Bijbel in Gewone Taal (BGT)
3

Oorlog tussen Israël en Moab

Joram wordt koning van Israël

31Joram, de zoon van Achab, werd koning van Israël in de stad Samaria. Dat gebeurde toen Josafat achttien jaar koning van Juda was. Joram regeerde twaalf jaar.

Joram is een slechte koning

2Joram deed dingen die de Heer slecht vond. Toch was hij niet zo slecht als zijn vader en moeder, want hij haalde de heilige steen weg die zijn vader voor de god Baäl had laten maken. 3Maar verder deed hij net zulke slechte dingen als Jerobeam, de zoon van Nebat. Door Jerobeam waren de Israëlieten ontrouw geworden aan de Heer.

Koning Mesa van Moab komt in opstand

4Koning Mesa van Moab had grote kuddes schapen. Hij moest aan de koning van Israël elk jaar honderdduizend jonge rammen geven om te slachten, en nog eens honderdduizend rammen voor de wol.

5Na de dood van Achab kwam Mesa in opstand tegen koning Joram van Israël. 6Daarom riep Joram het leger van Israël bij elkaar en vertrok uit Samaria. 7Hij stuurde het volgende bericht naar koning Josafat van Juda: ‘De koning van Moab is tegen mij in opstand gekomen. Wilt u mij helpen om hem aan te vallen?’

Josafat antwoordde: ‘Ik doe mee. Want u en ik, wij horen bij elkaar. Mijn soldaten zijn ook uw soldaten, mijn paarden zijn ook uw paarden.’

Joram krijgt hulp

8Joram vroeg aan Josafat hoe het leger het beste naar Moab kon gaan. Volgens Josafat kon dat het beste via de woestijn van Edom.

9Samen met Josafat ging Joram op weg. Ook de koning van Edom ging met hen mee. Maar de tocht duurde langer dan ze gedacht hadden. Toen ze zeven dagen onderweg waren, was het drinkwater op. Er was geen water meer voor de soldaten, en ook niet voor de dieren die ze bij zich hadden.

10Toen riep koning Joram van Israël: ‘Wat een ellende! Straks worden we nog verslagen door de koning van Moab. Heeft de Heer ons daarvoor bij elkaar gebracht?’

De koningen vragen de Heer om raad

11Maar Josafat vroeg: ‘Is hier misschien ergens een profeet van de Heer? Dan kan hij voor ons de Heer om raad vragen.’ Eén van de dienaren van Joram antwoordde: ‘Elisa, de zoon van Safat, is hier. Hij was altijd bij Elia om hem te helpen.’ 12Josafat zei: ‘Dan kan hij zeker namens de Heer spreken!’

Toen ging Joram samen met Josafat en de koning van Edom naar Elisa toe. 13Maar Elisa zei tegen Joram: ‘Wat wilt u van mij? Gaat u maar naar de profeten van uw vader en uw moeder!’ ‘Nee,’ antwoordde Joram. ‘Want wij zijn bij elkaar gebracht door de Heer. Wil hij soms dat wij door de koning van Moab verslagen worden?’

14Toen zei Elisa: ‘Joram, met u wil ik niets te maken hebben! Maar voor koning Josafat van Juda heb ik respect, zo zeker als de machtige Heer leeft. En ik doe wat de Heer zegt.

15Haal nu maar iemand om voor mij op de harp te spelen.’

Elisa spreekt namens de Heer

Terwijl er voor Elisa op de harp gespeeld werd, voelde hij de kracht van de Heer in zich komen.

16Elisa zei tegen de koningen: ‘De Heer zegt dat jullie overal in dit dal kuilen moeten graven. 17Het zal niet gaan stormen en regenen, maar toch zal er in al die kuilen water komen te staan. Dan kunnen jullie weer drinken, jullie zelf en ook jullie dieren.

