Bijbel in Gewone Taal (BGT)
9

Het geld moet snel ingezameld worden

91Eigenlijk hoef ik jullie niets te schrijven over de hulpactie voor de christenen in Jeruzalem. 2Want jullie staan klaar om mee te doen! Dat weet ik. Ik heb trots over jullie verteld aan de christenen in Macedonië. Ik zei: ‘De christenen in Korinte en in de rest van de provincie Achaje hebben vorig jaar al besloten om mee te doen.’ En de meeste christenen in Macedonië hebben toen jullie goede voorbeeld gevolgd.

3Ik stuur nu Titus en de twee andere christenen naar jullie toe. Want ik heb steeds trots over jullie gezegd: ‘Ze doen mee!’ Maar dat moeten jullie nu dan ook echt doen. 4Als ik over een tijdje naar jullie toe kom, komen er ook christenen uit Macedonië mee. Stel je voor dat jullie dan nog niets ingezameld hebben. Wat een schande zou dat zijn! Voor mij, maar vooral voor jullie.

5Daarom vind ik het nodig dat Titus en die twee anderen alvast naar jullie toe gaan. Zij moeten ervoor zorgen dat jullie voorbereid zijn op mijn bezoek. En dat het geld dat jullie beloofd hebben, ingezameld wordt. Als ik bij jullie kom, moet het klaarliggen als een prachtig geschenk. Jullie moeten niet tot het laatste moment wachten en dan maar heel weinig geven!

God geeft al het goede

6Denk eraan: Iemand die weinig zaait, zal ook weinig oogsten. Iemand die veel zaait, zal ook veel oogsten. 7Iedereen moet voor zichzelf besluiten hoeveel hij wil geven. Je moet van harte geven, en niet omdat het verplicht is. Want God houdt van mensen die met vreugde geven.

8God heeft de macht om jullie al het goede te schenken. Hij kan jullie alles geven wat je nodig hebt. Zelfs zo veel dat jullie altijd meer dan genoeg hebben, en veel overhouden om andere mensen te steunen. 9Zo staat het ook in de heilige boeken: «Ze geven veel aan arme mensen. Altijd blijven ze het goede doen.»

10Het is God die zorgt voor zaad om te zaaien en brood om te eten. Hij zal er ook voor zorgen dat jullie meer dan genoeg hebben. En dat jullie steeds meer goeddoen voor anderen.

Het gaat om de dank aan God

11God heeft jullie op veel manieren rijk gemaakt. Nu moeten jullie ook klaarstaan om anderen te helpen. Dan zullen de christenen in Jeruzalem God danken voor de steun die ze via mij van jullie krijgen.

12Jullie dienen God door de christenen in Jeruzalem te steunen. Want zij krijgen dan de hulp die ze nodig hebben, en ze zullen God met heel hun hart danken. 13Ze zullen God eren als ze merken dat jullie hen graag willen steunen. En dat jullie willen laten zien dat alle christenen een eenheid vormen. Dan weten ze dat jullie je houden aan wat er afgesproken is toen het werk aan het goede nieuws begon.

14Telkens als zij voor jullie bidden, voelen ze zich met jullie verbonden. Want ze hebben gemerkt dat God geweldig goed voor jullie is.

15Laten we God danken voor wat hij ons geeft, een geschenk dat te groot is voor woorden.

10

Paulus verdedigt zich

Paulus vertrouwt op Gods kracht

101-2Ik weet dat er over mij gezegd wordt: ‘Paulus durft streng tegen je te zijn, zolang hij ver weg is. Maar als hij bij je komt, is hij een slappeling.’ Maar luister: Denk eraan dat Christus altijd vriendelijk en geduldig was! En luister alsjeblieft naar wat ik van jullie vraag.

Als ik bij jullie kom, wil ik liever niet laten zien hoe streng ik kan zijn. Als apostel mag ik streng zijn. En ik durf echt wel boos te worden op de mensen die zeggen dat ik een slappeling ben. Maar jullie moeten ervoor zorgen dat dat niet nodig is.

3-5Natuurlijk, ik ben een zwak mens, zoals iedereen. Maar ik doe mijn werk niet met menselijke kracht, ik vertrouw op Gods kracht! God maakt mij sterk. Zo kan ik vechten voor de waarheid! Ik strijd tegen alles wat mensen beweren. Al hun mooie woorden, hun grote verhalen en geweldige ideeën. Ik laat zien dat dat allemaal onzin is. Want de kennis over God is de enige waarheid. En we moeten alleen Jezus Christus gehoorzamen. 6Jullie moeten in alles gehoorzaam zijn aan Christus. Dan zal ik ervoor zorgen dat iedereen die niet wil luisteren, gestraft wordt.

Christus heeft Paulus macht gegeven

7Kijk eens goed naar wat er gebeurt. Bepaalde mensen bij jullie in Korinte zijn ervan overtuigd dat ze dienaren van Christus zijn. Maar ik ben ook een dienaar van Christus, net als zij! Laten die mensen daar nog maar eens goed over nadenken!

