Bijbel in Gewone Taal (BGT)
18

Jetro gaat naar Mozes

181-4De schoonvader van Mozes heette Jetro. Jetro was priester en woonde in Midjan. Ook zijn dochter Sippora, de vrouw van Mozes, woonde daar. Want Mozes had haar weer naar haar vader gestuurd, met hun twee zonen.

Jetro hoorde wat God allemaal voor Mozes en het volk van Israël gedaan had. Hij hoorde dat God de Israëlieten uit Egypte weggehaald had. Hij besloot naar Mozes toe te gaan. Hij nam Sippora en haar zonen mee.

De ene zoon van Sippora heette Gersom. Toen hij geboren werd, had Mozes gezegd: ‘Ik ben een vreemdeling. Ik woon in een land dat ik niet ken.’ De andere zoon heette Eliëzer. Toen hij geboren werd, had Mozes gezegd: ‘De God van mijn vader heeft mij geholpen. Hij heeft mij gered van de farao.’

Jetro dankt God

5Jetro ging naar de woestijn en kwam bij de berg Horeb. Daar was het kamp van Mozes en de Israëlieten. 6Jetro stuurde iemand naar Mozes om te zeggen dat hij eraan kwam, samen met Sippora en haar zonen.

7Mozes ging Jetro tegemoet en begroette hem met een buiging en een kus. Ze vroegen aan elkaar of alles goed ging. Toen gingen ze de tent van Mozes in.

8Mozes vertelde aan Jetro wat de Heer allemaal gedaan had. Wat hij met de farao en de Egyptenaren gedaan had om de Israëlieten te bevrijden. En hoe hij het volk steeds weer gered had uit alle moeilijkheden onderweg. 9Jetro was blij dat de Heer zo goed geweest was voor het volk van Israël. 10-11Hij zei: ‘Ik dank de Heer! De Egyptenaren en de farao hebben jullie onderdrukt. Ze behandelden jullie heel slecht. Maar de Heer heeft jullie bevrijd. De Heer is machtiger dan alle andere goden. Dat weet ik nu!’

12Daarna dankte Jetro God met offers. En hij hield een feestmaal ter ere van God. Ook Aäron en alle leiders van het volk deden daaraan mee.

Mozes heeft het te druk

13De volgende dag ging Mozes rechtspreken over het volk. De hele dag kwamen er mensen bij hem met hun problemen. 14Jetro zag hoe druk Mozes het had. Hij zei: ‘Waarom doe je dit alleen? De hele dag staan er mensen te wachten en jij moet alles alleen doen.’

15Mozes zei: ‘Ze komen bij mij om te vragen wat God wil. 16Als ze ruzie hebben, vragen ze mij om raad. Ik beslis dan wie er gelijk heeft. En ik vertel hun wat er in de wetten en regels van God staat.’

17‘Je doet het niet goed,’ zei Jetro. 18‘Je wordt veel te moe. En ook de mensen die staan te wachten, worden moe. Dit werk is te zwaar voor je. Je kunt het niet alleen.

Jetro geeft Mozes raad

19Luister, God zal je helpen. Ik zal je een goede raad geven. Het is goed dat jij namens het volk met God spreekt. Jij moet hun problemen aan hem vertellen. 20En jij moet Gods wetten en regels uitleggen aan het volk. Je moet aan hen vertellen hoe ze moeten leven en wat ze moeten doen.

21Maar je moet mensen zoeken om je te helpen. Kies een paar verstandige mannen uit. Zij moeten eerbied voor God hebben. Ze moeten eerlijk zijn en niet voor geld iemand gelijk geven. Geef die mannen de leiding over het volk. Verdeel het volk in groepen van tien, van vijftig, van honderd en van duizend. Elke groep komt onder leiding van één van de mannen die jij uitgekozen hebt. 22Zij moeten dan rechtspreken over het volk. Grote problemen moeten ze aan jou vertellen, maar kleine problemen kunnen ze zelf oplossen. Zo wordt jouw werk makkelijker, omdat zij je helpen. 23Als je het zo doet, en als God het wil, kun je het werk volhouden. En alle mensen gaan dan tevreden naar huis.’

Mozes doet wat Jetro gezegd heeft

24Mozes luisterde naar zijn schoonvader en deed wat die gezegd had. 25Hij koos uit het volk een paar verstandige mannen. Die gaf hij de leiding over groepen van tien, van vijftig, van honderd en van duizend mensen. 26Die mannen waren ook rechters. Elke dag beslisten ze zelf over kleine problemen, en de grote problemen vertelden ze aan Mozes.