18Maar dat is nog maar het begin. De Heer zal er ook voor zorgen dat jullie de Moabieten verslaan. 19Jullie zullen al hun prachtige, sterke steden veroveren. Jullie zullen al hun fruitbomen omhakken en hun waterbronnen dichtgooien. En jullie zullen hun akkers volgooien met stenen.’

20De volgende ochtend vroeg kwam er plotseling water naar beneden van de bergen van Edom. Het hele dal stroomde vol.

De Moabieten denken dat de koningen dood zijn

21De Moabieten hadden intussen gehoord dat de drie koningen op weg waren om hen aan te vallen. Alle Moabieten die oud genoeg waren om te vechten, werden bij elkaar geroepen. Ze werden opgesteld bij de grens met Edom.

22Toen ze ’s ochtends opstonden, scheen de opgaande zon over het water in het dal. Daardoor leek het water zo rood als bloed. Toen de Moabieten dat zagen, 23riepen ze: ‘Dat is bloed! Die koningen zijn gaan vechten en ze hebben elkaar gedood. Laten we erheen gaan om hun spullen te verdelen!’

De Moabieten worden verslagen

24Maar toen de Moabieten vlak bij het legerkamp van de Israëlieten waren, vielen de Israëlieten hen aan. De Moabieten vluchtten weg. De Israëlieten achtervolgden hen tot in Moab en versloegen hen. 25Ze verwoestten hun steden. Ze gooiden stenen op alle akkers, ze gooiden de waterbronnen dicht en ze hakten de fruitbomen om.

De Israëlieten hadden alleen de stad Kir-Chareset nog niet veroverd. Maar nu vielen ze ook die stad aan.

De koning van Moab offert zijn zoon

26Toen zag de koning van Moab dat hij de strijd ging verliezen. Hij probeerde nog met zevenhonderd soldaten bij de koning van Edom te komen, maar dat lukte niet. 27Toen liet hij zijn oudste zoon halen, die hem had moeten opvolgen. Hij offerde hem op de stadsmuur.

Daar schrokken de Israëlieten zo van, dat ze stopten met de aanval en teruggingen naar huis.

4

Elisa helpt een weduwe

Elisa helpt de weduwe van een profeet

41De vrouw van één van de profeten vroeg hulp aan Elisa. Ze zei tegen hem: ‘U weet dat mijn man altijd veel eerbied had voor de Heer. Nu is hij gestorven, maar hij had nog schulden. En straks komt de man aan wie hij die schulden moest betalen. Die wil nu mijn twee kinderen meenemen als slaven.’

2Elisa antwoordde: ‘Ik wil u graag helpen. Wat hebt u nog in huis?’ ‘Alleen nog maar een kruikje olijfolie,’ zei de vrouw. ‘Dat is alles.’

3Toen zei Elisa: ‘U moet naar uw buren gaan en vragen of u van hen lege kruiken kunt lenen. Probeer er zo veel mogelijk te krijgen. 4Als u weer thuis bent, moet u de deur dichtdoen. Zorg dat alleen uw kinderen bij u zijn. Giet dan uw olie in die kruiken. Telkens als er één kruik vol is, moet u de volgende pakken.’

Het wonder van de olie

5De vrouw deed wat Elisa zei. Toen ze weer thuis was, deed ze de deur achter zich dicht. Haar kinderen gaven haar steeds de lege kruiken aan, en dan goot zij de olie erin. 6Op het laatst waren alle kruiken vol. Toen ze haar zoon om de volgende kruik vroeg, zei die: ‘Er zijn geen lege kruiken meer.’ Daarna kwam er geen olie meer uit haar kruik.

7De vrouw ging terug naar de profeet en vertelde hem wat er gebeurd was. Hij zei: ‘Verkoop die olijfolie, en betaal dan eerst uw schulden. Daarna kunt u de rest van het geld gebruiken om van te leven.’