8Stel dat ik met veel trots zou vertellen over de macht die de Heer mij gegeven heeft. Dan zou ik gewoon de waarheid spreken! Maar ik heb die macht gekregen om jullie te steunen, niet om jullie kwaad te doen. 9Dat zeg ik erbij. Want jullie moeten niet denken dat ik probeer om jullie bang te maken met mijn brieven. 10Ik weet dat er over mij gezegd wordt: ‘Zijn brieven klinken krachtig en streng. Maar in het echt is hij een slappeling en maken zijn woorden geen indruk.’ 11Ik waarschuw de mensen die dat zeggen! Want als ik straks bij jullie ben, zullen mijn daden net zo streng zijn als mijn brieven!

Paulus houdt zich aan zijn opdracht

12Er is inderdaad iets wat ik niet durf. Ik durf niet over mezelf te zeggen dat ik geweldig ben of dat ik de beste van de apostelen ben. Er zijn mensen die graag dat soort dingen over zichzelf zeggen. Die mensen zijn dom. Ze denken dat ze de vraag wie de beste is, zelf mogen beantwoorden. 13Ik doe dat niet. Ik schep niet op over mezelf. Als ik met trots spreek, is het over het werk dat God mij laat doen. Ik houd me aan de opdracht die hij me gegeven heeft. Het werk dat ik bij jullie in Korinte gedaan heb, hoort ook bij die opdracht.

14Ik was de eerste die bij jullie in Korinte het goede nieuws over Christus vertelde. Ik kwam in opdracht van God. Jullie stad hoort dus bij het gebied waarin God mij laat werken. 15Ik zal nooit opscheppen over iets waarvoor een ander moeite gedaan heeft. Maar over mijn eigen werk ben ik vol vertrouwen. Jullie geloof wordt steeds sterker, en met jullie steun kan mijn werk doorgaan. Dan kan ik heel veel bereiken met het werk dat God mij laat doen. 16Dan kan ik doorreizen naar nieuwe plaatsen om ook daar het goede nieuws bekend te maken.

En als anderen succes hebben in hun eigen gebied? Dan is dat niet iets waar ik trots op kan zijn. 17Er is er maar één op wie we trots moeten zijn: de Heer. 18Iemand kan wel over zichzelf zeggen: ‘Ik werk voor de Heer.’ Maar dat zegt nog niets. Dat weet je pas zeker, als de Heer zelf laat zien dat iemand voor hem werkt.

11

Paulus gaat opscheppen

Paulus maakt zich zorgen

111Jullie moeten niet boos worden als ik een paar gekke dingen ga zeggen. Vooruit, accepteer dat maar van me.

2Ik bewaak jullie, zoals God zijn volk bewaakt. Ik bewaak jullie alsof jullie mijn dochter zijn, die ik als een reine bruid aan Christus wil geven. Daarom wil ik dat jullie geloof zuiver blijft. 3Maar ik ben bang dat jullie je trouw aan Christus en je zuivere geloof verliezen. Eva werd ooit verleid door de slimme leugens van de slang. En ik ben bang dat ook jullie je laten verleiden door verkeerde ideeën.

4Want jullie ontvangen iedereen met open armen. Ook mensen die iets heel anders over Christus vertellen dan ik jullie verteld heb. Ook als ze heel andere dingen beweren over de heilige Geest en over het goede nieuws. Jullie vinden dat geen enkel probleem. 5Ach ja, die mensen zijn natuurlijk ook de beste apostelen die er zijn. Tenminste, dat vinden ze zelf. Maar ik denk dat ik minstens zo goed ben als zij. 6Goed, ik heb niet geleerd om alles zo mooi te zeggen als zij. Maar kennis van de waarheid heb ik in ieder geval wel. En al die kennis heb ik ook aan jullie doorgegeven.

Paulus vraagt geen geld

7Ik heb jullie het goede nieuws van God verteld. En jullie hoefden mij daarvoor niets te betalen. Ik wilde graag arm zijn om jullie rijk te maken met het geloof. Dat lijkt me geen misdaad!

8Van andere kerken heb ik wel geld aangenomen. Alles wat ze hadden, kreeg ik mee. Daardoor kon ik naar jullie toe gaan om het goede nieuws te vertellen. 9In de tijd dat ik bij jullie was, kwam ik in moeilijkheden. Ik had niets meer om van te leven. Maar ik heb niemand van jullie lastiggevallen. Ik werd geholpen door christenen die mij vanuit Macedonië geld kwamen brengen.

Paulus is niet zoals de valse apostelen

Jullie hebben mij dus nooit geld hoeven geven. Daar heb ik altijd voor gezorgd, en daar zal ik voor blijven zorgen. 10Dat zal ik overal in Griekenland met trots blijven vertellen. Dat is net zo zeker als dat de waarheid van Christus in mij is!

