Bijbel in Gewone Taal (BGT)
14

141-3Saul was nog met zeshonderd soldaten in zijn kamp. Hij had zijn tent neergezet aan de rand van een heuvel. Dat was dicht bij de granaatappelboom in de buurt van de stad Migron.

Ook de priester Achia was in het kamp. Achia was een zoon van Achitub. Achitub was een broer van Ichabod, de zoon van Pinechas. En Pinechas was een zoon van Eli, de priester uit Silo.

Jonatan gaat weg uit het kamp

Op een dag zei Jonatan, de zoon van Saul, tegen zijn knecht: ‘Kom, we gaan naar de Filistijnse bewakers aan de overkant van het dal.’ Maar hij zei het niet tegen zijn vader. Niemand wist dat Jonatan weggegaan was.

4-5Bij de plek waar Jonatan naar de overkant van het dal wilde gaan, waren twee grote rotsen. De rots tegenover de stad Michmas werd Boses genoemd. En de rots tegenover de stad Gibea werd Senne genoemd.

6Jonatan zei tegen zijn knecht: ‘Kom, we gaan naar de overkant. We gaan naar die ongelovige bewakers. Misschien zal de Heer ons helpen. Als hij een heel leger kan helpen, dan kan hij ook twee mensen helpen.’ 7En de knecht zei: ‘Goed, ik ga mee.’

Jonatan laat zich zien

8Toen zei Jonatan: ‘Als we naar de overkant van het dal gaan, zorgen we ervoor dat de bewakers ons zien. 9Misschien zeggen ze: ‘Blijf staan totdat we bij jullie zijn!’ Dat zullen we dan doen. 10Maar misschien zeggen ze: ‘Kom hier!’ Als ze dat zeggen, is dat voor ons een teken. Dan klimmen we tegen de rots op. Want dan zal de Heer ons helpen om de Filistijnen te verslaan.’

11Toen gingen de twee mannen naar de overkant van het dal. Ze zorgden ervoor dat de bewakers hen zagen. En de bewakers zeiden: ‘Kijk eens, daar komen een paar Israëlieten tevoorschijn.’ 12Ze riepen naar Jonatan en zijn knecht: ‘Kom hier! Dan zullen we jullie eens laten zien wie de sterkste is!’

Jonatan doodt twintig Filistijnen

Jonatan zei tegen zijn knecht: ‘Kom mee, de Heer zal ons helpen.’ 13Jonatan klom op handen en voeten tegen de rots op. En zijn knecht klom achter hem aan. Overal waar Jonatan kwam, sloeg hij de Filistijnen neer. Daarna doodde zijn knecht hen. 14Bij dat eerste gevecht doodden Jonatan en de knecht twintig Filistijnen. Ze hadden toen nog maar een klein stukje geklommen.

15Iedereen in het Filistijnse kamp werd doodsbang. Alle soldaten en bewakers beefden van angst, zelfs de allersterkste soldaten. De aarde schudde, en iedereen was in paniek.

De Filistijnen worden bang

16De soldaten van Saul die het kamp bij Gibea in Benjamin bewaakten, zagen wat er in het Filistijnse kamp gebeurde. Ze zagen dat iedereen door elkaar heen rende.

17Saul wilde weten wie van zijn soldaten er weg was gegaan. Hij gaf de opdracht om dat uit te zoeken. Toen ontdekten ze dat Jonatan en zijn knecht weg waren. 18Saul riep de priester en zei tegen hem: ‘Breng de heilige kist van God hier.’ Die stond namelijk in het kamp van de Israëlieten.

19Intussen werd het steeds onrustiger in het kamp van de Filistijnen. Dat merkte Saul terwijl hij nog met de priester sprak. Daarom zei Saul tegen de priester: ‘Laat de heilige kist maar staan.’ 20Toen riep Saul al zijn soldaten bij elkaar. Ze gingen op weg om te vechten.

De Filistijnen worden verslagen

De Filistijnen wisten niet meer wat ze deden. Ze begonnen zelfs elkaar aan te vallen. 21Er waren ook Israëlieten die zich bij het leger van de Filistijnen aangesloten hadden. Maar ook zij gingen nu tegen de Filistijnen vechten. Want ze wilden bij Saul en Jonatan horen.

22-23Toen vluchtten de Filistijnen weg. Dat hoorden de soldaten die zich in het bergland van Efraïm verstopt hadden. En ook zij gingen achter de Filistijnen aan, en ze bleven hen achtervolgen. De achtervolging ging door tot voorbij de stad Bet-Awen.