27Toen nam Mozes afscheid van zijn schoonvader. En Jetro ging terug naar zijn eigen land.

19

God komt naar de berg Sinai

Mozes gaat naar God toe

191-2De Israëlieten vertrokken uit Refidim en gingen naar de Sinai-woestijn. Toen ze daar aankwamen, was het precies twee maanden geleden dat ze uit Egypte vertrokken waren. Ze zetten hun tenten op vlak bij de berg Sinai.

3Mozes klom de berg op, naar God toe. De Heer gaf hem opdracht om namens hem tegen de Israëlieten te zeggen: 4‘Jullie hebben gezien wat ik, de Heer, met de Egyptenaren gedaan heb. En jullie hebben gemerkt dat ik jullie snel en veilig hier bij mij gebracht heb. 5Nu moeten jullie goed naar mij luisteren. En jullie moeten je houden aan de afspraken met mij. Dan zullen jullie een kostbaar bezit voor mij zijn. De hele aarde is van mij, en alle volken zijn van mij. 6Maar jullie zijn echt mijn volk. Jullie zijn heilig, jullie zullen mij dienen.’

Dat moest Mozes tegen de Israëlieten gaan zeggen.

Mozes vertelt wat God gezegd heeft

7Mozes ging terug. Toen hij weer bij de Israëlieten was, riep hij de leiders van het volk bij zich. Hij vertelde hun alles wat de Heer gezegd had. 8-9Toen antwoordde het hele volk: ‘We zullen alles doen wat de Heer gezegd heeft.’

Mozes ging terug naar de Heer. De Heer zei: ‘Ik zal dicht bij je komen, in een donkere wolk. Dan kan het volk het ook horen als ik met je spreek. En dan zullen ze voor altijd vertrouwen in jou hebben.’ Daarna vertelde Mozes aan de Heer wat het volk gezegd had.

God zal op de berg Sinai komen

10Toen zei de Heer tegen Mozes: ‘Ga terug naar het volk. De mensen moeten zich vandaag en morgen voorbereiden op een ontmoeting met mij. En ze moeten hun kleren wassen. Ga dat tegen ze zeggen.

11Over twee dagen moeten ze klaarstaan. Dan kom ik uit de hemel naar beneden, op de berg Sinai. Het hele volk zal dat zien. 12De mensen moeten om de berg heen gaan staan. Maar niemand mag de berg op gaan. Waarschuw de mensen om niet te dicht bij de berg te komen. Als iemand dat toch doet, moet hij gedood worden. 13Maar hij mag dan door niemand aangeraakt worden. Hij moet gedood worden met stenen of met pijlen. Dat geldt ook voor een dier dat de berg op gaat. Pas als het geluid van een trompet klinkt, mogen de mensen de berg op.’

14-15Mozes ging weer de berg af, naar het volk toe. Hij zei tegen de mensen: ‘De Heer zal dichtbij komen. Daarom moeten jullie je voorbereiden. Over twee dagen moeten jullie klaarstaan. Voor die tijd moet je je kleren wassen. En tot die tijd mag je niet met elkaar naar bed gaan.’

God daalt af naar de berg Sinai

16Twee dagen later begon het vroeg in de ochtend te onweren. Er hing een donkere wolk boven de berg. En er werd hard op een trompet geblazen. De mensen in het kamp beefden van schrik. 17Mozes ging met het volk het kamp uit, naar God toe. Onder aan de berg bleven ze staan.

18Om de berg Sinai heen was allemaal rook. Want de Heer kwam uit de hemel naar beneden in een vuur. De rook ging omhoog, en de hele berg schudde. 19Het geluid van de trompet klonk steeds harder. Mozes sprak, en God antwoordde hem met een geweldig geluid. 20De Heer was nu op de top van de berg. Hij riep dat Mozes naar hem toe moest komen.

Toen klom Mozes de berg op.

Mozes en Aäron mogen de berg op

21Op de berg zei de Heer tegen Mozes: ‘Ga naar beneden en waarschuw het volk. Ze mogen niet hierheen komen om mij te zien. Want dan zullen er veel mensen sterven. 22Ook de priesters, die anders altijd wel bij me mogen komen, moeten nu op een afstand blijven. Anders zal ik ze straffen.’

