Vluchtelingen in de Bijbel: Jakob, de vluchter

Wist je dat er heel veel verhalen in de Bijbel staan over vreemdelingen en vluchtelingen? In deze serie belichten we er een aantal. Waarom gaan de hoofdpersonen op pad? Wat treffen ze aan in hun nieuwe thuisland? Raken ze God onderweg kwijt, of komt hij juist in het onbekende heel dichtbij? En wat voor spiegel houden ze ons voor, in hun angst en wantrouwen tegenover het onbekende, maar ook in hun moed en hun vaardigheid datgene vast te houden waar het werkelijk om gaat?

Je kent ze wel. Van die mensen die elk conflict uit de weg gaan. Die bij de koffieautomaat precies kunnen vertellen wat hen dwarszit, maar nooit het gevecht met de baas zullen aangaan. Of die altijd met een schuin oog achter zich lijken te kijken, naar een verleden dat ze niet onder ogen durven te zien, maar dat hen juist daarom blijft achtervolgen.

Jakob is ook zo iemand. In de verhalen over hem in Genesis 27-35 komt het woord ‘vluchten’ regelmatig voor. Toch is Jakob geen vluchteling – geen oorlog dwingt hem zijn huis te verlaten, geen hongersnood en geen natuurramp. Nee, Jakob is een vluchter. Hij troggelt de zegen van zijn broer af, maar is benauwd voor de gevolgen. Op advies van zijn moeder  vlucht hij naar haar familie, in Charan. Maar ook daar blijken de relaties ingewikkeld. Afgunst, achterkamertjespolitiek en twijfelachtige beloftes bepalen de verhoudingen tussen Jakob en zijn oom Laban. Uiteindelijk pakt Jakob zijn biezen (die inmiddels uit twee vrouwen, elf zonen, één dochter, slaven en slavinnen en een behoorlijke veestapel bestaan) en vlucht. Alweer. Deze keer in de tegenovergestelde richting: naar Kanaän, terug naar huis. Terug ook naar Esau, de broer die hij twintig jaar geleden had bedrogen.

Weer is Jakob doodsbenauwd. Hoe zou Esau hem ontvangen? Jakob weet hier nog niet dat de meest beslissende confrontatie niet die met zijn broer is – die blijkt hem uiteindelijk al lang niet meer naar het leven te staan. Nee, Jakob moet het gevecht aangaan met God, en misschien ook met zichzelf.

Het is midden in de nacht als Jakob bij de rivier de Jabbok tegenover een grote onbekende staat. Helemaal alleen. Vluchten is geen optie – voor Jakob niet, maar ook niet voor de naamloze man met wie hij vecht. Ze hebben elkaar in de houdgreep. ‘Laat me gaan’, zegt de onbekende. ‘Nee, tenzij u mij zegent’, antwoordt Jakob.

Uiteindelijk houdt Jakob drie dingen aan het gevecht over: een ontwrichte heup, de zegen van de onbekende en een nieuwe naam: Israël, ‘hij die het tegen God heeft volgehouden’. Er is geen twijfel meer mogelijk: de onbekende in het donker was God zelf.

Het verhaal over Jakob/Israël  is op zichzelf al intrigerend. Maar het krijgt extra betekenis als je het leest als verhaal dat het volk Israël over zichzelf vertelt. Op een ontwapenend eerlijke manier zeggen de Bijbelse auteurs hiermee: ‘Dit zijn wij. Vluchters. Mensen die telkens weer hun relaties stukmaken. Die constant vechten – met anderen, met God, en met zichzelf. Die liever weglopen dan dat ze de gevolgen van hun eigen handelen onder ogen zien.’

Maar het volk is niet alleen Jakob, de vluchter. Het is ook Israël, die met God vecht en volhoudt. Het is het volk dat uiteindelijk de zegen krijgt, juist wanneer het eindelijk alle schijnzekerheden loslaat.

Lees verder in Genesis 27


Anne-Mareike Schol-Wetter
Hoofd Bijbelgebruik Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dit bericht is geplaatst op maandag 29 januari 2018