Zo zorgde de Heer ervoor dat Israël op die dag de strijd won.

De Israëlieten hebben honger

24Eerder op de dag had Saul tegen zijn soldaten gezegd: ‘Het zal slecht aflopen met iedereen die iets eet voordat het avond is. Want ik wil eerst mijn vijanden verslaan.’ Daarom at niemand iets.

25-26De soldaten kwamen in een bos waar overal honing te vinden was. Maar niemand durfde er iets van te eten. Want iedereen was bang door de woorden van Saul.

27Maar Jonatan had niet gehoord wat zijn vader gezegd had. Daarom pakte hij met zijn stok een beetje honing en at dat op. Toen voelde hij dat hij weer kracht kreeg. 28Eén van de soldaten zei: ‘Uw vader heeft ons streng verboden iets te eten. Hij heeft gezegd dat het slecht zal aflopen met iedereen die vandaag iets eet. Maar door de honger hebben wij geen kracht meer.’

29Jonatan zei: ‘Mijn vader heeft jullie in grote problemen gebracht. Want kijk eens hoeveel kracht ik nu heb! En ik heb maar een klein beetje honing gegeten. 30Stel je voor dat jullie vandaag ook iets gegeten hadden. Bijvoorbeeld het eten dat jullie bij de Filistijnen vonden. Dan zou de overwinning toch nog veel groter geweest zijn?’

31De Israëlieten jaagden op die dag de Filistijnen weg. Ze achtervolgden hen vanaf de stad Michmas tot aan de stad Ajjalon.

De Israëlieten eten vlees met bloed

De soldaten waren intussen bijna gek van de honger. 32Daarom grepen ze die avond alles wat ze bij hun vijanden vonden: geiten, schapen en koeien. En ze slachtten de dieren daar zomaar op de grond. Ze aten het vlees op met het bloed er nog in.

33Een paar soldaten vertelden dat aan Saul. Ze zeiden: ‘De soldaten doen niet wat de Heer wil. Want ze eten vlees waar nog bloed in zit.’ En Saul zei: ‘Wat ze doen, is verkeerd. Rol een grote steen hierheen. 34Ga dan langs alle soldaten. Zeg tegen iedereen dat ze met de dieren hierheen moeten komen. Dan kunnen ze de dieren slachten op de steen. En dan kunnen ze het vlees eten als het bloed eruit is. Dan eten ze geen vlees met bloed, want dat heeft de Heer verboden.’

Iedereen die een dier had kunnen pakken, kwam bij Saul. En ze lieten het dier slachten op de steen.

35Die steen was het eerste altaar dat Saul voor de Heer bouwde.

Saul vraagt God om raad

36Saul zei: ‘Laten we vannacht de Filistijnen verder achtervolgen. Dan kunnen we ze opjagen tot het ochtend wordt. We zullen ze allemaal doden.’ De soldaten zeiden: ‘We zullen doen wat u wilt.’ Maar de priester zei: ‘Laten we eerst God om raad vragen.’

37Saul vroeg aan God: ‘Is het goed als we de Filistijnen achtervolgen? Zorgt u er dan voor dat we hen verslaan?’ Maar God gaf geen antwoord.

Jonatan heeft iets verkeerds gedaan

38-39Toen riep Saul alle legerleiders bij elkaar. Hij zei: ‘Laten we uitzoeken wie iets verkeerds gedaan heeft. Die man zal zeker sterven, ook al zou het mijn eigen zoon Jonatan zijn. Dat is zo zeker als de Heer leeft, die de redder van Israël is!’ De soldaten zeiden niets.

40Saul zei tegen de soldaten: ‘Jullie moeten tegenover Jonatan en mij gaan staan.’ Dat deden de soldaten. 41Daarna zei Saul tegen de Heer: ‘God van Israël, wijs ons aan wie iets verkeerds gedaan heeft.’ Toen werd er geloot, en Saul en Jonatan werden aangewezen. De soldaten waren onschuldig.

42Saul vroeg: ‘Heeft Jonatan iets verkeerds gedaan, of ik?’ Toen werd Jonatan aangewezen. 43Saul vroeg aan Jonatan: ‘Wat heb je gedaan?’ En Jonatan zei: ‘Ik heb met mijn stok een beetje honing gepakt en dat opgegeten. Ik moet dus sterven.’ 44‘Jij moet inderdaad sterven!’ riep Saul. ‘God mag me straffen als dat niet gebeurt.’

