Bijbel in Gewone Taal (BGT)
7

71Maar Elisa zei: ‘Luister naar deze boodschap van de Heer: Morgen om deze tijd is alle ellende voorbij. Dan betaal je hier in Samaria nog maar 1 zilverstuk voor een hele zak meel of voor twee zakken gerst.’

2Toen zei de officier die bij de koning was: ‘Dat kan nooit, zelfs niet als er graan uit de hemel zou vallen.’ Maar Elisa zei: ‘U zult het zelf nog meemaken, maar u zult er niet meer van eten.’

Samaria wordt gered

Vier mannen willen naar de Arameeërs

3Buiten de stadspoort van Samaria zaten vier mannen die een ernstige huidziekte hadden. Ze zeiden tegen elkaar: ‘We moeten hier niet blijven zitten tot we doodgaan! 4Als we de stad in gaan, sterven we, want daar is geen eten. Maar als we hier blijven, sterven we ook.

Kom op, we gaan naar het legerkamp van de Arameeërs. Als zij ons in leven laten, blijven we leven. En als ze ons doden, dan gaan we maar dood.’

Het legerkamp is verlaten

5Toen het ’s avonds donker werd, gingen de mannen naar het kamp van de Arameeërs. Maar al bij de rand van het kamp zagen ze dat er niemand meer was.

6Dat kwam zo: De Heer had in het kamp een enorm lawaai laten horen. Het klonk alsof er een groot leger met paarden en wagens aan kwam. De Arameeërs dachten dat ze werden aangevallen door de Hethieten en de Egyptenaren. En dat die volken daarvoor geld gekregen hadden van de koning van Israël.

7Vlak voordat het donker werd, waren de Arameeërs weggevlucht om hun leven te redden. In de haast hadden ze hun tenten laten staan. En ze hadden ook hun paarden en ezels achtergelaten. Het hele kamp stond er nog.

De vier mannen gaan de tenten in

8Zo vonden de vier mannen het kamp. Ze gingen een tent in, en daar aten en dronken ze. Ze vonden ook goud en zilver en kleren in de tent. Ze namen alles mee en verstopten het. Bij een andere tent deden ze hetzelfde.

9Maar toen zeiden ze tegen elkaar: ‘We moeten hiermee stoppen. Er is vandaag goed nieuws: de Arameeërs zijn gevlucht! Dat moeten we nu meteen gaan vertellen in het paleis van de koning. Want als we wachten tot het licht wordt, worden we gestraft.’

De mannen waarschuwen de bewakers

10De mannen gingen terug naar de stad, en riepen de bewakers van de stadspoort. Ze zeiden tegen hen: ‘Wij waren in het legerkamp van de Arameeërs, maar daar was niemand te zien of te horen! Er waren alleen maar paarden en ezels, die nog vastgebonden waren. En de tenten stonden er ook nog.’

11De bewakers stuurden dat bericht naar het paleis van de koning. 12Het was nacht, maar de koning stond meteen op. Hij zei tegen zijn raadgevers: ‘Ik zal jullie vertellen wat die Arameeërs van plan zijn! Ze weten dat wij honger hebben. Daarom hebben ze hun kamp verlaten en zich ergens in de buurt verborgen. Ze denken dat wij de stad wel uit zullen komen. En dan willen ze ons levend gevangennemen en de stad veroveren.’

13Eén van de raadgevers antwoordde: ‘We hebben nog een aantal paarden over, laten we die gebruiken. Want anders gaan ze toch dood, net als de mensen in deze stad. Laten we vijf van die paarden nemen en gaan kijken wat er gebeurd is.’

Het legerkamp wordt leeggehaald

14Toen stuurde de koning twee wagens met paarden achter het leger van de Arameeërs aan. De mannen in die wagens moesten gaan kijken wat er gebeurd was. 15Ze volgden de weg die de Arameeërs genomen hadden, tot aan de rivier de Jordaan. En ze zagen dat de hele weg vol lag met kleren en spullen die de Arameeërs in de haast hadden weggegooid. Ze gingen terug naar de koning om hem dat te vertellen.