Elisa en de vrouw uit Sunem

Een rijke vrouw nodigt Elisa uit

8Op een dag kwam Elisa door de stad Sunem. Daar woonde een rijke vrouw, die hem uitnodigde om bij haar te komen eten. Vanaf dat moment ging Elisa steeds bij haar eten als hij in Sunem was. 9De vrouw zei tegen haar man: ‘Die profeet die steeds bij ons langskomt, is een heilige man. Dat weet ik zeker. 10Laten we een kamertje voor hem maken op het platte dak van ons huis. Daar zetten we een bed, een tafel, een stoel en een olielamp neer. Dan heeft hij een plek voor zichzelf als hij ons bezoekt.’

Elisa zegt dat de vrouw een kind zal krijgen

11Op een dag kwam Elisa weer door Sunem. Hij ging uitrusten in het huis van de vrouw, in de dakkamer die ze voor hem gemaakt hadden. 12En hij zei tegen zijn knecht Gechazi: ‘Vraag aan de vrouw die hier woont, of ze boven wil komen.’ Gechazi riep de vrouw, en ze kwam naar boven.

13Namens Elisa vroeg Gechazi aan de vrouw: ‘U hebt heel veel moeite voor ons gedaan. Is er iets wat wij voor u kunnen doen? Kunnen we iets voor u vragen aan de koning, of aan de leider van het leger?’ ‘Dat is niet nodig,’ antwoordde de vrouw. ‘Want ik heb familie die me altijd kan helpen.’

14Elisa vroeg aan Gechazi: ‘Kunnen we misschien iets anders voor haar doen?’ ‘Jawel,’ antwoordde Gechazi. ‘Ze heeft geen zoon, en haar man is al oud.’ 15Elisa zei: ‘Laat haar hier komen.’ Gechazi riep de vrouw, en ze kwam bij de ingang van de kamer staan.

16Toen zei Elisa: ‘Precies over een jaar zult u een zoon in uw armen houden.’ ‘Ach, meneer,’ antwoordde de vrouw. ‘U bent een profeet, maar u moet mij niet voor de gek houden.’

17Maar de vrouw werd inderdaad zwanger, en een jaar later had ze een zoon. Precies zoals Elisa tegen haar gezegd had.

Het kind van de vrouw sterft

18Op een dag, toen de jongen wat groter was, ging hij bij zijn vader kijken. Die was met andere mannen op het land aan het maaien.

19Plotseling schreeuwde de jongen: ‘Au, mijn hoofd! Mijn hoofd!’ Zijn vader zei tegen één van de knechten: ‘Breng hem naar zijn moeder!’ 20De knecht tilde de jongen op en bracht hem naar zijn moeder. De jongen zat nog een tijd bij haar op schoot, maar aan het eind van de ochtend stierf hij.

De vrouw gaat naar Elisa toe

21Toen droeg de moeder de jongen naar boven en legde hem op het bed van de profeet. Daarna deed ze de deur van de kamer dicht en ging het huis uit. 22Ze riep tegen haar man: ‘Laat één van de knechten een ezel voor me halen, ik wil zo snel mogelijk naar de profeet toe! Maar ik kom meteen terug.’

23Haar man zei: ‘Waarom wil je naar de profeet? Het is toch geen bijzondere dag, geen sabbat of nieuwe maan?’ ‘Maak je maar geen zorgen,’ zei de vrouw. 24Ze legde een zadel op de ezel, ging erop zitten en zei tegen de knecht: ‘Zorg dat de ezel zo snel mogelijk loopt, en sta niet stil voordat ik het zeg!’

De vrouw vraagt Elisa om hulp

25Zo ging de vrouw op weg naar de profeet Elisa, die op de berg Karmel was. Toen Elisa haar in de verte zag aankomen, zei hij tegen zijn knecht Gechazi: ‘Daar komt die vrouw uit Sunem aan! 26Ga haar gauw tegemoet. En vraag hoe het met haar gaat, en met haar man en haar kind.’