Jonatan hoeft niet te sterven

45Maar toen zeiden de soldaten tegen Saul: ‘Moet Jonatan sterven? Dat nooit! Zo zeker als de Heer leeft! Er mag niets met Jonatan gebeuren. Want hij heeft er vandaag voor gezorgd dat Israël de strijd tegen de Filistijnen won. En God heeft hem daarbij geholpen.’ Zo zorgden de soldaten ervoor dat Jonatan vrijkwam en niet hoefde te sterven.

46Saul achtervolgde de Filistijnen niet langer. En de Filistijnen gingen terug naar hun eigen gebied.

De vijanden van Saul

47-48Toen Saul koning werd, had Israël veel vijanden. Zij roofden het hele land leeg. Saul en zijn leger voerden oorlog tegen hen. Ze vochten tegen de Moabieten, de Ammonieten en de Edomieten. Ze vochten ook tegen de koningen van Soba, tegen de Filistijnen en de Amalekieten. En Saul won elk gevecht.

De familie van Saul

49Saul had drie zonen. Ze heetten Jonatan, Jiswi en Malkisua. Hij had ook twee dochters. De oudste heette Merab en de jongste heette Michal. 50De vrouw van Saul heette Achinoam. Zij was een dochter van Achimaäs.

De leider van Sauls leger was Abner, een neef van Saul. Abner was een zoon van Ner. 51De vader van Saul en de vader van Abner waren broers. Het waren Kis en Ner, de zonen van Abiël.

52Tijdens de hele regering van Saul was er oorlog met de Filistijnen. Het was een lange strijd. Daarom was Saul altijd op zoek naar sterke, dappere mannen. Als Saul zo’n man vond, nam hij hem meteen in dienst.

15

Saul mag geen koning meer zijn

Saul krijgt een opdracht van de Heer

151Op een dag zei Samuel tegen Saul: ‘Ik heb jou vroeger koning van Israël gemaakt. Dat was de opdracht van de machtige Heer. Luister daarom nu naar hem. 2De Heer zegt: ‘Ik ga de Amalekieten straffen. Want zij hebben mijn volk tegengehouden toen het uit Egypte kwam.

3Daarom moet jij nu naar de Amalekieten gaan. Je moet hen verslaan. Je moet alles vernietigen en je moet iedereen doden. Elke man en elke vrouw. Iedere baby en elk kind. En ook alle grote en kleine dieren. Je mag geen medelijden hebben.’’

Saul verslaat de Amalekieten

4Saul liet het leger bij elkaar komen in Telaïm. Daar telde hij hoeveel soldaten er waren. Er waren 200.000 soldaten uit Israël en tienduizend soldaten uit Juda. 5Saul maakte een kamp bij een rivier. Daarna ging hij met zijn leger naar de Amalekieten en de Kenieten.

6Hij zei tegen het volk van de Kenieten: ‘Jullie hebben de Israëlieten geholpen toen ze uit Egypte kwamen. Daarom waarschuw ik jullie: Ga weg bij de Amalekieten! Want anders moet ik jullie ook doden.’ De Kenieten deden wat Saul zei.

7Daarna versloeg Saul de Amalekieten. Hij jaagde hen weg uit het hele gebied van Chawila tot aan Sur. Dat is bij de grens met Egypte.

Saul laat koning Agag in leven

8Saul nam Agag, de koning van de Amalekieten, gevangen. En Saul en zijn soldaten doodden het hele volk. Maar de koning doodden ze niet. 9Ook de beste dieren doodden ze niet. Alles wat waardevol was, lieten ze leven. Maar alles wat waardeloos en zwak was, doodden ze wel.

Samuel wordt kwaad

10Toen zei de Heer tegen Samuel: 11‘Ik heb spijt dat ik Saul koning gemaakt heb. Want hij luistert niet naar mij, en hij doet niet wat ik zeg.’

Samuel werd boos op de Heer. De hele nacht riep hij naar hem. 12Vroeg in de ochtend ging Samuel op weg naar Saul. Hij hoorde dat Saul op de berg Karmel een monument gebouwd had. En dat hij daarna naar de stad Gilgal gegaan was.

13Toen Samuel bij Saul kwam, zei Saul tegen hem: ‘Samuel, ik hoop dat de Heer u gelukkig maakt. Ik heb gedaan wat de Heer mij vroeg.’

14Maar Samuel zei: ‘Hoe kan het dan dat ik geluiden van dieren hoor?’ 15En Saul zei: ‘Die dieren heb ik meegenomen van de Amalekieten. De soldaten vonden het jammer om de beste dieren te doden. Die wilden ze offeren aan de Heer. Maar de rest hebben we allemaal gedood.’

