Artikel

leider NT: rabbi

Rabbi (of rabboeni) is een Hebreeuws woord dat ‘(mijn) meester’ of ‘(mijn) heer’ betekent. De Bijbel in Gewone Taal vertaalt dit woord met 'meester'. In het Nieuwe Testament is het de aanspreektitel voor joodse leraren en schriftgeleerden. Ook Jezus wordt wel zo aangesproken in de evangeliën. Het is dan niet altijd duidelijk of met dit woord ‘heer’ of ‘leraar’ bedoeld wordt.

Het evangelie volgens Matteüs

In Matteüs 23:7-8 geeft Jezus kritiek op farizeeën en schriftgeleerden die zich rabbi laten noemen. In dit evangelie wordt Jezus ook tweemaal aangesproken met rabbi, maar alleen door iemand die weinig van Jezus begrijpt: Judas.

Rabbi als titel voor leraren

Vanaf 70 na Christus werd in de joodse traditie de naam ‘rabbi’ vooral gebruikt als speciale titel voor geleerden in Israël.

Bijbelverzen

  • Marcus 11:21
  • Marcus 14:45
  • Matteüs 23:7-8
  • Marcus 9:5