16Daarna ging iedereen de stad uit om het kamp van de Arameeërs leeg te halen. En ineens kostten twee zakken gerst of één zak meel nog maar 1 zilverstuk. Precies zoals de Heer gezegd had.

De officier van de koning sterft

17De officier die altijd bij de koning was, moest bij de stadspoort zorgen voor orde. Maar hij werd in de drukte onder de voet gelopen en stierf.

Dat had de profeet Elisa al voorspeld toen de koning bij hem gekomen was. 18Want Elisa had tegen de koning gezegd: ‘Morgen om deze tijd kosten twee zakken gerst of één zak meel hier in Samaria nog maar 1 zilverstuk.’ 19De officier van de koning had toen tegen de profeet gezegd: ‘Dat kan nooit, zelfs niet als er graan uit de hemel zou vallen.’ Toen had Elisa geantwoord: ‘U zult het zelf nog meemaken, maar u zult er niet meer van eten.’

20En zo ging het ook. Want de officier van de koning werd onder de voet gelopen bij de stadspoort, en stierf.

8

De vrouw uit Sunem krijgt hulp

Elisa waarschuwt de vrouw uit Sunem

81Op een dag ging de profeet Elisa weer naar Sunem. In die stad had hij een kind dat gestorven was, weer levend gemaakt. Hij ging naar de moeder van het kind toe om haar te waarschuwen. Hij zei: ‘U moet hier weggaan, met uw familie, en een tijd ergens anders gaan wonen. Want de Heer laat hier een hongersnood komen. Die zal zeven jaar duren.’

2De vrouw deed wat de profeet gezegd had. Ze vertrok met haar hele familie naar het land van de Filistijnen, en ze bleef daar zeven jaar.

De vrouw vraagt hulp aan de koning

3Na die zeven jaar keerde de vrouw terug naar Israël. Daar ging ze naar de koning toe. Ze wilde vragen of hij haar kon helpen om haar huis en haar grond terug te krijgen.

4De koning was net aan het praten met Gechazi, de knecht van de profeet Elisa. De koning wilde alles weten over de wonderen die Elisa gedaan had.

5-6Gechazi vertelde hoe Elisa een dood kind weer levend gemaakt had. Precies op dat moment kwam de vrouw uit Sunem binnen met haar zoon. Gechazi zei: ‘Koning, dat is de moeder van het kind waarover ik u vertelde! En dat is de jongen zelf!’

De koning vroeg aan de vrouw wat ze kwam doen. Ze zei dat ze graag haar huis en haar grond terug wilde, en ze vroeg of hij haar kon helpen. Toen zei hij tegen één van zijn ambtenaren: ‘Ga met deze vrouw mee, en zorg ervoor dat ze alles terugkrijgt wat vroeger van haar was. En ook alles wat haar land opgeleverd heeft vanaf de dag dat ze vertrokken is.’

Elisa en Hazaël

Elisa in Damascus

7Op een dag kwam de profeet Elisa in Damascus. Benhadad, de koning van Aram, was op dat moment ziek. Toen hij hoorde dat de profeet in de stad was, 8zei hij tegen zijn dienaar Hazaël: ‘Ga met een geschenk naar de profeet toe. Hij moet aan de Heer vragen of ik weer beter zal worden.’

Hazaël komt bij Elisa

9Hazaël ging naar de profeet Elisa toe, met veertig kamelen. Die droegen allerlei kostbare geschenken uit Damascus.

Toen Hazaël bij de profeet aangekomen was, zei hij tegen hem: ‘Koning Benhadad van Aram heeft mij naar u toe gestuurd. Hij wil weten of hij weer beter zal worden.’

10Elisa antwoordde: ‘U moet tegen de koning zeggen dat hij helemaal beter zal worden. Maar de Heer heeft mij in een droom laten zien dat hij zal sterven.’

Elisa zegt dat Hazaël koning wordt

11Daarna keek Elisa Hazaël een hele tijd strak aan. Toen begon hij opeens te huilen.

