Bijbel in Gewone Taal (BGT)
13

131De Heer had ook nog tegen Mozes gezegd: 2‘Elke oudste zoon en elk dier dat het eerst geboren wordt, is heilig. Alles wat het eerst geboren wordt, is voor mij.’

De Israëlieten moeten het Paasfeest blijven vieren

3Mozes had tegen de Israëlieten gezegd: ‘Blijf altijd denken aan deze dag, en eet dan brood zonder gist. Want op deze dag zijn jullie weggegaan uit het land van de slavernij. Toen heeft de Heer jullie zijn grote macht laten zien en jullie uit Egypte bevrijd. 4Op deze dag van de eerste maand gingen jullie weg uit Egypte.

5De Heer zal jullie naar het land brengen waar nu nog de Kanaänieten en andere volken wonen. Dat land heeft hij plechtig beloofd aan jullie voorouders. Het is een land waar voor iedereen genoeg te eten en te drinken is, meer dan genoeg.

Als jullie in dat land zijn, moeten jullie elk jaar in de eerste maand feestvieren. 6-7Zeven dagen lang moeten jullie dan brood zonder gist eten. En al die tijd mag er in jullie land niets te vinden zijn waar gist in zit. Op de zevende dag is er dan een feest voor de Heer. 8Op die dag moeten jullie aan je kinderen vertellen waarom je dit feest viert. Je moet dan zeggen: ‘Omdat de Heer ons uit Egypte heeft bevrijd.’

9Door dat feest zullen jullie altijd denken aan wat er gebeurd is. Altijd zullen jullie eraan denken dat de Heer zijn grote macht heeft laten zien en jullie uit Egypte bevrijd heeft. Op het feest zullen jullie elkaar altijd vertellen wat de Heer van ons wil. 10Vier dat feest elk jaar op de afgesproken tijd.

Elke oudste zoon is voor de Heer

11De Heer zal jullie naar het land van de Kanaänieten brengen. Dat heeft hij jullie en je voorouders beloofd. Als jullie daar wonen, 12zal elke oudste zoon voor de Heer bestemd zijn. Ook elk mannelijk dier dat het eerst geboren wordt, is voor hem. 13Maar niet het eerste jong van een ezel. In plaats daarvan moet je een lam geven, of je moet de nek van het jong van de ezel breken. En in plaats van je oudste zoon moet je een geldbedrag aan de Heer geven.

14Je kinderen zullen later vragen waarom je dat doet. Dan moet je zeggen: ‘De Heer heeft zijn grote macht laten zien en ons uit de slavernij in Egypte bevrijd. 15De farao wilde ons pas laten gaan, toen de Heer de oudste zoon van elke Egyptenaar doodde en het eerste jong van elk dier. Daarom offer ik het eerste jong van elk dier. En daarom betaal ik een geldbedrag voor mijn oudste zoon.’

16Ook door die gewoonte zullen jullie er altijd aan denken dat de Heer zijn macht heeft laten zien, en dat hij ons uit Egypte bevrijd heeft.’

De Israëlieten gaan veilig door de zee

Het volk is op weg naar de Rietzee

17Toen de farao de Israëlieten had laten gaan, leidde God hen niet door het land van de Filistijnen. Dat was wel de kortste weg. Maar God dacht: Als ze moeten vechten tegen de Filistijnen, willen ze misschien terug naar Egypte. Dan krijgen ze misschien spijt dat ze weggegaan zijn. 18Daarom liet God de Israëlieten een omweg maken. Hij leidde ze door de woestijn naar de Rietzee.

De Israëlieten waren goed voorbereid uit Egypte vertrokken. 19Mozes had het lichaam van Jozef meegenomen. Want Jozef had gezegd: ‘God zal jullie helpen. Als jullie uit Egypte weggaan, moeten jullie mijn lichaam meenemen.’ De Israëlieten hadden plechtig beloofd dat ze dat zouden doen.

20De Israëlieten kwamen eerst in Sukkot. Daarna gingen ze verder naar de stad Etam, aan de rand van de woestijn. Daar zetten ze hun tenten neer. 21De Heer ging voor de Israëlieten uit, overdag in een grote wolk en ’s nachts in een vuur. Zo wees hij hun de weg. Daardoor konden ze dag en nacht verdergaan. 22Want overdag ging de wolk altijd voor hen uit, en ’s nachts het vuur.

14

De Heer laat de Israëlieten teruggaan

141De Heer zei tegen Mozes: 2‘Zeg tegen de Israëlieten dat ze terug moeten gaan. Ze moeten hun tenten neerzetten voor de stad Pi-Hachirot, tussen de stad Migdol en de zee. Dat is tegenover de stad Baäl-Sefon, vlak bij de Rietzee. 3De farao zal dan denken dat ze verdwaald zijn in de woestijn. En dat ze daar niet meer weg kunnen komen. 4Hij zal ze achtervolgen. Want hij zal het nog steeds niet goedvinden dat ze uit Egypte weggegaan zijn. Daar zal ik voor zorgen. Maar ik zal hem en zijn hele leger verslaan. Zo zal ik laten zien hoe machtig ik ben. En dan zullen de Egyptenaren begrijpen dat ik de Heer ben.’