23Mozes zei tegen de Heer: ‘Maar de mensen zullen de berg helemaal niet op gaan! U hebt ons toch gewaarschuwd? U hebt gezegd dat de berg heilig is en dat we om de berg heen moeten gaan staan.’

24De Heer zei: ‘Ga naar beneden, en kom weer terug met Aäron. Zorg dat de priesters en de andere mensen niet omhoogklimmen. Als zij naar me toe komen, zal ik ze straffen.’

25Mozes ging terug naar het volk om dat te zeggen.

20

Tien belangrijke regels

201God gaf de Israëlieten de volgende belangrijke regels.

Regels over het vereren van God

Hij zei: 2‘Ik ben de Heer, jullie God. Ik heb jullie uit Egypte weggehaald, en bevrijd uit de slavernij.

3Vereer geen andere goden. Vereer alleen mij.

4Maak geen beeld van een mens, of van een dier dat in de lucht, op het land of in het water leeft. 5Je mag geen beelden vereren of ervoor knielen. Want ik, de Heer, ben jullie God. Ik wil niet dat jullie andere goden dienen.

Als iemand mij ontrouw is en andere goden gaat dienen, zal ik hem straffen. Dan straf ik hem en ook zijn nakomelingen, tot en met de vierde generatie. 6Maar als iemand mij liefheeft en zich aan mijn regels houdt, zal ik goed voor hem zijn. Ik zal ook goed zijn voor zijn nakomelingen, zelfs voor de duizendste generatie.

7Spreek mijn naam niet zomaar uit, zonder nadenken. Als iemand dat toch doet, zal ik hem straffen.

8Vier de sabbat, want dat is een bijzondere dag. 9Zes dagen mogen jullie werken en bezig zijn met alles wat je moet doen. 10Maar de zevende dag is een dag die voor mij bestemd is. Dan mag je niet werken. Ook je zoon, je dochter, je slaaf en je slavin mogen niet werken. Je dieren mogen niet voor je werken. En ook de vreemdelingen die in jullie steden wonen, mogen niet werken. 11Ik heb in zes dagen de hemel en de aarde gemaakt, en de zee met alles wat daar leeft. Maar ik rustte op de zevende dag. Daarom heb ik de zevende dag gezegend. Ik heb er een heilige dag van gemaakt.

Regels over het omgaan met anderen

12Heb respect voor je vader en je moeder. Dan zul je lang leven in het land dat ik je zal geven.

13Vermoord niemand.

14Ga niet vreemd.

15Steel niet.

16Vertel bij de rechter geen leugens over iemand.

17Verlang niet naar iets dat van een ander is. Blijf af van zijn huis, zijn vrouw, zijn slaaf of slavin, zijn koe of zijn ezel, en van al zijn bezit.’

De Israëlieten durven niet meer naar God te luisteren

18Het hele volk hoorde het geluid van de donder en van de trompet. Ze zagen de bliksem en de rokende berg. Ze beefden, gingen een eind achteruit en bleven op een afstand staan. 19Ze zeiden tegen Mozes: ‘Als u tegen ons spreekt, zullen we luisteren. Maar God moet niet meer tegen ons spreken. Want dan zullen we sterven.’

20Maar Mozes zei: ‘Jullie hoeven niet bang te zijn. God is gekomen om te zien of jullie hem vertrouwen. Hij wil dat jullie eerbied voor hem hebben. Want dan zullen jullie doen wat hij wil.’

21Toen ging Mozes naar de donkere wolk toe waar God in aanwezig was. Het volk bleef op een afstand staan.

God geeft nog andere regels

Regels voor het maken van een altaar

22De Heer zei tegen Mozes: ‘Zeg namens mij tegen de Israëlieten: ‘Jullie hebben nu meegemaakt dat ik vanuit de hemel met jullie gesproken heb. 23Jullie mogen geen andere goden maken, goden van goud of van zilver. Jullie moeten alleen mij vereren. 24Niet alleen hier, maar overal waar ik vereerd wil worden. Dan zal ik naar jullie toe komen en jullie zegenen.

Jullie moeten voor mij een altaar van aarde maken. Daarop moet je offers aan mij brengen: schapen, geiten en koeien. 25Jullie mogen ook een altaar van steen voor mij maken. Maar dan moet je de stenen niet bewerken met gereedschap van ijzer. Want dan is het altaar niet heilig meer. 26Maak geen trap naar het altaar. Want als de priester omhoog moet klimmen, kunnen de mensen onder zijn kleren kijken.’’