hemel moet de machtige Heer prijzen!’

13Ik hoorde ook het klappen van de vleugels van de dieren, en het rollen van de wielen die met hen meegingen. Het klonk als het geluid van de donder.

14Daarna tilde de geest van God mij opnieuw op, en nam mij mee. Ik was bedroefd en in de war. En ik was diep onder de indruk van de macht van de Heer.

15Toen ging ik weer terug naar het Kebar-kanaal in de plaats Tel-Abib, waar de mensen van mijn volk wonen. Daar bleef ik zeven dagen lang. Ik voelde me ellendig.

Ezechiël moet het volk waarschuwen

16Na die zeven dagen sprak de Heer opnieuw tegen mij. Hij zei: 17‘Mensenkind, ik wil dat jij het volk van Israël waarschuwt. Steeds als ik kwaad op hen ben, moet jij hen waarschuwen.

18Stel dat ik tegen een misdadiger zeg dat hij zal sterven. Dan wil ik toch dat jij hem waarschuwt. Zeg tegen hem dat hij moet ophouden met zijn slechte gedrag. Als je hem niet waarschuwt, dan zal niet alleen de misdadiger sterven, maar jijzelf ook. Die ander zal sterven omdat hij verkeerde dingen gedaan heeft. En jij zult sterven omdat je hem niet gewaarschuwd hebt. 19Maar als je hem wel waarschuwt, dan zul jij zelf in leven blijven. Ook als die ander niet naar jou luistert en daarom sterft.

20Ook als een goed mens ophoudt met goed te leven, moet jij hem waarschuwen. Stel dat hij verschrikkelijke dingen gaat doen, en je waarschuwt hem niet. Dan zal ik ervoor zorgen dat hij sterft. De goede dingen die hij vroeger gedaan heeft, kunnen hem niet redden van de straf. Maar ook jij zult dan sterven, omdat je hem niet gewaarschuwd hebt.

21Maar stel dat je hem wel waarschuwt, en stel dat hij daardoor ophoudt met zijn verkeerde gedrag. Dan zal hij in leven blijven. Want hij heeft naar jouw waarschuwing geluisterd. En jouw eigen leven zal dan ook gered worden.’

Ezechiël krijgt een opdracht van God

De Heer spreekt tegen Ezechiël

22Opnieuw voelde ik de macht van de Heer. De Heer zei tegen mij: ‘Ezechiël, ga naar het dal, want daar wil ik met je spreken.’

23Ik ging dus naar het dal. En daar zag ik de Heer staan, stralend en machtig. Zo had ik hem ook gezien bij het Kebar-kanaal. Ik schrok zo erg, dat ik neerviel op de grond.

Ezechiël moet zich opsluiten

24Toen gaf de Heer mij de kracht om weer op te staan. Hij zei tegen mij: ‘Ga je huis in, mensenkind, en sluit je daar op. 25Je zult vastgebonden worden met touwen. Dan kun je niet meer naar buiten gaan, en niet meer bij de andere mensen zijn. 26Ook zal ik ervoor zorgen dat je niet meer kunt praten, zodat je die ongehoorzame Israëlieten niet langer kunt waarschuwen.

27Pas als ik je de opdracht geef om te spreken, zul je weer iets kunnen zeggen. Dan moet je namens mij de Israëlieten waarschuwen. Sommigen van hen zullen luisteren, maar anderen niet. Want het is nu eenmaal een ongehoorzaam volk.’

4

Ezechiël moet een aanval uitbeelden

41De Heer zei verder tegen mij: ‘Mensenkind, pak een tegel van klei, en leg die voor je neer. Op die tegel moet je een stad tekenen. Dat is Jeruzalem.

2Je moet laten zien dat de stad aangevallen wordt door vijanden. Teken de plek waar ze een kamp maken en waar ze hun leger opstellen. 3Pak dan een ijzeren plaat, en zet die naast de stad die je getekend hebt. Die plaat stelt een sterke muur voor. Jij moet daarachter gaan zitten en steeds goed naar de stad kijken. Jij stelt dan de vijand voor die de stad aanvalt.

Zo laat je de mensen van je volk zien dat Jeruzalem door vijanden aangevallen zal worden.

4-5Ga daarna op je linkerzij liggen. Dat moet je 390 dagen volhouden. Zo laat ik je lijden voor de schuld van Israël. Iedere dag stelt één jaar voor. Want de inwoners van Israël zijn al 390 jaar schuldig.

6Als die dagen voorbij zijn, moet je op je rechterzij gaan liggen. Zo laat ik je lijden voor de schuld van Juda. Dat moet je veertig dagen volhouden. Want de inwoners van Juda zijn al veertig jaar schuldig.

7Zolang je op je zij ligt, moet je goed blijven kijken naar de stad die je getekend hebt. Doe alsof jij de vijand bent die de stad aanvalt, en spreek dreigende woorden tegen de stad. 8Al die tijd blijf je vastgebonden met touwen, zodat je je niet kunt omdraaien.’

Ezechiël moet onrein voedsel eten

9De Heer zei ook tegen mij: ‘Pak een grote kom, en doe daar verschillende soorten graan in. Bak daarvan een brood. Van dat brood mag je eten zolang je op je linkerzij ligt. Dat is 390 dagen lang. 10-11Iedere dag mag je maar een klein beetje brood eten. En verder mag je iedere dag ook maar een klein beetje water drinken.

12-13Je moet ook een koek van gerst bakken. Zorg ervoor dat iedereen ziet wat je doet. Maak eerst een vuurtje met de gedroogde poep van mensen, en bak de koek op dat vuur. De koek zal dan onrein zijn, en jij zult dus onrein voedsel eten. Zo laat je zien dat de Israëlieten binnenkort ook onrein voedsel zullen eten. Dat zal gebeuren als ik hen bij andere volken laat wonen.’

14Ik riep: ‘Dat kunt u mij niet aandoen, Heer, mijn God! Ik heb mijn hele leven nog nooit iets onreins gegeten! Ik heb nog nooit vlees gegeten van een dier dat door een ander dier gedood is, of van een dier dat ergens dood gevonden is. En ik heb nog nooit onrein offervlees gegeten!’

15‘Goed,’ antwoordde de Heer. ‘Je hoeft de koek niet te bakken op de gedroogde poep van mensen. Je mag de mest van koeien gebruiken.’

Er komt honger in Jeruzalem

16‘Mensenkind,’ zei de Heer tegen mij, ‘ik zal ervoor zorgen dat er in Jeruzalem nog maar heel weinig voedsel is. De mensen kunnen iedere dag maar een klein beetje brood eten en een klein beetje water drinken. Iedereen zal wanhopig zijn 17omdat er bijna geen brood en geen water meer is. De mensen zullen in paniek raken. En ze zullen sterven van honger en dorst, door hun eigen schuld.’