De Israëlieten deden wat de Heer gezegd had.

De farao achtervolgt de Israëlieten

5Toen de farao en zijn dienaren hoorden dat de Israëlieten gevlucht waren, kregen ze spijt. Ze zeiden: ‘We hadden ze niet moeten laten gaan. Nu kunnen ze niet meer voor ons werken!’

6De farao liet paarden voor zijn strijdwagen zetten en riep zijn soldaten bij elkaar. 7Hij nam de zeshonderd beste wagens van Egypte mee, en ook alle andere wagens. Op elke wagen zaten sterke soldaten. 8Toen ging de farao de Israëlieten achterna, die zonder angst vertrokken waren. Hij liet zich niet tegenhouden. Daar zorgde de Heer voor.

9De farao achtervolgde de Israëlieten met al zijn paarden, wagens en soldaten. Bij de stad Pi-Hachirot haalde hij ze in. Daar hadden ze hun tenten neergezet, tegenover de stad Baäl-Sefon, vlak bij de Rietzee.

De Israëlieten worden bang

10De Israëlieten zagen de farao aankomen, met zijn hele leger. Ze werden doodsbang en smeekten de Heer om hulp. 11En tegen Mozes zeiden ze: ‘Waarom hebt u ons meegenomen uit Egypte? Om hier in de woestijn te sterven? Omdat er in Egypte geen plaats was om ons te begraven? 12In Egypte zeiden we al dat u ons met rust moest laten. We zijn nog liever slaaf in Egypte, dan dat we sterven in de woestijn!’

13Maar Mozes zei tegen het volk: ‘Wees niet bang! Wacht maar rustig af. Vandaag zullen jullie merken hoe de Heer jullie redt. Jullie zullen die Egyptenaren nooit meer zien. 14En jullie hoeven zelf niets te doen, want de Heer zal voor jullie vechten.’

Het volk gaat veilig door de zee

15De Heer zei tegen Mozes: ‘Waarom vraag je mij om hulp? Zeg tegen de Israëlieten dat ze verder moeten gaan. 16En pak jij je stok, houd hem boven de zee en verdeel zo het water in tweeën. Dan kunnen de Israëlieten over droge grond door de zee lopen. 17-18Ik zal zorgen dat de Egyptenaren jullie blijven achtervolgen. Dan zal ik laten zien hoe machtig ik ben. Ik zal de farao verslaan, met al zijn wagens en soldaten. Dan zullen de Egyptenaren begrijpen dat ik de Heer ben.’

19Steeds was de engel van de Heer voor de Israëlieten uit gegaan. Maar nu ging hij achter hen staan. Ook de wolk die steeds voor hen was, ging naar achteren. 20De wolk was nu tussen het leger van de Egyptenaren en het leger van de Israëlieten. Aan de kant van de Israëlieten gaf de wolk de hele nacht licht. Maar aan de kant van de Egyptenaren maakte hij alles donker. Daardoor konden zij de Israëlieten niet inhalen.

21Toen hield Mozes zijn stok omhoog boven de zee. De Heer liet de hele nacht een harde oostenwind waaien. Het water stroomde naar twee kanten, en er kwam droge grond tevoorschijn. 22Rechts en links was een muur van water. Daartussen konden de Israëlieten door de zee lopen, over droge grond.

De Egyptenaren verdrinken

23De Egyptenaren achtervolgden de Israëlieten. Alle soldaten, paarden en wagens van de farao gingen achter hen aan, de zee in. 24Maar vlak voordat het ochtend werd, keek de Heer vanuit de wolk en het vuur naar de Egyptenaren. Hij zorgde ervoor dat ze in paniek raakten. 25De wielen van hun wagens kwamen vast te zitten, en ze konden bijna niet meer vooruitkomen. ‘We moeten vluchten!’ riepen ze. ‘De Heer helpt de Israëlieten. Hij vecht tegen ons!’

26Toen zei de Heer tegen Mozes: ‘Houd je arm boven de zee. Dan stroomt het water terug. Het zal over de soldaten van Egypte en over al hun wagens heen stromen.’

27Mozes deed dat. Toen het ochtend begon te worden, stroomde het water terug. De Egyptenaren vluchtten tegen de stroom in. De Heer stuurde hen zo de golven in. 28Het water stroomde over het leger van de farao, dat achter de Israëlieten aan gegaan was. Het stroomde over al zijn wagens en al zijn soldaten. Iedereen verdronk.

De Israëlieten vertrouwen op de Heer

29Maar de Israëlieten waren dwars door de zee gegaan. Ze liepen over droge grond, tussen muren van water. 30Zo redde de Heer hen op die dag van de Egyptenaren. De Israëlieten zagen hen dood op het strand liggen. 31Toen begrepen ze met hoeveel kracht de Heer de Egyptenaren verslagen had. Ze kregen grote eerbied voor de Heer. Ze vertrouwden op hem en op zijn dienaar Mozes.

