Bijbel in Gewone Taal (BGT)
20

Drie volken vallen Josafat aan

201Een tijd later gingen de Moabieten en de Ammonieten op weg om koning Josafat aan te vallen. Er gingen ook Meünieten mee.

2Josafat kreeg hierover bericht van zijn boodschappers. Zij zeiden: ‘Er is een groot leger naar u op weg! Ze komen uit Edom, aan de overkant van de Dode Zee. En ze zijn al in Chaseson-Tamar.’ (Dat is een andere naam voor Engedi.)

3Josafat schrok toen hij dat hoorde. Hij wilde de Heer om hulp vragen. Hij gaf het bevel dat alle mensen in Juda een tijd moesten vasten. 4-5Uit alle steden van Juda kwamen de mensen naar het nieuwe plein voor de tempel in Jeruzalem. Ze kwamen de Heer om hulp vragen.

Josafat vraagt de Heer om hulp

Toen ging Josafat voor het volk staan, 6en zei: ‘Heer, God van onze voorouders! U regeert vanuit de hemel over alle koninkrijken op aarde. U bent sterk en machtig, niemand kan u overwinnen. 7U bent onze God. U hebt de vroegere inwoners van dit land weggejaagd. En u hebt het land voor altijd gegeven aan uw volk Israël, de nakomelingen van uw vriend Abraham.

8De Israëlieten gingen in het land wonen, en ze bouwden er een tempel voor u. Ze zeiden: 9‘Steeds als er bij ons een ramp gebeurt, dan zullen we naar deze tempel komen. Steeds als u ons straft met oorlog, ziekte of hongersnood, dan komen we naar u toe, Heer. Want u woont in de tempel. Als we u dan om hulp smeken, luister dan naar ons en help ons!’

10Toen onze voorouders uit Egypte weggingen, mochten ze van u niet door Ammon, Moab en de Seïr-bergen in Edom reizen. Ze zijn toen om die landen heen gereisd, en hebben de inwoners van die gebieden niet gedood. 11En kijk eens wat de Ammonieten, de Moabieten en de bewoners van de Seïr-bergen ons nu aandoen! Ze willen ons wegjagen uit uw land, het land dat u aan ons gegeven hebt.

12U bent onze God. Straf hen! Wij kunnen dit grote leger dat ons aanvalt, niet tegenhouden. We zijn daar niet sterk genoeg voor. We weten niet wat we moeten doen. Maar we vertrouwen op u.’

Jachaziël spreekt het volk toe

13Alle inwoners van Juda stonden voor de tempel van de Heer, ook de vrouwen en de kinderen. 14Tussen al die mensen stond de Leviet Jachaziël, uit de familie van Asaf. Jachaziël was een zoon van Zecharja. Zecharja was een zoon van Benaja. Benaja was een zoon van Jeïël. Jeïël was een zoon van Mattanja.

De geest van de Heer kwam in Jachaziël, 15en hij zei: ‘Luister goed, inwoners van Juda en Jeruzalem. En luister goed, koning Josafat. Dit zegt de Heer: ‘Jullie hoeven niet bang te zijn voor het grote leger van de vijand. Ze zullen niet tegen jullie vechten, maar tegen mij. 16Ze komen hiernaartoe over de Sis-pas. Morgen moeten jullie hun tegemoet gaan. Dan zullen jullie hen tegenkomen in het dal aan de rand van de Jeruel-woestijn.

17Mensen van Juda en Jeruzalem, jullie hoeven niet te vechten. Jullie hoeven daar alleen maar te gaan staan. Dan zullen jullie zien hoe ik, de Heer, jullie help. Wees dus niet bang als jullie morgen het leger van de vijand tegemoet gaan. Want ik ben bij jullie.’’

18Toen knielden Josafat en alle inwoners van Juda en Jeruzalem. Ze bogen diep voor de Heer, om hem te eren. 19De Levieten uit de familie van Korach en Kehat stonden op. Ze zongen en juichten en dankten de Heer, de God van Israël.

Het leger van Juda gaat op weg

20De volgende ochtend vroeg wilden de soldaten van Juda vertrekken naar de woestijn bij Tekoa. Toen ging Josafat voor hen staan en zei: ‘Luister goed, mannen van Juda en Jeruzalem! Als jullie op de Heer, jullie God, vertrouwen, zullen jullie winnen. Als jullie op zijn profeten vertrouwen, zal het goed met jullie gaan.’

21Josafat overlegde met het volk. Toen gaf hij de zangers opdracht om voor de soldaten uit te gaan. Ze zongen: ‘Dank de Heer! Zijn liefde blijft altijd bestaan.’

De vijanden worden verslagen

22-23Op hetzelfde moment gebeurde er iets met het leger van de vijand. Toen zij op weg waren naar Juda, zorgde de Heer ervoor dat ze in paniek raakten. De Ammonieten en de Moabieten begonnen te vechten tegen de bewoners van de Seïr-bergen. Ze doodden hen allemaal. En daarna begonnen de Ammonieten en de Moabieten tegen elkaar te vechten, en ze doodden elkaar allemaal. Zo werd het leger van de vijand vernietigd.

24Toen kwamen de soldaten van Juda op de top van een heuvel aan, waar ze de woestijn goed konden zien. Ze wilden zien waar dat grote leger van de vijand was. Maar ze zagen alleen maar dode lichamen op de grond liggen. Er leefde niemand meer.

Het volk van Juda is blij

25Josafat en zijn soldaten gingen naar het dal toe, om de bezittingen van de dode mensen mee te nemen. Ze vonden heel veel dieren, en kleren, kostbare voorwerpen en andere dingen. Het was zo veel, dat ze het niet konden dragen. Ze hadden drie dagen nodig om alles te verzamelen.

26De volgende dag kwamen ze bij elkaar in Emek-Beracha om de Heer te danken. Daarom heet die plaats nog steeds Emek-Beracha. Dat betekent: dal van de dank.

27Daarna gingen alle mannen weer terug naar Juda en Jeruzalem, onder leiding van Josafat. Ze waren blij, want de Heer had hun vijanden verjaagd. 28In Jeruzalem gingen ze naar de tempel, terwijl ze speelden op harpen en trompetten.

29Toen de koningen van de andere landen hoorden dat de Heer de vijanden van Israël verslagen had, werden ze allemaal bang voor hem. 30Daardoor bleef het rustig in het land, in de tijd dat Josafat koning was. Zijn God zorgde voor rust en vrede.

Josafat is een goede koning

31Josafat was 35 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 25 jaar vanuit Jeruzalem. Zijn moeder heette Azuba. Zij was een dochter van Silchi.

32Josafat leefde precies zoals zijn vader Asa: hij deed altijd wat de Heer wilde. 33Maar de offerplaatsen verdwenen niet. En het volk deed nog steeds niet wat de God van hun voorouders wilde.

34Alle andere verhalen over Josafat zijn opgeschreven door Jehu, de zoon van Chanani. Die verhalen staan in de boeken over de koningen van Israël.

Josafat en Achazja bouwen schepen

35-36Een tijd later besloot Josafat, de koning van Juda, om te gaan samenwerken met Achazja, de koning van Israël. Samen bouwden ze schepen, die naar Tarsis zouden varen. Dat gebeurde in de haven van de stad Esjon-Geber. Maar Achazja was een slechte koning.

37Toen voorspelde Eliëzer uit Maresa, de zoon van Dodawahu, aan Josafat: ‘U werkt samen met koning Achazja. Daarom zal de Heer vernietigen wat u gemaakt hebt.’

En inderdaad zonken de schepen. Ze konden niet meer naar Tarsis varen.