27De vrouw zei tegen Gechazi dat alles goed was. Maar toen ze bij Elisa aankwam, greep ze zijn voeten vast. Gechazi wilde haar wegjagen, maar Elisa zei: ‘Laat haar maar, ze heeft verdriet. Maar ik weet niet waarom. Dat heeft de Heer me niet gezegd.’

28Toen zei de vrouw: ‘Ach, profeet, ik heb u toch niet om een zoon gevraagd? Ik heb toch gezegd dat u mij geen valse hoop moest geven?’

29Elisa zei tegen Gechazi: ‘Pak mijn stok en loop zo snel mogelijk naar het huis van deze vrouw. Als je iemand tegenkomt, groet hem dan niet. En als iemand jou groet, zeg dan niets terug. Als je in het huis bent, moet je mijn stok op het gezicht van de jongen leggen.’

30Maar de moeder van de jongen zei tegen Elisa: ‘Ik ga niet weg zonder u. Dat is zo zeker als u leeft, en zo zeker als de Heer leeft.’ Toen stond Elisa op en ging met haar mee.

De vrouw krijgt haar zoon levend terug

31Gechazi was al naar het huis van de vrouw gegaan. Hij legde de stok op het gezicht van de jongen. Maar die bewoog niet, en hij zei ook niets. Gechazi ging terug en vertelde aan Elisa dat de jongen niet wakker was geworden.

32Toen Elisa zelf het huis in kwam en naar zijn kamer ging, zag hij dat de jongen daar dood op het bed lag. 33Hij deed de deur achter zich dicht, zodat hij alleen was met de jongen. Toen bad hij tot de Heer.

34Hij liep naar het bed en ging boven op de jongen liggen, met zijn mond op de mond van de jongen, met zijn ogen op zijn ogen en met zijn handen op zijn handen. Zo bleef hij languit liggen totdat het lichaam van de jongen weer warm werd. 35Toen stond hij op en liep één keer de kamer door. Daarna ging hij opnieuw boven op de jongen liggen. Toen nieste de jongen zeven keer en deed zijn ogen open.

36Elisa riep Gechazi en zei tegen hem dat hij de vrouw moest gaan halen. Dat deed Gechazi. Toen zij boven was, zei Elisa: ‘U kunt uw zoon meenemen.’ 37De vrouw kwam de kamer in. Ze knielde op de grond en boog diep voor Elisa. Toen droeg ze haar zoon de kamer uit.

Elisa zorgt voor voedsel

Elisa maakt bittere soep eetbaar

38Elisa ging terug naar de stad Gilgal. Er was in die tijd hongersnood in het land.

Op een dag zaten de profeten van Gilgal bij elkaar met Elisa. Elisa zei tegen zijn knecht: ‘Zet een grote pot op het vuur en maak soep klaar voor deze profeten.’

39Eén van de profeten ging op zoek naar eetbare planten. Hij vond een plant met ronde gele vruchten. Hij plukte er zo veel van als hij kon dragen. Hij nam de vruchten mee terug, sneed ze in stukjes en gooide die in de pot met soep. Niemand wist precies wat het was.

40De soep werd aan de mannen uitgedeeld. Maar zodra ze ervan proefden, schreeuwden ze: ‘Profeet, van dit eten gaan we dood!’ Ze konden geen hap door hun keel krijgen.

41Toen zei Elisa: ‘Breng me wat meel.’ Dat strooide hij in de pot. Daarna zei hij: ‘Deel de soep nu opnieuw uit.’ Toen was de bittere smaak helemaal weg.

Elisa geeft honderd profeten te eten

42Op een dag kwam er iemand uit de stad Baäl-Salisa bij de profeet Elisa op bezoek. Hij bracht twintig broden voor hem mee. De broden waren gebakken met gerst van de nieuwe oogst. De man had ook nog wat vers graan bij zich.

