Bijbel in Gewone Taal (BGT)
6

De leiders maken zich geen zorgen

61Leiders van Israël, jullie maken je nergens zorgen over, daar op de berg Sion. Jullie denken dat jullie veilig zijn op de berg van de stad Samaria. Jullie denken dat jullie volk het beste is van alle volken. En bij zulke leiders komen de Israëlieten raad vragen!

Maar het loopt slecht met jullie af! 2Ga maar eens kijken in de stad Kalne. Breng maar eens een bezoek aan de grote stad Hamat. Kijk maar eens hoe het afgelopen is met Gat, de stad waar de Filistijnen wonen. Jullie denken toch niet dat jullie land sterker is? Of dat jullie gebied veel groter is?

3Het loopt slecht met jullie af! Jullie denken dat de dag dat jullie gestraft worden, nog ver weg is. Maar door jullie misdaden komt die dag juist dichterbij.

De leiders doen niets voor het volk

4Jullie liggen maar op bed, jullie zitten lui op de bank. Jullie eten lekker vlees, vlees van de beste dieren. 5Jullie schreeuwen en maken muziek. Jullie doen alsof je net zo goed muziek kunt maken als koning David zelf! 6Jullie drinken wijn uit grote bekers. Jullie verwennen jezelf met de lekkerste geurtjes. En dat het volk van Israël pijn heeft, dat maakt jullie niets uit.

7Maar nu is het afgelopen met lui zijn en feesten. Jullie worden het eerst van allemaal weggehaald en naar een ver land gebracht.

Niemand in Israël zal veilig zijn

8God, de Heer, de machtige God, zegt: ‘Volk van Israël, ik heb genoeg van jullie trots. Ik heb genoeg van jullie paleizen. Daarom zorg ik ervoor dat jullie vijanden de baas zullen zijn over Samaria en over alle inwoners van die stad. Mijn besluit staat vast!’

9Misschien denken er dan tien mensen dat ze een veilige plek gevonden hebben. Maar ook die tien zullen sterven. 10Misschien komt er iemand naar een huis om het dode lichaam van een familielid weg te halen. Hij wil het verbranden. Hij zal dan vragen aan een ander die nog in het huis is: ‘Is er bij jou nog iemand in leven?’ En die ander zal zeggen: ‘Nee, maar wees stil! Noem de naam van de Heer niet. 11Want de Heer hoeft maar één bevel te geven en alle huizen worden aan stukken geslagen.’

Israël verandert recht in onrecht

12Paarden kunnen niet over rotsen rennen. En het is onmogelijk om van rotsen vruchtbaar land te maken. Maar jullie doen wat onmogelijk is. Jullie veranderen recht in onrecht. En eerlijk gedrag willen jullie niet belonen.

13-14God, de machtige Heer, zegt: ‘Jullie zijn blij met de verovering van de stad Lo-Debar. Jullie beweren dat jullie de stad Karnaïm op eigen kracht veroverd hebben. Maar ik stuur een volk op jullie af. Dat volk zal jullie overal in het land onderdrukken, van het noorden tot het zuiden.’

7

Amos droomt over de toekomst

Amos droomt over sprinkhanen

71-2God, de Heer, liet mij in een droom iets zien. Ik zag dat hij heel veel sprinkhanen liet komen. Die sprinkhanen wilden het laatste koren opeten. Dat is het koren dat nog groeit als er al gemaaid is voor de koning. De sprinkhanen stonden klaar om het hele land kaal te vreten.

Toen zei ik: ‘Heer, mijn God! Hoe kan uw volk zo in leven blijven? Het is maar een heel klein volk. Blijf toch niet kwaad op hen.’

3En de Heer kreeg spijt. ‘Het zal niet gebeuren,’ zei hij.

Amos droomt over vuur

4God, de Heer, liet mij in een droom nog iets zien. Ik zag dat hij een groot vuur liet komen om het land te straffen. Het vuur was zo sterk dat het hele land verwoest zou worden, en dat al het water op de aarde zou opdrogen.

5Toen zei ik: ‘Heer, mijn God! Hoe kan uw volk zo in leven blijven? Het is maar een heel klein volk. Houd er toch mee op!’

6En de Heer kreeg spijt. ‘Ook dit zal niet gebeuren,’ zei hij.

Amos droomt over lood

7God, de Heer, liet mij in een droom nog iets zien. Ik zag dat hij bij een muur stond, een muur van lood. Hij had iets in zijn hand dat ook van lood gemaakt was.

8De Heer vroeg me: ‘Wat zie je, Amos?’ En ik zei: ‘Ik zie lood.’ Hij zei: ‘Ik zal mijn volk Israël een zware last laten dragen, een last zo zwaar als lood. Ik zal Israël straffen. Ik zal niet langer wachten. 9De plaatsen waar mijn volk offers brengt, zal ik verwoesten. De tempels zal ik afbreken. En ik zal de nakomelingen van koning Jerobeam laten sterven in de oorlog.’

