Artikel

spijswetten NT

Uit het Nieuwe Testament blijkt dat er in de vroege kerk discussie bestond over de Joodse spijswetten: moesten ook (heidense) christenen zich daaraan houden?

De spijswetten en het christendom

Toen de kerk zich uitbreidde buiten de grenzen van Israël, werden Joodse christenen voor een probleem gesteld: al het voedsel dat afkomstig was van heidenen, werd in het Jodendom als onrein gezien en mocht daarom niet gegeten worden (Hosea 9:3). Ook speelde de discussie of heidenen (niet-Joden) die christen werden, zich ook aan de spijswetten moesten gaan houden, of dat dit alleen een plicht was voor Joden (zie Galaten 2:11-13; Kolossenzen 2:16). Jezus zelf had benadrukt dat mensen niet onrein konden worden door iets van buitenaf, maar alleen door zonde van binnenuit (Marcus 7:14-23; Lucas 11:41). De vraag die nu steeds vaker opkwam, was: hoeveel gezag moeten de spijswetten krijgen in het christendom?

Het visioen van Petrus

In Handelingen 10:9-16 krijgt Petrus een visioen van een laken dat uit de hemel neerdaalt met daarop allerlei soorten dieren. Hij hoort een stem die verkondigt dat alle dieren rein zijn en geschikt om te eten.
Dit visioen gaf de kerk een mandaat om de spijswetten los te laten, en daarmee ook de andere reinheidswetten. Een vast besluit hierover werd genomen tijdens een beraad in Jeruzalem: Christenen moesten zich onthouden van vlees dat aan afgoden geofferd was, van bloed of vlees waar nog bloed in zat, en van ontucht (Handelingen 15:13-29). Maar ze hoefden zich niet aan de andere Joodse reinheidswetten te houden.

Paulus en de spijswetten

Paulus was van mening dat voedsel uit zichzelf nooit onrein is. Maar hij vond dat christenen rekening moesten houden met medegelovigen die daar anders over dachten. Men moest hun geen aanstoot geven door in hun nabijheid ‘onrein’ voedsel te eten of door hun dat voedsel aan te bieden. Paulus vond het bewaren van de vrede en de eenheid binnen de christelijke gemeente het belangrijkste (Romeinen 14:14-21).

Bijbelverzen

  • Marcus 7:14-23
  • Handelingen 10:9-16
  • Handelingen 15:13-29
  • Romeinen 14:14-21
  • Galaten 2:11-13
  • Kolossenzen 2:16
  • Hosea 9:3
  • Lucas 11:41