12Hazaël vroeg hem: ‘Profeet, waarom huilt u?’ Elisa antwoordde: ‘Omdat ik weet dat u de Israëlieten veel ellende zult brengen. U zult hun steden veroveren en in brand steken. U zult hun jonge mannen doden, en ook hun kinderen, en zelfs hun zwangere vrouwen!’

13Hazaël zei: ‘Hoe zou ik zoiets groots kunnen doen? Ik ben maar een slaaf, ik ben niet meer waard dan een hond!’ Maar Elisa antwoordde: ‘De Heer heeft mij in een droom laten zien dat u koning van Aram zult worden.’

Hazaël doodt Benhadad

14Toen ging Hazaël terug naar koning Benhadad. Die vroeg hem: ‘Wat heeft Elisa tegen je gezegd?’ Hazaël antwoordde: ‘U zult weer helemaal beter worden.’

15Maar de volgende dag pakte Hazaël een doek en maakte die nat met water. Toen drukte hij de doek op het gezicht van de koning, totdat die stikte.

Daarna werd Hazaël zelf koning van Aram, in plaats van Benhadad.

Koning Joram van Juda

Joram wordt koning van Juda

16Toen Joram, de zoon van Achab, vijf jaar koning van Israël was, kwam er een nieuwe koning in Juda. Die heette ook Joram. Deze Joram volgde zijn vader Josafat op als koning van Juda. 17Hij was 32 jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaar vanuit Jeruzalem.

Joram is een slechte koning

18Koning Joram van Juda leefde net zo slecht als de koningen van Israël, de nakomelingen van Achab. Dat kwam doordat hij met een dochter van Achab getrouwd was.

Joram deed dingen die de Heer slecht vond, 19maar toch wilde de Heer Juda niet vernietigen. Want er moest altijd een nakomeling van David koning zijn in Jeruzalem. Dat had de Heer aan zijn dienaar David beloofd.

De Edomieten komen in opstand

20In de tijd dat Joram koning van Juda was, kwam het volk van Edom tegen hem in opstand. Ze kozen een eigen koning. 21Daarom ging Joram met zijn leger en zijn strijdwagens naar de stad Saïr.

Maar bij die stad werden ze omsingeld door de Edomieten. Toen begonnen Joram en zijn leger ’s nachts tegen de Edomieten te vechten. Het lukte hun om te ontsnappen en terug te gaan naar Juda.

22Zo maakten de Edomieten zich los van Juda. En dat is altijd zo gebleven.

In die tijd maakte ook de stad Libna zich los van Juda.

De dood van Joram

23Alle andere verhalen over Joram staan opgeschreven in de boeken over de koningen van Juda.

24Toen Joram stierf, werd hij bij zijn voorouders begraven in het oude deel van Jeruzalem. Zijn zoon Achazja volgde hem op.

Koning Achazja van Juda

Achazja wordt koning van Juda

25Achazja werd koning van Juda toen Joram, de zoon van Achab, twaalf jaar koning van Israël was. 26Achazja was 22 jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde één jaar vanuit Jeruzalem. Zijn moeder heette Atalja. Zij was een kleindochter van koning Omri van Israël.

Achazja is een slechte koning

27Achazja leefde net zoals de nakomelingen van Achab: ook hij deed dingen die de Heer slecht vond. Dat kwam doordat zijn moeder een dochter van Achab was.

Oorlog tegen de Arameeërs

28-29Koning Achazja van Juda ging samen met koning Joram van Israël naar de stad Ramot, in het gebied Gilead. Daar voerden ze oorlog tegen koning Hazaël van Aram.

Maar Joram raakte gewond in het gevecht. Hij ging terug naar de stad Jizreël om zijn wonden te laten genezen. Achazja ging daar ook heen, om te kijken hoe het met de zieke koning Joram ging.

9

Koning Jehu van Israël

Elisa stuurt een profeet naar Ramot

91Intussen riep de profeet Elisa één van de jonge profeten uit Samaria bij zich. Hij gaf hem de volgende opdracht: ‘Ga naar de stad Ramot in het gebied Gilead, en neem een kruikje olie mee. 2Als je in Ramot bent, ga dan naar Jehu, de zoon van Josafat en de kleinzoon van Nimsi. En neem hem mee naar een plek waar je met hem alleen kunt zijn.