15

Het lied van Mozes

151Mozes zong samen met de Israëlieten dit lied voor de Heer:

De Heer is machtig

‘Ik zing voor de Heer!

Hij is machtig en sterk.

Alle paarden en soldaten

heeft hij de zee in gejaagd.

2De Heer maakt mij sterk,

hij beschermt mij.

Hij heeft me geholpen.

Hij is mijn God

en de God van mijn voorouders.

Ik eer hem en ik dank hem.

3Hij wint elke strijd.

Zijn naam is: Heer.

4Het hele leger van de farao,

alle soldaten en wagens,

heeft de Heer de zee in gejaagd.

Zelfs de sterkste soldaten zijn verdronken.

5Hoge golven spoelden over hen heen,

in het diepe water zonken ze als stenen.

6De Heer heeft de vijanden vernietigd,

hij heeft ze vernietigd met grote kracht.

De Heer heeft de vijanden verslagen

7Heer, u verslaat alle vijanden door uw grote macht.

Als u woedend wordt,

blijft er niets van ze over.

8U hebt het water weggeblazen.

De hoge golven stonden plotseling stil.

Ze stonden rechtop als een muur,

midden in de zee.

9De farao zei: ‘Ik ga dat volk achterna!

Ik zal ze inhalen, die Israëlieten,

ik zal ze grijpen!

Alles pak ik van ze af.

Ze zullen weer mijn slaven worden,

ik zal ze dwingen met mijn zwaard!’

10Maar u hebt het water over de vijanden heen geblazen.

Ze verdronken in de diepe zee,

ze zonken als stenen naar de diepte.

11Geen enkele god is zo machtig en heilig als u!

Niemand doet zulke geweldige dingen.

Niemand doet zulke grote wonderen.

Heer, wie is zo machtig als u?

De Heer heeft zijn volk bevrijd

12Door uw macht zijn de vijanden voor altijd verdwenen,

13en uw volk is door uw goedheid bevrijd.

U leidt uw volk naar uw heilige land.

Zo machtig bent u!

14Alle volken horen het,

alle volken beven,

ze beven van angst!

De Filistijnen zijn bang,

15de leiders van Edom zijn geschrokken,

de leiders van Moab beven,

de inwoners van Kanaän trillen van schrik.

16Ze zijn allemaal bang,

omdat ze weten hoe machtig u bent.

Ze zijn doodstil van angst.

Want uw volk komt eraan, Heer,

het volk dat u zelf hebt gemaakt!

17U brengt uw volk naar de berg Sion.

Daar wilt u hen laten wonen.

Daar woont u ook zelf, Heer,

op uw heilige berg.

Daar is de tempel,

die u zelf hebt gebouwd.

18Heer, u bent koning, voor altijd!’

Mirjam en de andere vrouwen dansen

19Het hele leger van de farao was met alle paarden en alle wagens de zee in gegaan. Toen had de Heer het water over hen heen laten stromen. Maar de Israëlieten waren over droge grond door de zee gelopen.

20Toen pakte Mirjam, de zus van Aäron, een trommel. En alle vrouwen deden met haar mee. Ze speelden op trommels en dansten. Mirjam was een profetes. 21Samen met de andere vrouwen zong ze dit lied:

‘Zing voor de Heer!

Hij is machtig en sterk.

Alle paarden en soldaten

heeft hij de zee in gejaagd.’

Het volk reist door de woestijn

Bitter water wordt zoet

22Onder leiding van Mozes gingen de Israëlieten weg bij de Rietzee. Ze reisden verder, de Sur-woestijn in. Drie dagen lang liepen ze door de woestijn, en nergens konden ze water vinden. 23Toen kwamen ze bij de plaats Mara. Daar was wel water, maar het was zo bitter dat het niet te drinken was. Daarom heet het meer daar Bittermeer.

24Toen begon het volk te protesteren. Ze zeiden tegen Mozes: ‘Wat moeten we drinken?’

25Mozes vroeg of de Heer hen wilde helpen. De Heer wees Mozes een stuk hout aan, en Mozes gooide dat in het water. Toen werd het water zoet.

In Elim is water

Daar in de woestijn gaf de Heer wetten en regels aan de Israëlieten. En daar wilde hij weten of ze hem vertrouwden. 26Hij zei: ‘Jullie moeten goed naar mij luisteren, want ik ben de Heer, jullie God. Jullie moeten doen wat ik wil. Jullie moeten je houden aan mijn wetten en regels. Dan zullen jullie niet de ziektes krijgen die ik naar de Egyptenaren gestuurd heb. Ik ben de Heer. Ik zorg ervoor dat jullie gezond blijven.’

27Toen kwamen de Israëlieten in Elim. Daar waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen. Ze zetten daar hun tenten op bij het water.