Artikel

seraf

Serafs (in Hebreeuws serafiem) zijn in Jesaja 6:1-7 hemelse wezens die boven de troon van God staan en ‘heilig heilig heilig’ roepen. Ze hebben drie paar vleugels, maar ook menselijke trekken: een gezicht, voeten en een menselijke stem. In Openbaring 4:6-9 wordt waarschijnlijk naar deze wezens uit Jesaja verwezen. Hun functie is om Gods heiligheid te benadrukken.

Een slangachtig wezen

Seraf komt uit het Hebreeuws en betekent waarschijnlijk iets als ‘hij die (zijn tegenstanders) brandt’. Het woord komt in het Oude Testament ook een paar keer voor in de betekenis van ‘slang’ (Numeri 21:6-9; Deuteronomium 8:15; Jesaja 14:29; Jesaja 30:6). Bij de serafs in Jesaja 6 wordt daarom vaak gedacht aan een voorstelling die in die tijd bekend was: een cobra met vleugels, een hemels wezen dat een beschermende functie had. Dat was van oorsprong een Egyptische voorstelling, maar hij kwam ook in Israël voor, bijvoorbeeld op zegelringen.

Engelen

In de latere Joodse en christelijke traditie worden serafs tot de engelen gerekend. In de Bijbel zelf is dat niet het geval.

Bijbelverzen

  • Jesaja 6:1-7
  • Openbaring 4:6-9