3Daar moet je olie over zijn hoofd gieten. Zeg daarbij: ‘Dit zegt de Heer: ‘Jehu, ik maak jou koning van Israël.’’

Daarna moet je de kamer uit gaan en weggaan, zo snel als je kunt.’

Jehu krijgt een boodschap van de Heer

4De jonge profeet ging naar de stad Ramot. 5Toen hij daar aankwam, zaten Jehu en de andere legerleiders bij elkaar. De profeet zei: ‘Ik heb een boodschap voor u.’ ‘Voor mij?’ vroeg Jehu. De profeet antwoordde: ‘Ja, voor u!’

6Jehu stond op en ging samen met de profeet een huis binnen. Daar goot de profeet olie over Jehu’s hoofd, en hij zei: ‘Dit zegt de Heer, de God van Israël: ‘Jehu, ik maak jou koning van mijn volk Israël. 7Jij zult de familie van koning Achab vernietigen, de familie bij wie je nu nog in dienst bent. Zo zal ik ze straffen. Want Izebel, de vrouw van Achab, heeft mijn profeten en al mijn andere dienaren gedood.

8Daarom moet de hele familie van Achab sterven, alle mannen, iedereen, jong en oud. 9Het zal met de familie van Achab net zo gaan als met de familie van Jerobeam, de zoon van Nebat. En net als met de familie van Basa, de zoon van Achia. 10Izebel zal door de honden opgegeten worden, op een akker bij de stad Jizreël. Niemand zal haar begraven.’’

Daarna ging de profeet het huis uit en vertrok, zo snel als hij kon.

Jehu wordt koning

11Jehu ging terug naar de andere legerleiders. Die vroegen hem: ‘Is alles goed? Wat had die gek je te vertellen?’ Jehu antwoordde: ‘Jullie kennen hem toch? Hij zei niets bijzonders.’ 12‘Dat geloven we niet,’ zeiden ze. ‘Vertel het nu maar!’ Toen zei Jehu: ‘Hij gaf me deze boodschap van de Heer: ‘Jehu, ik maak jou koning van Israël.’’

13Meteen trokken de legerleiders hun jassen uit, en legden die voor hem neer op de treden van de trap. Ze bliezen op trompetten en riepen: ‘Jehu is onze koning!’

Jehu gaat naar de stad Jizreël

14Toen maakte Jehu samen met anderen een plan om koning Joram van Israël te doden.

Joram had met zijn leger de stad Ramot beschermd tegen koning Hazaël van Aram. 15-16Maar Joram was in de strijd gewond geraakt. Hij was teruggegaan naar de stad Jizreël om weer gezond te worden. Daar lag hij nu ziek in bed, en koning Achazja was bij hem op bezoek.

Jehu zei tegen de andere legerleiders: ‘Als jullie mij echt als koning willen, zorg er dan voor dat niemand Ramot kan verlaten. Want er mag niemand naar Jizreël gaan om te vertellen wat hier gebeurd is.’ Toen reed Jehu zelf op zijn strijdwagen naar Jizreël.

Een bewaker ziet Jehu aankomen

17De bewaker op de toren van Jizreël zag Jehu en zijn mannen in de verte aankomen. Hij riep naar beneden: ‘Er komt een groep mannen naar de stad!’ Toen koning Joram dat bericht hoorde, stuurde hij een boodschapper op een paard naar de mannen toe. Die moest gaan vragen of alles in orde was.

18De boodschapper reed naar Jehu toe en zei: ‘De koning vraagt of alles in orde is.’ Jehu antwoordde: ‘Dat is jouw zaak niet! Blijf hier en kom achter mij aan.’ De bewaker op de toren liet aan de koning weten: ‘Uw boodschapper is bij de mannen aangekomen, maar hij komt niet terug.’

19Toen stuurde Joram nog een boodschapper. Ook die kwam bij Jehu en zei: ‘De koning vraagt of alles in orde is.’ Opnieuw antwoordde Jehu: ‘Dat is jouw zaak niet! Blijf hier en kom achter mij aan.’ 20De bewaker liet aan de koning weten: ‘De tweede boodschapper is nu bij de mannen, maar ook hij komt niet terug. Maar volgens mij is het Jehu die eraan komt, want hij rijdt als een gek!’