16Maar Samuel zei boos: ‘Houd je mond! Ik zal je vertellen wat de Heer vannacht tegen mij gezegd heeft.’ ‘Goed,’ zei Saul, ‘ik luister.’

Saul heeft niet naar de Heer geluisterd

17Samuel zei: ‘De Heer heeft jou toch koning gemaakt van Israël? Dan ben jij dus de leider van alle stammen van Israël. Ook als je denkt dat je niet belangrijk bent. 18De Heer had jou een opdracht gegeven. Hij zei: ‘Ga oorlog voeren tegen de Amalekieten, want ze zijn slecht. Dood hen allemaal. Ga door totdat er niemand meer leeft.’ 19Waarom heb je dan niet geluisterd naar de Heer? Waarom heb je dieren van de Amalekieten meegenomen? Je weet dat de Heer dat niet goedvindt.’

20Saul zei tegen Samuel: ‘Maar ik heb toch geluisterd naar de Heer? Ik ben naar de Amalekieten gegaan. Ik heb hun koning gevangengenomen en ik heb de rest van de Amalekieten gedood. 21En mijn soldaten hebben de beste dieren meegenomen om ze in Gilgal aan de Heer te offeren.’

22Maar Samuel zei: ‘Wat denk je dat de Heer belangrijker vindt? Dat iemand een offer brengt, of dat iemand doet wat hij vraagt? Doen wat de Heer vraagt, is belangrijker dan een offer brengen. En goed luisteren is beter dan het offeren van dieren. 23Het is slecht om je tegen de Heer te verzetten. Net zo slecht als het voorspellen van de toekomst of het vereren van afgoden. De Heer wil niet dat jij nog langer koning bent. Want je hebt niet gedaan wat hij wilde.’

Saul geeft zijn fout toe

24Toen zei Saul tegen Samuel: ‘Ik heb iets verkeerds gedaan! Ik heb niet gedaan wat de Heer wilde. En ik heb niet naar u geluisterd. Want ik was bang voor de soldaten. En ik luisterde naar wat zij zeiden. 25Vergeef me toch, en ga met me mee. Ik wil bidden tot de Heer.’

26Maar Samuel zei: ‘Nee, ik ga niet met je mee. Want je hebt niet gedaan wat de Heer vroeg. En daarom wil hij niet dat jij nog langer koning bent.’

Saul mag geen koning meer zijn

27Samuel wilde zich omkeren om weg te gaan. Maar Saul pakte Samuel bij zijn mantel, en toen scheurde daar een stuk vanaf. 28Toen zei Samuel: ‘Vandaag scheurt de Heer jou los van Israël. Jij zult geen koning meer zijn. De Heer zal iemand anders koning maken. Iemand die beter is dan jij. 29Je weet toch dat de God van Israël niet van gedachten verandert, zoals mensen doen? Hij houdt zich aan zijn besluit.’

30Saul zei: ‘Ik heb iets verkeerds gedaan. Maar behandel me met respect waar alle leiders van Israël bij zijn. Ga met me mee. Dan zal ik bidden tot de Heer, uw God.’ 31Toen ging Samuel met Saul mee. En Saul ging bidden tot de Heer.

Samuel doodt koning Agag

32Daarna zei Samuel: ‘Breng Agag, de koning van de Amalekieten, hier.’ Agag werd gebracht. Zijn handen waren vastgebonden. Agag vroeg: ‘Ik hoef zeker niet meer bang te zijn dat ik gedood word?’ 33Maar Samuel zei: ‘Jij hebt er met jouw zwaard voor gezorgd dat heel veel moeders hun kinderen verloren. Nu zal ook jouw moeder haar kind verliezen.’ En Samuel hakte het hoofd van Agag af bij het altaar van de Heer in Gilgal.

34Toen ging Samuel terug naar zijn huis in Rama. Saul ging naar zijn eigen huis in Gibea. 35En Samuel zag Saul daarna nooit meer. Maar hij had wel veel verdriet over hem.

En de Heer had spijt dat hij Saul koning van Israël gemaakt had.

16

David wordt de nieuwe koning

Samuel moet naar Isaï gaan

161De Heer zei tegen Samuel: ‘Je weet wat ik besloten heb: Saul mag niet langer koning van Israël zijn. Jij hoeft dus geen verdriet meer over hem te hebben. Ik stuur je naar Betlehem, daar wonen Isaï en zijn zonen. Eén van die zonen heb ik uitgekozen. Hem moet je koning maken.’