Amasja zegt slechte dingen over Amos

10Amasja, een priester in Betel, hoorde wat Amos gezegd had. Hij vertelde dat door aan Jerobeam, de koning van Israël. Hij liet de koning weten: ‘Amos vertelt slechte dingen over u tegen de Israëlieten. Zijn woorden hebben te veel invloed op de mensen. Hij brengt onrust in het land. 11Hij zegt dat u zult sterven in de oorlog. En dat de Israëlieten meegenomen zullen worden naar een ver land.’

12Toen zei Amasja tegen Amos: ‘Ga weg, jij! Ga maar naar Juda. Daar kun je ook je brood verdienen als profeet. 13Hier in Betel ben je niet langer welkom. Want hier is de tempel van de koning, de belangrijkste tempel van het land.’

Amos reageert

14Maar Amos zei tegen Amasja: ‘Je vergist je. Ik ben geen profeet van beroep. Ik ben een boer, met schapen en koeien en vijgenbomen. 15Maar de Heer heeft me weggehaald bij mijn schapen en koeien. Hij heeft tegen me gezegd: ‘Je moet naar mijn volk Israël gaan. Je moet als profeet tegen mijn volk spreken.’

16-17En nu zeg jij, Amasja, dat ik geen profeet mag zijn. Jij zegt dat ik niet tegen het volk van Israël mag spreken. Maar luister goed naar de woorden van de Heer: De Heer zal je straffen. Je vrouw moet in de stad leven als een hoer. Je kinderen zullen sterven in de oorlog. De grond die van jou is, zul je kwijtraken. Je zult sterven in een land dat je niet kent. En het volk van Israël zal weggehaald worden. Ze zullen naar een ver land gebracht worden.’

8

Amos droomt over rijpe vruchten

81God, de Heer, liet mij in een droom nog iets zien. Ik zag een mand met rijpe vruchten.

2-3De Heer vroeg mij: ‘Wat zie je, Amos?’ En ik zei: ‘Ik zie een mand met rijpe vruchten.’ God zei: ‘Ook voor mijn volk Israël is de tijd rijp. De dag komt dat ik Israël zal straffen. Ik wacht niet langer. Er zal in de tempel alleen nog maar gehuild worden. Want overal liggen doden. Overal zijn de dode lichamen neergegooid. En overal wordt het doodstil!’

Arme mensen worden bedrogen

4God, de Heer, zegt: ‘Luister goed, Israëlieten! Jullie doen arme mensen kwaad, mensen die zich niet kunnen verdedigen.

5Jullie zeggen: ‘Wanneer is deze feestdag voorbij? Dan kunnen we weer geld verdienen. Is de sabbat nu nog niet afgelopen? Dan kunnen we weer graan gaan verkopen.’ Jullie vragen te veel geld. Jullie gebruiken oneerlijke gewichten. 6Jullie verkopen slecht graan. En jullie laten arme mensen als slaven werken voor een klein beetje geld, of voor een paar schoenen.

7Nooit zal ik vergeten wat jullie gedaan hebben. Dat beloof ik, de God waar jullie zo trots op zijn. 8Omdat jullie verschrikkelijke dingen gedaan hebben, zal de aarde beven. De aarde zal omhoogkomen als het water in een rivier. Net zoals het water in de rivier de Nijl omhoogkomt en weer daalt. En de mensen op aarde zullen erg bedroefd zijn.’

Er komt duisternis

9God, de Heer, zegt: ‘Als die dag komt, laat ik midden op de dag de zon ondergaan. Dan wordt het overal donker. 10Dan maak ik van elk feest een begrafenis. Ik verander vrolijke liedjes in droevige liedjes. Van verdriet lopen jullie dan rond in donkere kleren en met kaalgeschoren hoofden. Jullie zullen net zo verdrietig zijn als iemand die zijn enige kind verloren heeft.

Zo zal die dag eindigen, vol verdriet.’

Er komt honger en dorst

11God, de Heer, zegt: ‘Er komen dagen dat alle mensen in het land honger en dorst hebben. Niet omdat de mensen verlangen naar brood en water, maar omdat ze verlangen naar mijn woorden. 12Overal zullen ze op zoek gaan naar mijn woorden. Ze lopen van het zuiden naar het westen, en van het noorden naar het oosten. Overal zoeken ze mijn woorden, maar ze vinden die niet. 13Zelfs sterke meisjes en jongens zullen sterven van verlangen naar mijn woorden.

14Het zal slecht aflopen met mensen die in afgoden geloven. Mensen die iets beloven aan de afgoden van de steden Samaria, Dan of Berseba. Die mensen zullen vallen en niet meer opstaan.’