Elisa zei tegen zijn knecht: ‘Geef dit brood aan de profeten te eten.’ 43De knecht vroeg: ‘Is dit genoeg voor honderd mensen?’ ‘Jazeker,’ antwoordde Elisa. ‘Want de Heer zegt: ‘Ze kunnen allemaal van deze broden eten, en ze zullen nog overhouden ook.’’

44Toen deelde de knecht het brood uit. Iedereen at ervan, en er bleef nog brood over ook. Precies zoals de Heer gezegd had.

5

De genezing van Naäman

Naäman heeft een huidziekte

51Naäman was de legerleider van de koning van Aram. Hij was een belangrijke man, en de koning had veel vertrouwen in hem. Want Naäman had met het leger van Aram een grote overwinning behaald. Daar had de Heer voor gezorgd.

Naäman was een dappere soldaat, maar hij had een ernstige huidziekte.

Naäman wil naar Israël om te genezen

2Er kwamen vaak Arameeërs naar Israël om te roven en te stelen. Op één van die tochten hadden ze een jong meisje uit Israël meegenomen naar hun land. Dat meisje was nu een slavin van de vrouw van Naäman. 3Op een keer zei ze tegen haar meesteres: ‘Ach, kon uw man maar naar de profeet in Samaria gaan. Die zou hem wel beter maken!’

4Toen Naäman dat hoorde, ging hij naar de koning van Aram. Hij vertelde hem wat het meisje uit Israël gezegd had. 5De koning zei tegen Naäman: ‘Ga maar naar Samaria. Ik zal u wel een brief meegeven voor de koning van Israël.’

Naäman gaat naar de koning van Israël

Naäman ging op weg naar Israël. Hij had 300 kilo zilver bij zich, 60 kilo goud en tien stel nieuwe kleren. 6Ook had hij de brief van zijn koning bij zich. Die gaf hij aan de koning van Israël. Er stond het volgende in: ‘Deze brief geef ik mee aan mijn dienaar Naäman. Ik hoop dat u hem zult genezen van zijn ziekte.’

7Toen de koning van Israël de brief gelezen had, werd hij bang, en hij scheurde zijn kleren. Hij zei: ‘Ik kan niet beslissen over dood en leven. Ik ben God toch niet? Hoe kan de koning van Aram mij nu vragen om iemand van een ziekte te genezen? Ik vertrouw het niet, ik denk dat hij weer oorlog wil!’

8De profeet Elisa hoorde dat de koning van Israël zijn kleren gescheurd had. Toen stuurde hij het volgende bericht naar de koning: ‘Waarom hebt u uw kleren gescheurd? Laat die man naar mij toe komen. Dan zal hij zien dat er in Israël een echte profeet is!’

Naäman gaat naar de profeet Elisa

9Toen reed Naäman met zijn paarden en zijn wagen naar het huis van Elisa. Daar bleef hij buiten wachten. 10Elisa stuurde iemand naar hem toe met de volgende boodschap: ‘U moet u gaan wassen in de Jordaan, en zeven keer onder water gaan. Dan zal uw huid weer gezond worden.’

11Toen Naäman dat hoorde, werd hij kwaad. Hij zei: ‘Die man kan toch zelf wel naar buiten komen en bidden tot de Heer, zijn God? Als hij dan met zijn hand over de zieke plek strijkt, zal mijn huid wel weer gezond worden!

12En wat moet ik bij de Jordaan? Er zijn toch ook rivieren bij Damascus? Rivieren zoals de Abana en de Parpar. Die zijn beter dan alle rivieren in Israël! Dan kan ik me net zo goed daarin wassen.’ Kwaad reed hij weg.

Naäman wordt weer gezond

13Maar zijn dienaren kwamen achter hem aan en zeiden: ‘Meester, als die profeet u iets moeilijks had gevraagd, had u het vast en zeker gedaan. En nu heeft hij alleen maar gezegd: ‘Was u, dan zult u genezen zijn.’’