2Maar Samuel zei: ‘Dat kan ik toch niet zomaar doen? Als Saul dat hoort, zal hij mij vermoorden.’ Toen zei de Heer: ‘Zeg dat je een offer aan mij moet brengen. En neem daarvoor een jonge koe mee. 3Nodig ook Isaï uit voor dat offer. Dan zal ik je laten weten wie ik uitgekozen heb om koning te zijn.’

Samuel ontmoet de zonen van Isaï

4Samuel deed wat de Heer gezegd had. De leiders van Betlehem schrokken toen Samuel daar aankwam. Ze gingen naar hem toe en vroegen: ‘Is het een slecht teken dat u hier komt?’ 5Maar Samuel zei: ‘Jullie hoeven niet bang te zijn. Ik ben gekomen om een offer te brengen aan de Heer. Jullie moeten je voorbereiden volgens de regels in de wet van de Heer. Dan gaan we daarna samen naar de plaats waar het offer gebracht wordt.’ Samuel nodigde ook Isaï en zijn zonen uit. En hij hielp hen om zich voor te bereiden op het offer.

6Eén van de zonen van Isaï was Eliab. Toen Samuel hem zag, dacht hij: Dit is de man die de Heer uitgekozen heeft. 7Maar de Heer zei tegen Samuel: ‘Let niet op zijn uiterlijk. Kijk niet hoe groot hij is. Ik heb hem niet uitgekozen. Wat je van buiten ziet, is niet belangrijk. Daar kijken mensen altijd het eerst naar, maar ik let erop hoe een mens van binnen is.’

Samuel ontmoet David

8Toen riep Isaï zijn zoon Abinadab, en hij stelde hem aan Samuel voor. Maar Samuel zei: ‘De Heer heeft hem ook niet uitgekozen.’

9Toen stelde Isaï zijn zoon Samma aan Samuel voor. En weer zei Samuel: ‘De Heer heeft hem ook niet uitgekozen.’ 10Zo stelde Isaï zeven zonen aan Samuel voor.

Samuel zei tegen Isaï: ‘De Heer heeft niet één van hen uitgekozen. 11Heb je nog meer zonen?’ En Isaï zei: ‘Ja, mijn jongste zoon, David. Hij past op de schapen en de geiten.’ Toen zei Samuel tegen Isaï: ‘Laat hem dan hier komen. We gaan pas eten van het offer als hij er is.’

12Isaï liet zijn zoon David komen. David was een knappe jongen met rood haar en mooie ogen. Toen zei de Heer tegen Samuel: ‘Dit is degene die ik uitgekozen heb om koning te zijn.’ 13Toen nam Samuel een kruikje met olie. Hij goot de olie over het hoofd van David terwijl al zijn broers erbij waren. Vanaf dat moment was de geest van de Heer in David.

Daarna ging Samuel terug naar de stad Rama.

Saul krijgt last van een kwade geest

14De geest van de Heer was weggegaan uit Saul. In plaats daarvan stuurde de Heer een kwade geest naar Saul om hem bang te maken.

15De dienaren van Saul zeiden tegen hem: ‘U hebt last van een kwade geest van God. 16Wilt u dat wij iemand voor u zoeken die harp kan spelen? Dan kan hij muziek maken als u last hebt van de kwade geest. Dan zult u zich beter voelen.’

17En Saul zei: ‘Ja, zoek een man die goed harp kan spelen, en breng hem bij me.’ 18Eén van de dienaren zei: ‘Ik ken iemand die goed harp kan spelen. Het is de zoon van Isaï uit Betlehem. Hij is sterk, en hij is een goede soldaat. Hij is slim en knap om te zien. En de Heer helpt hem.’

David komt voor Saul werken

19Saul stuurde mannen naar Isaï met de boodschap: ‘Stuur mij je zoon David, die op de schapen en de geiten past.’ 20Toen stuurde Isaï zijn zoon David naar Saul. Isaï gaf David een jonge geit, brood en wijn mee. Hij legde alles op de rug van een ezel.

21David ging voor Saul werken en Saul ging veel van hem houden. Zo veel dat David zijn persoonlijke dienaar werd. 22Saul liet aan Isaï vragen: ‘Mag David altijd voor mij blijven werken? Ik ben erg tevreden over hem.’

23Als Saul last had van de kwade geest, kwam David met zijn harp. Als hij muziek maakte, voelde Saul zich beter. Want dan ging de kwade geest weer weg.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]