Vluchtelingen in de Bijbel: Jezus

Wist je dat er heel veel verhalen in de Bijbel staan over vreemdelingen en vluchtelingen? In deze serie belichten we er een aantal. Waarom gaan de hoofdpersonen op pad? Wat treffen ze aan in hun nieuwe thuisland? Raken ze God onderweg kwijt, of komt hij juist in het onbekende heel dichtbij? En wat voor spiegel houden ze ons voor, in hun angst en wantrouwen tegenover het onbekende, maar ook in hun moed en hun vaardigheid datgene vast te houden waar het werkelijk om gaat?

‘Dankbaar en verheugd geven we kennis van de geboorte van Jezus Christus Immanuel , zoon van Maria en de heilige Geest, achter-achter-achter-kleinzoon van Abraham, Jakob, Juda, Ruth, David en Salomo. We noemen hem “God-met-ons”.’ Het begint zo mooi in Matteüs 1. Je ziet Maria en Jozef voor je, nog ietwat overdonderd, maar ook vreselijk blij met hun bijzondere zoon. Maar dan wordt het geboortekaartje ingehaald door de krantenberichten. ‘Tientallen kinderen vermoord in Bethlehem!’ ‘Herodes ruimt mogelijke troonpretendent uit de weg!’

Herodes de Grote, zelf door een combinatie van sluwheid en geweld aan de macht gekomen, is niet van plan om die macht te delen met een zogenaamde nakomeling van David. Jezus ontsnapt, dankzij een waarschuwende droom en een snel handelende vader. Maar andere kinderen hebben minder geluk. Ze vallen ten prooi aan de eeuwige angst van een tiran om de controle te verliezen.

In Matteüs 2 verbindt de evangelist de kindermoord in Bethlehem met de woorden van Jeremia:

Er klinkt een stem in Rama, geween en luid geklaag. Rachel beweent haar kinderen en wil niet getroost worden, want ze zijn er niet meer.’

Matteüs 2:18

Jeremia geeft in dit vers (Jeremia 31:15) woorden aan de ervaringen van de Judeeërs die na de val van Jeruzalem door koning Nebukadnessar worden weggeleid – verre nakomelingen van Rachel en haar zus Lea. Rama was een van hun eerste stations op de lange weg naar Babylonië. Een plek om even op adem te komen, maar ook om de balans op te maken: Wie is er nog over van ons gezin, onze familie, onze buren? Wie hebben we moeten achterlaten, levend of dood? En vooral: wat gaat er met ons gebeuren?

Eigenlijk past het citaat uit Jeremia niet bij het verhaal in Matteüs 2. Bethlehem is niet Rama, Herodes is niet Nebukadnessar, en het gaat hier niet om ballingen maar om vermoorde jongetjes. Waarom haalt de evangelist dit vers dan toch aan? Vanwege het beeld van complete ontreddering? Van verdriet dat geen troostend woord toelaat? Van een heerser die genadeloos toeslaat om zijn macht te behouden? Dat zal allemaal meespelen. Maar Matteüs geeft ook nog een ander antwoord, hetzelfde antwoord dat je door het hele evangelie heen steeds weer tegenkomt: ‘Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet…’.

De evangelist weet het zeker: waar Jezus komt, gaan profetieën in vervulling. Profetieën over Gods Gezalfde, die licht brengt voor een volk in duisternis (Matteüs 4:14-16), die ziektes wegneemt (Matteüs 8:17), recht verkondigt (Matteüs 12:18), en vrede brengt (Matteüs 21:1-5). Maar ook duistere profetieën, over onbegrip (Matteüs 13:14), verraad (Matteüs 26:56), kinderen die moeten vluchten en moeders die om hun zonen rouwen (Matteüs 2:18). Ook die duistere kanten horen bij het verhaal van Israël, en daar maakt Jezus volop deel van uit. Sterker nog, ze horen – nog steeds – bij het verhaal van mensen, waar dan ook ter wereld. Aan ons de taak om daar, net zoals Matteüs, steeds weer het verhaal van het kind Immanuel tegenover te zetten. Het kind dat moest vluchten, maar dat terugkeert om licht, recht en vrede te brengen. Want ook dat weet de evangelist zeker: Immanuel is bij ons, ‘alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld’ (Matteüs 28:20).

Lees verder in Matteüs 28


Anne-Mareike Schol-Wetter
Hoofd Bijbelgebruik Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dit bericht is geplaatst op woensdag 14 maart 2018