14Toen ging Naäman toch naar de Jordaan. Hij ging zeven keer onder water, zoals de profeet Elisa gezegd had. Zijn huid werd weer gezond, en zo glad als de huid van een kind. Naäman was genezen.

Naäman wil Elisa een geschenk geven

15Daarna ging Naäman terug naar de profeet Elisa, met al zijn dienaren. Hij zei tegen hem: ‘Nu weet ik zeker dat de God van Israël de enige God in de hele wereld is. Neem daarom alstublieft een geschenk van mij aan.’ 16Maar Elisa antwoordde: ‘Ik zal niets van u aannemen. Dat is zo zeker als de Heer leeft. En ik doe alleen wat hij tegen mij zegt.’ Naäman vroeg het hem nog eens, en nog eens. Maar Elisa bleef weigeren.

Naäman wil voortaan de Heer dienen

17Toen zei Naäman: ‘Ik zie dat u echt niets wilt hebben. Maar als u het goedvindt, wil ik graag wat aarde meenemen uit dit land, zo veel als twee ezels kunnen dragen. Op die aarde wil ik een altaar bouwen om offers te brengen aan de Heer. Ik zal nooit meer offeren aan andere goden.

18Ik hoop alleen dat de Heer mij één ding wil vergeven. Als mijn meester naar de tempel van zijn god Rimmon gaat om daar te bidden, dan leunt hij altijd op mijn arm. Ik moet dan samen met hem voor Rimmon knielen. Ik hoop dat de Heer mij dat zal vergeven.’

19-20Elisa antwoordde: ‘Maakt u zich daarover maar geen zorgen.’ Toen ging Naäman terug naar huis.

Gechazi vraagt Naäman om geschenken

Meteen daarna kreeg Gechazi, de knecht van Elisa, een idee. Hij zei bij zichzelf: Mijn meester wilde niet één geschenk aannemen van die Naäman uit Aram. Zo zeker als de Heer leeft, ik ga hem achterna. Want ik wil zelf iets van hem hebben!

21Gechazi rende achter Naäman aan. Toen die hem aan zag komen, sprong hij van zijn wagen af en ging naar hem toe. Naäman vroeg: ‘Is alles in orde?’ 22‘Jazeker,’ antwoordde Gechazi. ‘Maar mijn meester heeft een boodschap voor u. Er zijn twee jonge profeten bij hem gekomen uit het bergland van Efraïm. Wilt u misschien voor hen 30 kilo zilver en twee stel nieuwe kleren aan mij meegeven?’

23Naäman antwoordde: ‘U mag wel 60 kilo zilver meenemen!’ Hij wilde absoluut dat Gechazi dat zou aannemen, en liet twee zakken vullen. In allebei de zakken zat 30 kilo zilver en een stel kleren. Hij stuurde twee knechten met Gechazi mee om die zakken te dragen.

24Toen Gechazi en de twee knechten bij de stad aankwamen, nam Gechazi de zakken over. Hij stuurde de knechten terug naar Naäman, en bracht de zakken naar zijn eigen huis.

Gechazi krijgt de ziekte van Naäman

25Daarna ging Gechazi weer naar zijn meester, de profeet Elisa. Die vroeg hem: ‘Waar kom je vandaan, Gechazi?’ Gechazi antwoordde: ‘Ik ben niet weg geweest.’ 26Toen zei Elisa: ‘Ik heb heus wel gezien dat er iemand van zijn wagen kwam en naar jou toe ging. Is dat jouw manier om geld en kleren te krijgen? En olijftuinen en wijngaarden, schapen, geiten en koeien, en slaven en slavinnen? 27Dit is je straf: Naäman is nu gezond. Maar jij en al je nakomelingen zullen dezelfde huidziekte krijgen als hij.’

Toen ging Gechazi weg bij zijn meester. Zijn huid was zo wit geworden als sneeuw.