Joram sterft

21Toen liet koning Joram zijn strijdwagen halen. Daarop reed hij Jehu tegemoet, samen met koning Achazja van Juda, die op zijn eigen wagen reed. Ze ontmoetten Jehu op het land van Nabot uit Jizreël.

22Toen Joram Jehu zag, riep hij: ‘Is alles in orde, Jehu?’ Jehu antwoordde: ‘Hoe kunt u dat vragen? Er is helemaal niets in orde! Want de afgoden van uw moeder Izebel worden nog steeds vereerd, en zij gaat ook nog steeds door met haar toverkunsten!’

23Meteen keerde Joram om en vluchtte. Hij riep naar Achazja: ‘Ze hebben ons verraden!’ 24Maar Jehu greep zijn boog en schoot een pijl op Joram af. De pijl raakte hem in zijn rug en ging dwars door zijn hart. Joram viel dood neer in zijn wagen.

Joram wordt niet begraven

25Jehu zei tegen Bidkar, de officier die bij hem was: ‘Pak Jorams lichaam op en gooi het op het land van Nabot uit Jizreël.

Weet je nog hoe wij samen achter Jorams vader Achab aan reden? Toen heeft de Heer al gezegd dat dit zou gebeuren. 26Want hij zei tegen Achab: ‘Gisteren heb ik gezien hoe Nabot en zijn zonen zijn gestorven. Jij hebt ze vermoord! Daarvoor zal ik je straffen, hier op het land van Nabot.’

Nu gebeurt er wat de Heer toen gezegd heeft. Pak Jorams lichaam op en gooi het hier neer.’

Achazja sterft

27Toen koning Achazja van Juda zag wat er gebeurde, vluchtte hij in de richting van de stad Bet-Haggan. Maar Jehu ging achter hem aan en riep: ‘Dood hem ook!’

Achazja reed met zijn wagen naar de stad Gur, die in de buurt van de stad Jibleam lag. Onderweg raakte hij gewond, maar hij kon nog net vluchten naar de stad Megiddo. Daar stierf hij.

28De dienaren van Achazja brachten zijn lichaam op een wagen naar Jeruzalem. Ze begroeven hem bij zijn voorouders in het oude deel van de stad.

29Achazja was koning van Juda geworden toen Joram, de zoon van Achab, elf jaar koning van Israël was.

Izebel sterft

30Izebel, de vrouw van Achab, hoorde dat Jehu onderweg was naar Jizreël. Ze maakte zich mooi op, en kamde haar haar. Toen ging ze bij het raam staan wachten.

31Zodra Jehu door de stadspoort kwam, riep ze: ‘Gaat het goed met je, Jehu? Jij hebt toch je meester vermoord? Net als Zimri, die koning Ela vermoord heeft!’

32Jehu keek omhoog en riep: ‘Zijn daar mensen die mij willen steunen? Wie o wie?’ Een paar dienaren keken naar buiten. 33Jehu zei: ‘Gooi Izebel het raam uit!’ Dat deden de dienaren. Het bloed van Izebel spatte op de stadsmuur en op de paarden, en Jehu reed over haar lichaam heen.

Izebel krijgt geen graf

34Jehu ging het paleis in, en hij liet eten en drinken brengen. Toen hij dat ophad, zei hij: ‘Die vrouw heeft haar straf gehad. Nu moeten jullie haar gaan begraven, want ze is wel de dochter van een koning.’ 35Maar de mannen die dat wilden doen, vonden alleen nog haar schedel en haar handen en voeten.

36Dat gingen ze aan Jehu vertellen. Die zei: ‘Zo heeft de Heer het voorspeld. Want de profeet Elia heeft gezegd: ‘Izebel zal door de honden opgegeten worden, op een akker bij de stad Jizreël. 37De resten van haar lichaam zullen als mest op het land blijven liggen. Niemand zal kunnen zeggen: Dit is het graf van Izebel.’’