11Waarom ben ik er trots op dat ik geen geld van jullie gekregen heb? Is dat omdat ik niet van jullie houd? Nee, God weet dat ik juist heel veel van jullie houd! 12Waarom blijf ik dan op die manier doorgaan met mijn werk, zonder geld te vragen? Omdat ik niet wil lijken op die zogenaamde apostelen bij jullie. Zij willen zo graag als echte apostelen gezien worden. Daarom zijn ze er trots op dat ze geld van jullie krijgen. Maar ik werk beslist niet zoals zij!

13Die mensen bij jullie zijn valse apostelen. Het enige wat ze doen, is jullie bedriegen. Ze doen alsof ze apostelen van Christus zijn, maar dat zijn ze niet. 14We hoeven niet verbaasd te zijn over hun gedrag. Want Satan doet alsof hij een engel van God is. 15Dus het is niet vreemd dat ook de dienaren van Satan doen alsof ze dienaren van God zijn. Ze doen alsof ze vertellen over de redding die God wil geven. Maar ze zullen gestraft worden voor hun slechte gedrag!

Paulus gaat ook opscheppen

16Ik zeg het nog eens: Denk nou niet dat ik gek ben. Denken jullie dat toch? Ach, accepteer me dan maar als iemand die gekke dingen zegt. Dan kan ik tenminste ook eens een beetje opscheppen. 17Wat ik ga zeggen, is niet namens de Heer. Nee, ik spreek als iemand die gek is. Want ik ga opscheppen!

18Al die zogenaamde apostelen scheppen graag op over zichzelf. Dat doe ik dan ook maar. 19En bovendien, jullie zijn zo wijs en verstandig! Jullie kunnen iemand die gek doet, makkelijk accepteren. 20Ja, want jullie accepteren heel veel. Jullie accepteren ook dat mensen de baas over jullie spelen en jullie arm maken. Dat ze jullie in de val laten lopen en jullie beledigen, en dat ze zichzelf het belangrijkste vinden. 21Ik heb al die dingen niet gedaan toen ik bij jullie was. Ik ben een echte slappeling. Sorry, ik schaam me diep!

Paulus is beter dan anderen

Die zogenaamde apostelen die bij jullie zijn, die scheppen graag op over zichzelf. Nou, dat durf ik ook! (Ik spreek hier natuurlijk als iemand die gek is.) 22Zij noemen zichzelf Hebreeuwse Joden. Nou, dat ben ik ook! Zij zeggen dat ze echte Israëlieten zijn. Maar dat ben ik ook! Zij noemen zichzelf nakomelingen van Abraham. Maar dat ben ik ook!

23Zij noemen zichzelf dienaren van Christus. Maar ik ben een veel betere dienaar dan zij! (Ik spreek hier natuurlijk als iemand die gek is.) Want ik heb veel harder gewerkt dan zij, en ik heb veel vaker in de gevangenis gezeten. Ik ben al vaak halfdood geslagen, mijn leven is vaak in gevaar geweest. Dat kun je van hen niet zeggen!

Paulus heeft het meest moeten lijden

24Vijf keer hebben de Joden mij zwaar gestraft, met 39 zweepslagen. 25Drie keer hebben Romeinse bestuurders mij stokslagen laten geven. Eén keer hebben mensen geprobeerd mij met stenen dood te gooien. Drie keer zat ik op een schip dat zonk, en ben ik bijna verdronken. Eén keer heb ik zelfs 24 uur lang in zee gedreven.

26De vele reizen die ik maak, zijn vol gevaren. Er zijn gevaarlijke rivieren, en er kunnen onderweg rovers zijn. Telkens zijn er mensen die mij kwaad willen doen, Joden en niet-Joden. Overal ben ik in gevaar: in de steden, in de woestijn en op zee. En dan zijn er ook nog zogenaamde christenen die mij bedreigen.

27Ik heb gewerkt zo hard als ik kon. Vaak zonder te slapen en zonder te eten. Ik had honger en dorst. Ik had het koud en ik had bijna geen kleren.

28Ik zou nog veel meer moeilijkheden kunnen noemen. Maar ik noem alleen nog de zorgen die ik elke dag heb over alle kerken. 29Want ik voel mee met iedere gelovige die het moeilijk heeft. En ik word woedend als iemand een andere gelovige laat zondigen.

Paulus schept op over mislukkingen

30Als ik dan echt moet opscheppen, dan zal ik vertellen over mijn mislukkingen. 31Wat ik jullie schrijf is de waarheid. God weet dat! Alle eer aan hem, de God en Vader van de Heer Jezus, voor altijd!

32Toen ik jaren geleden in Damascus was, dreigde er gevaar. De bestuurder van de stad wilde mij gevangennemen in opdracht van koning Aretas. Zijn soldaten bewaakten de poorten van de stad. 33Ik kon alleen nog maar ontsnappen doordat een paar mensen me hielpen. Ze stopten me in een mand, en lieten me door een raam in de stadsmuur naar beneden zakken.